Een betwiste devotie: de Stille Omgang

De Stille Omgang door de binnenstad van Amsterdam in 2010. beeld ANP, Evert Elzinga
3

In een nacht in maart trekt ieder jaar een stoet van duizenden zwijgende mannen en vrouwen door de binnenstad van Amsterdam. Deze Stille Omgang heeft oude papieren: het ritueel gaat terug op het mirakel van Amsterdam, een wonder met een hostie uit 1345.

Eigenlijk gebeurt er maar weinig tijdens de Stille Omgang, die dit jaar afgelopen weekend in de nacht van zaterdag op zondag werd gehouden. Anders dan bij een gewone processie klinkt er geen geluid. Er zijn geen voorwerpen die worden meegenomen. Alleen wandelen, dat is alles.

Rooms-katholieke mannen hielden in 1881 de eerste editie van de Stille Omgang. Sinds 1966 staat de tocht ook open voor vrouwen, en tegenwoordig voor iedereen die een „meditatief-spirituele” rondgang wil maken. Lang niet alle deelnemers denken meer aan de nacht van 15 op 16 maart 1345, toen er volgens de overlevering een wonder gebeurde in een huis aan de Amsterdamse Kalverstraat. Een hostie die in de brandende haard was beland, werd uren later onaangetast door het vuur aangetroffen. Om te herdenken dat God wonderen had verricht, werd er op de plaats van het huis een kapel gebouwd, met de naam Heilige Stede. De hostie die niet wilde verbranden, kreeg een plaatsje in de kerk.

De Amsterdammers raakten bovengemiddeld verknocht aan de heilige plaats, schrijven de historici Charles Caspers en Peter Jan Margry in hun onlangs verschenen „culturele” biografie ”Het Mirakel van Amsterdam” (uitg. Prometheus, Amsterdam). Samen met de vele pelgrims van elders maakten ze van de kapel het rijkste kerkgebouw van de stad. Alle gilden, maar ook kloosterlingen en scholieren, namen deel aan de processies, die soms meerdere keren per jaar met de mirakelhostie door de stad trokken. Anderen liepen ’s nachts of ’s morgens vroeg alleen, in stilte biddend, een paar rondjes om de kapel.

Genezing

Dat de Amsterdamse christenen de verering van de hostie zo belangrijk vonden, is vanuit de middeleeuwse theologische opvattingen wel te begrijpen. Het sacrament van de eucharistie stond centraal in de kerk, omdat dit volgens de geloofsleer als enige Christus Zelf zou bevatten. Wie van de priester een rond en plat stukje ongedesemd brood kreeg, had gemeenschap (communie) aan het mystieke lichaam van Christus. Hij had Zichzelf gegeven, als een offerlam (”hostie”).

Daarbij komt nog dat er volgens kroniekschrijvers veel wonderen en miraculeuze genezingen plaatsvonden door de hostie in de Heilige Stede. Zo kwam een kreupele uit Nes bij het Mirakel bidden om genezing. Terstond verhoorde God zijn gebed. Thuisgekomen vroeg zijn huisbaas hem of hij wel op de eerste plaats om zijn eeuwige zaligheid had gebeden. Door twijfels bevangen keerde de man terug naar de Heilige Stede. Prompt werd hij weer kreupel. Maar de man bleef bidden en genas alsnog.

Een wonder op de feestdag van de heilige Urbanus, 25 mei van het jaar 1452, betekende de „definitieve doorbraak” van de Heilige Stede. Amsterdam werd getroffen door een grote stadsbrand: de Oude en de Nieuwe Kerk, het stadhuis en vele kloosters vielen aan de vlammen ten prooi. Ook de kapel brandde af. Maar toen de inwoners tussen de puinhopen gingen kijken, stond daar nog ongeschonden de hostie in de monstrans.

Het wonder wordt breed uitgemeten in een mirakelboekje: „Men kwam van alle kanten toelopen om God in Zijn wonderen te beschouwen. Enkelen die alles precies wilden waarnemen, kwamen zo dichtbij dat zij met verschroeide schoenen en voeten terug moesten wijken. Maar toen zij, net als Mozes, vervuld met vrees zagen dat het brandende braambos niet verbrandde, ontdeden zij zich van hun schoeisel, want de plaats waar zij stonden, was heilig.”

Reformatie

Met de komst van de Reformatie in de zestiende eeuw begonnen sommige burgers en bestuurders vraagtekens te zetten bij de oude kerkelijke tradities. Juist de leer van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie kwam onder vuur te liggen. Het stadsbestuur trad op tegen de protestantse „sacramentariërs”, maar vooral met het oog op de rust in de stad. Zo kreeg Jan Pauluszoon, een dronken kuiper die met het sacrament had gespot, een maand cel „op bier en brood.” Voor straf moest hij op de dag van zijn vrijlating –niet toevallig Sacramentsdag– meelopen in de processie, gekleed in een harnas en met een kaars in de hand.

Bij de Beeldenstorm in 1566 verdedigde een groepje vrouwen manmoedig de Heilige Stede. Maar toen de stad in 1578 na een machtsgreep de zijde van de opstandelingen tegen Spanje koos, ontnam het nieuwe bewind de rooms-katholieken de kapel. Inmiddels waren alle beelden in de kerk kort en klein geslagen; een priester had het Mirakel nog net op tijd kunnen verbergen op een geheime plek. Maar toen de geestelijke later terugkwam, was de hostie verdwenen – zonder menselijk toedoen, geloofden veel mensen.

De protestanten herdoopten de Heilige Stede tot Nieuwezijds Kapel. Drie dagen na de overname hield een calvinistische predikant er een preek. Rooms-katholieken bleven er komen – niet om te luisteren naar de prediking, maar om de plek te bezoeken waar het wonder zich had voorgedaan.

De cultus doofde niet uit. De schuilkerk op het Begijnhof ontpopte zich tot een alternatieve Heilige Stede en rooms-katholieken bleven in het donker en in stilte hun omgangen rond de Heilige Stede voortzetten. De Amsterdamse jurist Cornelis Plemp dichtte in de zeventiende eeuw:

De heilige drempels en de sporen van ’t verleden,

Goddank! Zij zijn nu nog ter Kalverstraat bewaard.

Op ’t wijdberoemde feest gaan jaarlijks nog de schreden

Van velen, barrevoets, in d’ochtend tempelwaart;

Zij komen in ’t geheim. De vromen en getrouwen

En brengen U hun groet, verlaten heiligdom,

om ’t Wonder-Sacrament te aanbidden; om te aanschouwen

De heilige plek, en gaan haar plechtig driemaal om.

Voor protestanten bleef de cultus een grote bron van ergernis en spot. De rooms-katholieken konden daar in het openbaar nauwelijks tegenin gaan, maar op de preekstoel schoten de pastoors terug. Toen Wilhelmus van de Wetering op woensdag 17 maart 1773 in het Amsterdamse Begijnhof preekte bij de jaarlijkse gedachtenis van het „Wonder-Sacrament”, wees hij er fijntjes op dat er in de Bijbel nog veel sensationelere vuurwonderen staan. Over Mozes en het brandende braambos bijvoorbeeld, of de drie vrienden van Daniël in de oven. „Geloof alleen is voldoende”, zei hij met een knipoog naar het adagium van de Reformatie.

Processie

In de achttiende eeuw leken protestanten en rooms-katholieken uitgepraat over het Mirakel. Toen de rooms-katholieken in de negentiende eeuw weer volwaardige staatsburgers werden en godsdienstvrijheid kregen, kon de processie een nieuw leven worden ingeblazen. In 1881 was het zover: onder leiding van de Amsterdamse twintigers Joseph Lousbergh en Carel Elsenburg hielden rooms-katholieken de eerste Stille Omgang nieuwe stijl. Een stille tocht, in deemoed en boetvaardigheid, maar ook omdat het processieverbod nog van kracht was. Collectief hardop bidden of zingen mocht niet in Nederland.

Het processietraject liep door een beruchte uitgaansbuurt, die Lousbergh typeerde als „Dantes hel.” „Satan viert dáár in waarheid feest”, stelde hij. Na de route een paar keer op verschillende tijdstippen gelopen te hebben, bleek de vroege ochtend, wanneer het leven in de „nachthuizen” ten einde liep, het meest verantwoorde tijdstip voor een gebedsomgang.

De Stille Omgang trok steeds meer deelnemers. In 1886 waren dat er 60, in 1888 al 500. In 1895 werd voor het eerst de 1000 gehaald. De wandeling, de enige nationale bedevaartcultus, groeide uit tot hét eenheidssymbool van de Nederlandse rooms-katholieken.

De liberale pers maakte zich ondertussen vrolijk over het mirakeldiscours. Dit „oud-Amsterdamse Lourdes” zou niets anders zijn dan een „ultramontaanse geldmachine.” Ook de protestanten bekritiseerden de rooms-katholieke cultus.

Afbraak

Het was de Nederlandse Hervormde Kerk die besloot de Nieuwezijds Kapel –de voormalige Heilige Stede– af te breken. Terwijl de rooms-katholieke gemeenschap in Amsterdam groeide, had de hervormde gemeente aan het Rokin te kampen met een aanzienlijke terugloop van het aantal leden. Dat had vooral te maken met de Doleantie van 1886, de kerkscheuring onder leiding van Abraham Kuyper.

De gemeente was steeds minder goed in staan het middeleeuwse gebouw te onderhouden. De uit 1452 daterende kapel had te kampen met verzakkingen, scheuren en uit het lood staande zuilen. De Kalverstraat en het Rokin waren inmiddels dure winkelstraten geworden, dus verkoop was een interessante optie.

Het debat over de instandhouding van de kerk nam nationale proporties aan. Voorstanders wezen op de grote kunsthistorische waarde van het gebouw, rooms-katholieken wilden het maar al te graag overnemen en protestanten waren bang dat het opnieuw een Heilige Stede zou worden. De kerkenraad besloot op 21 februari 1899 de kapel af te breken en door een kleiner hervormd kerkgebouw te vervangen. De rest van de grond zou worden bebouwd ten behoeve van lucratieve winkelverhuur.

De Nieuwezijds Kapel werd, na een aantal rechtszaken, in 1908 afgebroken. Onderdelen van het gebouw kregen een plekje elders in de stad: een oude toegangspoort uit de zestiende-eeuw is nu te vinden in de Enge Kapelsteeg. Op het dak van schuilkerk De Papegaai in de Kalverstraat staat een dakruiter van de Heilige Stede. Architect Pierre Cuypers plaatste een aantal kolommen en andere bouwfragmenten van de kapel naar de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam. De zogeheten Mirakelkolom, die in 2001 moest wijken voor de bouw van een metrostation, werd eind vorige maand teruggeplaatst op het Rokin, bij de Wijde Kapelsteeg.

De herbouwde Nieuwezijds Kapel is inmiddels ook verkocht. De kerk en de omliggende winkels leverden de protestantse gemeente in 2007 40 miljoen euro op. In de kerk zit nu horrorexperience Amsterdam Dungeon, een griezelpaleis.

Touringcar

De Heilige Stede verdween, de Stille Omgang ging door. In het hele land ontstonden er gezelschappen die voor hun stad, dorp of regio de reis naar Amsterdam coördineerden. In de jaren dertig reden er 45 extra nachttreinen, die vanuit het hele land op Amsterdam koersten. Ze werden bestuurd door rooms-katholieke machinisten, die dat natuurlijk gratis deden.

Vanuit Horst-Sevenum vertrok jaarlijks een touringcar met bedevaartgangers naar de hoofdstad. Na de omgang –een klein uurtje lopen– woonden de Limburgers een mis bij in een van de Amsterdamse kerken. Thuis in Sevenum wachtte nog de sluitingsdienst van de bedevaart. Na het ontbijt kon men ten slotte naar bed.

Met een gemiddelde opkomst van 60.000 was de Stille Omgang in de jaren voor en na de Tweede Wereldoorlog op zijn hoogtepunt. Echte problemen deden zich nooit voor. „Voor sommigen is de Stille Omgang een prachtig alibi om voor andere redenen naar Amsterdam te komen”, constateerden de organisatoren echter bezorgd. Hoerenbezoek. „Echte gelovigen doen dat niet.”

Roken en bier drinken waren ook gevaren voor de pelgrims. „Als dat zoo doorgaat”, klaagde de leider van het zustergezelschap uit Uitgeest over rokende mannen, „mij dunkt, waar zal dan het einde zijn? Wie rookt, kan beslist niet meebidden.”

Soms kreeg de Stille Omgang een sociale of politieke lading. In de zomer van 1914 werd er een extra tocht georganiseerd voor vrede in Europa. Er deden nu ook militairen in uniform mee. In 1918 was er een extra Stille Omgang vanwege de Spaansegriepepidemie die Amsterdam teisterde.

Er liepen altijd wel groepjes vrouwen mee, maar officieel mocht dat pas vanaf 1966. Wandelen in het nachtelijk uur, in het „heidens” en „verdorven” Amsterdam, werd tot dan toe onfatsoenlijk geacht.

In diezelfde jaren zestig zette echter het verval van de cultus in. Door ontkerkelijking en kerkverlating deden steeds minder mensen mee aan de bedevaart. In 1965 waren dat er 50.000, in 1966 ongeveer 35.000 – en dat aantal liep steeds verder terug. Harry Mulisch omschreef de deelnemers aan de Stille Omgang als „happeners uit het jaar nul. Een grauwe zwijgende groep uit de provincie, een eindeloze reeks mannen van gevorderde leeftijd.”

Op de jaarvergadering van 1969 stelde een van de aanwezige jongeren dat de jeugd de Stille Omgang eenvoudigweg te stil vond. Het was een tijd om je stem te laten horen, te protesteren of te discussiëren. Jongeren dachten niet meer aan een eucharistisch wonder uit de middeleeuwen. Een voorstel om na afloop van de tocht praatgroepen te organiseren, kreeg luid applaus. Maar alles bleef hetzelfde.

De media luidden keer op keer de gong voor de laatste omgangsronde. Maar nog steeds blijven er mensen uit het hele land naar Amsterdam komen om ’s nachts de stille processie te lopen. In de jaren tachtig en negentig waren dat er jaarlijks gemiddeld 8000. Nu ligt dat –stabiel– rond de 5000. Er lopen al lang niet meer alleen rooms-katholieken mee. Sommige protestantse deelnemers zien de tocht als een teken van oecumene. Het gaat hen om de spiritualiteit, om het „meditatief moment.”

Zinloos geweld

De Stille Omgang bleek een bron van inspiratie. In de jaren zestig ontstonden er spontaan vanuit de bevolking georganiseerde stille (maar meestal lawaaiige) protesttochten tegen oorlogen en onderdrukkende regimes. Eind jaren negentig kwamen daar rouw- en herdenkingstochten bij, bijvoorbeeld voor slachtoffers van zinloos geweld. Een dergelijke tocht, ontstaan in het „geïndividualiseerde ik-tijdperk met zijn tekort aan ritualiteit”, staat inmiddels bekend als dé stille tocht.

Het Mirakel van Amsterdam

Hertog Albrecht van Beieren, waarnemend landheer van Holland, beschreef in 1378 in een brief aan paus Clemens VII hoe het hostiewonder plaatsvond:

„Toen in de Hollandse stad Amsterdam, behorend tot het bisdom Utrecht, iemand ernstig ziek werd, vreesde hij snel te zullen sterven. Daarom verzocht hij om door de priester bediend te worden. De priester ging naar hem toe en nadat hij van de zieke de biecht had afgenomen, diende hij hem het sacrament van de eucharistie toe. De zieke kon echter niet tegenhouden dat hij moest braken, hij wist de haard te bereiken en braakte in het vuur. Het sacrament van de eucharistie dat hij kort daarvoor had genuttigd, spuwde hij ongemerkt in zijn geheel uit in het vuur dat hoog opvlamde. Het sacrament bleef echter ongeschonden in het vuur. Op deze plaats waar het wonder is gebeurd, is een prachtige kapel gebouwd waar ditzelfde sacrament nog altijd eerbiedig wordt bewaard en waar dagelijks grote wonderen gebeuren. De kapel vergt echter aanzienlijke onderhoudskosten, vandaar dat aan de paus gevraagd wordt om aan degenen die de kapel bezoeken en het herstel van de kerk begunstigen, een aflaat van tien jaar te willen verlenen.”