Ds. Soro: Zuid-Sudanezen zijn als verloren schapen die geen herder hebben

Ds. Jonathan Soro, predikant binnen de Anglicaanse Kerk in Sudan. beeld RD

Hij ziet zijn volk uiteenvallen en veel landgenoten zedelijk ten onder gaan. Ds. Jonathan Soro is op uitnodiging van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) in Nederland. Hij vraagt aandacht voor het Zuid-Sudanese volk.

Ds. Soro is betrokken bij het stichten van nieuwe gemeenten in een van de vluchtelingenkampen in Uganda. Hij spreekt tijdens de najaarsevents van de GZB, vrijdag en zaterdag in Amersfoort en Zwijndrecht.

De predikant lacht graag, maar vanbinnen zit veel verdriet. Ds. Soro, secretaris van de Anglicaanse Kerk van Zuid-Sudan, weet wat het is om vluchteling te zijn. Hij werd in 1965 geboren in een vluchtelingenkamp in Uganda. In Sudan woedde een burgeroorlog. Nadat hij naar zijn land was teruggekeerd, moest hij in 1983 weer naar Uganda vluchten vanwege het opnieuw uitbreken van een burgeroorlog.

Vluchtelingenkamp

Nadat Zuid-Sudan in 2011 zelfstandig werd, kwam het opnieuw tot een burgeroorlog en opnieuw moest een groot deel van de bevolking vluchten. Nog steeds zitten er honderdduizenden Zuid-Sudanezen in vluchtelingenkampen in Uganda. Alleen al in het kamp Bidi Bidi wonen een kwart miljoen mensen. In kamp Mojo bevinden zich 160.000 vluchtelingen.

Ds. Soro, die predikant is in de regio Kajo-Keji, roemt de manier waarop Uganda de vluchtelingen opvangt. De omstandigheden waren desondanks miserabel. „Er waren geen tenten. De mensen leefden onder de bomen en de hoeveelheid voedsel was minimaal.”

Tenten en voedsel

Inmiddels is de situatie iets verbeterd. Er zijn tenten, er is meer voedsel beschikbaar en in het Mojo-kamp zijn scholen opgezet. Dankbaar memoreert ds. Soro de inbreng van zijn kerk en de hulp van de GZB.

Op dit moment spannen ds. Soro en anderen zich in voor betere leefomstandigheden in het kamp. Daarbij denkt hij aan eenvoudige, tijdelijke woningen van bamboe en plastic, met een golfplatendak, en ook aan voortgezet onderwijs, waar jongeren vakkennis kunnen opdoen. De verloedering onder de jeugd die hij nu waarneemt, vervult hem met schrik. „Jongeren hebben niets te doen, groepen bij elkaar, raken aan het vechten, ze drinken, gebruiken drugs en vallen meisjes lastig. Zo veel criminaliteit onder jongeren kenden wij vroeger niet.”

Ds. Soro wijst ook op het huiselijk geweld in de kampen. Hij noemt een paar willekeurige incidenten: „Een jonge man die nog niet zo lang getrouwd was, heeft zijn vrouw omgebracht. Een jonge predikantsvrouw en haar man waren zo uit elkaar gegroeid dat ze gescheiden zijn. De vrouw verdween uit het kamp en werd teruggevonden in Kampala, de hoofdstad van Uganda. Ze schaamde zich en durfde niet meer onder de mensen te komen. Een andere jonge vrouw wist geen raad meer met het leven. Ze is in een kampvuur gesprongen en levend verbrand.”

De Anglicaanse Kerk van Zuid-Sudan doet wat ze kan, zegt ds. Soro. De kerk heeft centra ingericht waar getraumatiseerde kinderen terechtkunnen bij vrouwen met een luisterend oor. „Wat die kinderen allemaal hebben meegemaakt, blijkt uit de tekeningen die ze maken en uit de liedjes die ze schrijven. Een zo’n tekst luidt: „Wij zijn de kinderen van Zuid-Sudan. Toen we onze ouders vroegen waar onze broers waren, zeiden ze: In Zuid-Sudan. Maar later zagen we de doodskisten met onze broers erin. O, God, waar komt onze hulp vandaan?”

Ontferming

De predikant wijst op Ezechiël 34. „Daar gaat het over schapen die voor alle dieren van het veld tot een prooi geworden zijn.” Hij haalt ook Mattheüs 9 aan, waar staat dat Jezus met innerlijke ontferming bewogen was over de menigte. „Onze leiders in Zuid-Sudan zijn geen herders voor het volk. De schapen zijn verloren schapen. Daarom is het belangrijk dat de kerk leidinggeeft, opdat niet ons hele volk in de ellende omkomt. Ik vraag Nederland om te bidden voor ons volk. Want ook in Sudan zijn de velden wit om te oogsten.”