Ds. Van Aalst, ds. Messemaker en ds. Versluis over preken: Moeilijkste én mooiste werk

De preek
Ds. G. J. van Aalst, ds. M. Messemaker en ds. A. Versluis (v.l.n.r.) vinden preken het moeilijkste, maar ook het mooiste wat er is. beeld RD, Anton Dommerholt
4

Drie predikanten uit drie kerkgenootschappen die in gesprek gaan over de prediking. Discussie is er amper, overeenstemming des te meer. Preken is het moeilijkste en het mooiste werk dat er is, vinden ze. Zorg is er over luistermoeheid en leesluiheid. En hoe preek je begrijpelijk? Lichtpuntje: „Jongeren zijn vele malen opener en eerlijker dan wij vroeger waren.”

Wat leeftijd betreft, vormen ze een mooie dwarsdoorsnede van het predikantenkorps. Ds. G. J. van Aalst (68, Gereformeerde Gemeenten), ds. M. Messemaker (47, Protestantse Kerk in Nederland) en ds. A. Versluis (37, Christelijke Gereformeerde Kerken). Eerst is er, op bezoek in de christelijke gereformeerde pastorie in Ouderkerk aan de Amstel, een voorzichtig aftasten van de temperatuur van het water. Maar al snel loopt het gesprek als vanzelf.

Wat is prediking eigenlijk?

Ds. Messemaker: „Proclamatie van Gods Woord.”

Ds. Versluis: „Verkondiging van Gods Woord in de gemeente. We staan niet op een willekeurige plaats zomaar een verhaaltje te houden.”

Ds. Messemaker: „Helemaal mee eens. Preken is nooit een praatje voor de bühne.”

Ds. Van Aalst: „Het is verkondiging en onderwijzing. Eigenlijk is het heel monologisch in zijn inhoud. Begrijpelijk preken is heel erg iets van deze tijd, zo bezien. De hoorder bepaalt echter de inhoud niet.”

Ds. Messemaker: „Inderdaad komt het volstrekt van één kant. Het komt van Boven naar beneden. Maar vervolgens is het wel de vraag hoe het daar beneden verder gaat. Er is niet alleen een predikant, maar ook een gemeente. Een wederhelft.”

Bekende termen worden genoemd. Prediking moet christocentrisch zijn, Schriftuurlijk, bevindelijk. Pastoraal, voorwerpelijk, onderwerpelijk en altijd begrijpelijk. „Al mag begrijpelijk preken er nooit toe leiden dat je de inhoud aanpast. Het mag niet leiden tot versimpeling”, meent ds. Van Aalst. „Zo bezien is het taalkleed van de Bijbel, voor mij in de Statenvertaling, ook onopgeefbaar. Het gaat over zonde, verdoemelijkheid en het feit dat we een Borg nodig hebben voor onze ziel.”

Hoe ervaart u zelf het preken?

Ds. Versluis: „Soms denk ik: Kon ik maar wat anders gaan doen. Maar vaker denk ik: Ik zou nooit iets anders willen. Zondagavond ben ik soms heel moe. En tegelijk kan ik er juist dan vaak weer helemaal tegen.”

Ds. Van Aalst: „Luther zegt dat heel mooi. Hij schrijft ergens dat hij er graag onderuit zou willen, onder dat preken. Maar tegelijk zou hij het nog voor geen koningschap ruilen willen.”

Ds. Messemaker: „Het is voor mij altijd weer een wonder dat God mensen wil gebruiken om Zijn Woord door te geven. Ongelooflijk, als je daar over nadenkt.”

Ds. Van Aalst: „Ja, inderdaad. Ik denk weleens: Waarom heeft God de prediking na Kerst toch niet aan de engelen gelaten? Daarbij ervaar ik als predikant in de consistorie altijd de geborgenheid van de kerkenraad. Als het richting de kansel gaat, blijft er echter nog één broeder over. En dan sta je op de kansel helemaal alleen. Maar dan is het: Onze hulp is in de Naam des Heeren.”

Ds. Versluis: „Precies, juist het Votum is zo bemoedigend.”

De prediking staat onder kritiek. Hoe gaat u om met die kritiek en wat doet het u?

Ds. Van Aalst: „Je moet vooropstellen dat je als predikant nooit kunt zeggen dat je het goed gedaan hebt. Allerlei kritiek is wat dat betreft denkbaar. Maar hoe dichter je in je prediking bij de Schrift blijft, des te meer gezag die prediking heeft. Maar wij profeteren ten dele.”

Ds. Messemaker: „Preken is een enorme verantwoordelijkheid. Maar we mogen, ook als er kritiek is, toch in de eerste plaats zeggen: We hebben geen verhaaltjes verteld, we hebben gepredikt.”

Ds. Versluis: „Je staat op de preekstoel nooit namens jezelf. Dat geeft me altijd veel troost.”

Ds. Van Aalst: „Je moet openstaan voor eerlijke vragen. En als je preek niet landt, dan moet je ook naar jezelf kijken. Wijlen ds. Van Haaren zei dan: „Als ze niet luisteren, is het jouw schuld.” En dat is zo. Eerlijke vragen, opmerkingen, kritiek? Graag. Jongeren doen dat goed, trouwens. Die zijn openener dan ik vroeger was. Eerlijker.”

Ds. Versluis: „Ik merk dat er jongeren zijn die echt bezig zijn met het Woord en daar naar willen leven. Dat is bemoedigend.”

Ds. Messemaker: „Jongeren zijn soms aangrijpend eerlijk. Ze zeggen wat er in hun hart leeft. Maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat als ik helemaal niets hoor, ik dat eigenlijk nog moeilijker vind dan kritiek.”

Ds. Versluis: „Of je hoort, als er een andere dominee heeft gepreekt, dat het zo fijn was.”

Ds. Messemaker: „Of dat het vanmorgen nu eens echt een goede preek was. Nou, dan weet je dus ook hoe er over de rest wordt gedacht.”

Ds. Van Aalst: „Het gesprek na de preek in de consistorie vind ik belangrijk. Zeker als er dan ook ambtsdragers zijn die geoefend zijn in de godzaligheid. Die ga ik meer missen. Maar soms kan er bij kritiek ook iets zijn van: Hier sta ik, ik kan niet anders. Toch? Of zeg ik nu te veel? Wie kan er preken als Jezus? Maar toch staat er na Zijn preken: „Toen wandelden velen niet meer met Hem.” Ook dat blijft de realiteit.”

De prediking vraagt gedegen voorbereiding.

Ds. Versluis: „Als ik opgejaagd ben, om welke redenen ook, merken de kerkgangers dat in de preek. Dat kan niet anders.”

Ds. Van Aalst: „De morgens zijn als het om preekvoorbereiding gaat zo waardevol. Geen telefoontjes, geen bezoek, maar in de rust van de studeerkamer de Schrift onderzoeken. Grondig, oprecht, zegt ons bevestigingsformulier. Graven in de goudmijnen.”

Ds. Messemaker: „En als ik dan iets gevonden heb in de Schrift dat ik niet wist, heb ik gewoon zin om dat te vertellen aan de gemeente. Dat is toch prachtig.”

Ds. Versluis: „Graven in de Schrift. Dat vind ik het belangrijkste van de voorbereiding. Nieuwe en oude dingen opdiepen. In die volgorde zegt de Bijbel het.”

Mag de prediking soms ook onevenwichtig zijn?

Ds. Van Aalst: „Zeker, maar nooit buiten het raam van onze belijdenis om. Maar zeg gerust eens aan het einde van de preek: volgende week het vervolg.”

Ds. Versluis: „Er mag verschil zijn in de diensten. Ik zie dat zelf bijvoorbeeld als ik, in het kader van de Heidelbergse Catechismus, preek over de Wet. Ik preek meerdere keren over het zevende gebod omdat ik verschillende aspecten positief wil benoemen en in de leefwereld van deze tijd.”

Ds. Van Aalst: „De preek hoeft geen worst te zijn waar alles in zit.”

Ds. Messemaker: „Nog even over dat raam van de belijdenis van broeder Van Aalst. Ik wil wel opmerken dat die belijdenis geen raster moet worden. Houd als predikant de vrijheid van een zekere dis-nuance.”

Ds. Van Aalst: „Zeker, en er moet ruimte zijn voor een zekere spontaniteit op de preekstoel. Daarom moet een preek volgens mij ook niet voorgelezen worden. Wel helemaal uitgeschreven voorbereid, altijd. Maar niet voorlezen. En inhoudelijk is er altijd een begrenzing, maar daarin verschillen we niet van mening.”

Ds. Versluis: „En dicht bij de Bijbeltekst blijven. We hoeven het niet geestelijker te maken dan de Heilige Geest het heeft laten opschrijven.”

Hoe ervaart u de leiding van Gods Geest?

Ds. Versluis: „Die begint in de studeerkamer. Gods Geest heb ik nodig waar ik de Bijbel open en als ik me voorbereid. En die leiding van de Geest is niet afhankelijk van mijn gevoel.”

Ds. Messemaker: „Ik geloof in de leiding van de Heilige Geest. Met een streep onder het woordje geloof. God spreekt uit Zijn hart tot de zondaar. We moeten, denk ik, oppassen met het scheiden van Woord en Geest. Zo van: het Woord is gebracht en nu moet de Geest het werk doen. Nee, het is: Woord des Geestes.”

Ds. Versluis: „Soms, als ik er voor mijn gevoel helemaal niets van terecht heb gebracht op de preekstoel, hoor ik op maandag ineens van iemand die geraakt is. God doet wat Hem behaagt.”

Ds. Van Aalst: „Leiding van Gods Geest is er ook in het preken volgens de gang van het kerkelijk jaar, denk ik. In het preken van series en het bepreken van de Heidelbergse Catechismus. En bij het uitschrijven van de preek. Zelf neem ik hem niet mee de kansel op, dan gebruik ik steekwoorden.”

Ds. Messemaker: „Ik ben erg voor beeldend preken. Verhalen kunnen daarbij een functie hebben.”

Ds. Van Aalst: „Laten we oppassen met verhaaltjes. Daar is de Woordbediening te heilig voor. Maar als mijn broeder het bedoelt in de zin van korte, functionele illustraties, ja, dat is goed.”

Ds. Messemaker: „Nee, zeker geen verhaaltjes, dat bedoel ik niet. Ik bedoel meer preken zoals de Heere Jezus gelijkenissen vertelde. Heel concreet. Een voorbeeld en een toepassing. Want een illustratie moet een toepassing hebben. Concreet, in het leven van de hoorders.”

Ds. Versluis: „En blijf niet hangen in het negatieve en in een eindeloze opsomming van wat het allemaal niet is. Zeg wat het wel is.”

Ds. Van Aalst: „Absoluut. Wees alsjeblieft positief. Je moet zeggen hoe het wél is.”

Wordt het makkelijker, dat preken, naarmate je langer predikant bent?

Ds. Versluis: „Ik zie wel ontwikkeling. Je wordt gevormd door wat je tegenkomt. Maar preken blijft altijd een worsteling.”

Ds. Messemaker: „Het ambachtelijke deel wordt makkelijker. Je leert de weg vinden. Maar het gewicht blijft hetzelfde. Ik sta nog altijd met lood in de schoenen onder aan de kansel. Juist omdat ik gebukt ga onder de crisis waarin we toch zitten, als kerken. Tegelijk blijft de zondag de heerlijkste dag van de week.”

Ds. Van Aalst: „Doceren kun je onder de knie krijgen. Het ambachtelijk werk van het preken misschien ook. Maar het bidden, het wachten op God, dat krijg je nooit onder de knie. Het blijft onzerzijds altijd te kort.”

Lees hier alle artikelen over het thema ”De preek”.