Ds. Ouwehand: opbreken en weer verder trekken

Drs. Jan Ouwehand. beeld RD, Anton Dommerholt

Ds. Jan Ouwehand (1962) kondigde onlangs zijn afscheid aan van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB). Tien jaar lang gaf hij leiding aan de organisatie, zijn langste baan ooit. Hij mocht er „God op de vingers kijken.”

De predikant-directeur uit Houten, die bij de GZB blijft tot zijn opvolger benoemd is, vermoedt dat zijn vertrek pas ergens in september zal plaatsvinden. De coronacrisis maakt een snelle overdracht onmogelijk.

Eind januari stelde ds. Ouwehand zich beroepbaar, wat betekent dat hij wacht op een mogelijk beroep van een kerkelijke gemeente. Of dat er komt, is nog onzeker. „Daar gaan wij niet over. En je moet ruimte hebben om het aan te nemen. Dat vind ik best wel spannend. Hoe weet je dat precies?”

U maakte dit proces toch al eerder mee, voordat u naar hervormd Wilnis vertrok?

„Ja, maar dat was mijn eerste gemeente. De gesprekken liepen al voordat ik beroepbaar was. Ik maakte niet eerder mee dat ik moest wachten op een beroep. Nu zit ik echt niet met mijn armen over elkaar en ook in mijn gedachten ben ik er nog niet helemaal mee bezig.”

Wat zijn uw overwegingen bij het besluit om terug te treden?

„Ik wilde altijd al graag predikant worden. Na allerlei omzwervingen is dat ook gebeurd. In 2006 begon ik in Wilnis, na vier jaar vertrok ik naar de GZB. Nu zit ik alweer tien jaar hier. Op dit moment kan ik de stap naar een gemeente nog maken. Als ik dat niet doe, zit ik straks twintig jaar hier en dat is voor de GZB en voor mijzelf niet goed. Graag wil ik het verlangen om nog een gemeente te dienen, inhoud geven. Sowieso, ruim tien jaar ergens werken, vind ik heel lang.”

Wat zegt dat over u?

„Ik ben iemand die uitdaging nodig heeft. Bij mijn aantreden waren er volgens het bestuur belangrijke veranderingen nodig. Ik heb daaraan bijgedragen naar mijn beste kunnen, gegeven wat ik kon geven. En dan is het mooi geweest. Ik ben een nomade die moeilijk settelt.”

Komt dat door uw zendingsachtergrond of uw persoonlijkheid?

„Persoonlijkheid, denk ik. Zo’n eigenschap heeft plussen en minnen. Ik heb veel bewondering voor mensen die lang op dezelfde plek kunnen zijn, zich helemaal geven, diep wortelen.”

Wat daagde u uit bij de GZB?

„Nadenken over de stip op de horizon, over wat nu daadwerkelijk missionair relevant is. Over hoe je dat vertaalt naar de praktijk. Anderen inspireren om stappen te zetten. Je ontmoet mensen die vanuit een diepe gedrevenheid in het Koninkrijk van God bezig zijn. Iemand zei het pas zo: Zendingswerk is God op de vingers kijken. Zendingswerk draait niet om wat jij doet, met al je lek en gebrek, maar om wat God aan het doen is.”

Wat heeft u gezien?

„Kerken die in een vijandige omgeving moedig uitreiken naar anderen en begeesterd hun geloof delen. Ze verbergen zich niet, waar wij al bij een kritisch woord in onze schulp kruipen. Dat vind ik geweldig.

Ook is het waardevol en bemoedigend dat kerken trouw zijn en volhouden. Een voorbeeld daarvan is de Geboortekerk in Bethlehem. Je kunt je laten afschrikken door de orthodoxe liturgie, maar alleen al het feit dat ze het sinds het jaar 300 onafgebroken volhouden, is iets om blij van te worden. Daarin herken je misschien niet zo gemakkelijk het werk van de Geest, maar is het daarom afwezig? Of merken wij het niet op? Zending verrijkt, mits je bereid bent om te leren van wat in eerste instantie vreemd of onaantrekkelijk voor je is. Anders pikken we er altijd dingen uit die ons goed passen.”

De GZB zond in de afgelopen jaren een toenemend aantal zendingswerkers uit. Hoe gaat het nu?

„Sinds de economische crisis kregen we minder aanmeldingen. In de afgelopen jaren nam het aantal uitzendingen toe, maar sinds kort is duidelijk dat de groei opnieuw afzwakt. Tweemaal per jaar bieden we een interne opleiding aan met het oog op uitzending. Deze opleiding is nu twee keer achter elkaar niet doorgegaan. Van andere organisaties krijg ik dezelfde signalen. Het lijkt erop dat er minder bereidheid bij mensen is om zich langdurig te laten uitzenden.”

Christenen durven steeds minder een waarheidsclaim neer te leggen in het gesprek met andersdenkenden, blijkt uit Amerikaans onderzoek.

„Wij merken dat ook. Grote woorden spreken, is moeilijk geworden. Ik heb genoeg mensen horen zeggen dat ze willen getuigen door hun daden en desnoods, als het echt niet anders kan, met woorden. Als dominee kun je dat onmogelijk fijn vinden, al kunnen daden wel de aanleiding vormen voor een gesprek. Zo’n houding maakt passief in het spreken, terwijl getuigen initiatief vraagt. Onze zwakte moeten we niet theologisch rechtvaardigen.”

Lukt het de GZB nog om jongeren aan zich te binden?

Lachend: „Ik vind het zelf al moeilijk om me ergens aan te binden en ik ben al vijftig geweest. Wat ons opvalt, is dat jongeren geraakt worden door de verhalen die wij vertellen. Verhalen over geloven in een andere context, zoals in Frankrijk, waar christenen elkaar hard nodig hebben. Daarbij gaat het dus niet over wat je als Nederlandse christenen allemaal voor een ander kunt doen, maar over wat je in de wereldkerk van elkaar kunt leren. Wij zijn gewend om te bewaren wat we hebben. Dat is goed. Maar leren van elkaar betekent ook dingen toelaten. Durf te vragen wat jongeren voor de gemeente kunnen betekenen.”

U wilt de gemeente weer in. Zou u op een pioniersplek passen?

„Ik denk het niet. Daar is namelijk niet alleen visie voor nodig, maar ook een bepaalde persoonlijkheid. Je moet dan echt een man van de straat zijn, van het snelle gesprek, van contacten leggen. Dat is niet per se mijn grootste kwaliteit. Ik zie mezelf niet in het café om de hoek. Wel houd ik van onderwijzen, van leeskringen en catechisaties. ”

Zware last

Het gesprek komt op het gezin van ds. Ouwehand. Zijn kinderen maakten uiteenlopende keuzes op het gebied van kerk en geloof, een onderwerp waarover hij zich voorzichtig wil uitlaten.

Als zijn gedachten naar hen uitgaan, vraagt hij zich af wat de invloed is geweest van de verschillende verhuizingen in hun jonge leven, of, in zijn eigen woorden, van al die keren dat ze werden „meegesleept” naar een nieuwe woonplaats.

De predikant kwam echter tot het inzicht dat het hebben van een sterk sociaal netwerk evenmin een garantie is. „Mensen die door zo’n netwerk op hun plek worden gehouden, maar intussen niet van harte meedoen, hebben evengoed nodig dat het zaad in hun leven ontkiemt. Geloof ik nou in de kracht van de Geest en van genade of in een netwerk?”

Het zijn zorgen die christenen wereldwijd bezighouden, weet ds. Ouwehand uit ervaring. „Overal staan mensen voor de uitdaging om het Evangelie door te geven aan de volgende generaties. Zij en wij moeten het hebben van de God Die het verschil maakt in ons leven. Er is geen enkele garantie dat wij dit ontkiemen in ons leven meemaken. De horizon van God en Zijn timeframe zijn anders. Maar al zou ik het niet meemaken, is dan mijn hoop verloren? Die hoop gaat dieper dan het geloof in eigen vermogens. Wat de last namelijk zo zwaar maakt, is denken dat jij het goed had moeten doen. Steeds weer kijken we teveel naar onszelf. Onze kinderen zijn niet ons project en ook zending is niet maakbaar.”

Ouderdom

Loslaten en op God hopen, schept ruimte, ervaart de predikant, die tevens grootvader is. „Misschien is dat iets wat met de ouderdom komt. Wereldwijd is de geloofsopvoeding meestal de taak van de grootouders. Ouders leren hun kinderen regels, grootouders dragen spiritualiteit over, geven meer vrijheid.

Tegelijkertijd, zegt hij, is het goed dat de kerk nadenkt over de vraag of zij het geloof op de goede manier overdraagt. „Of wij jonge mensen niet vaak in de weg zitten. Is onze manier van doen wel behulpzaam? Ja, tradities kunnen een barrière vormen, maar ze zijn niet bij voorbaat een probleem. Dat is het menselijk hart. Zaaien wij het goede zaad of niet, dat blijft de vraag.”

Zwaartepunt GZB ligt bij toerusting gemeente

Een van de opdrachten waarmee ds. Ouwehand tien jaar geleden bij de Gereformeerde Zendingsbond aan de slag ging, was een beleidsmatige focus aanbrengen in het werk van de zendingsbond. „De organisatie was druk met ondersteunen en begeleiden. Overal kwam er wel iets op onze weg. De relevantie van de GZB moest weer scherp op het netvlies komen.”

De zendingsbond, die kantoor houdt in Driebergen, bezon zich opnieuw op haar gereformeerde identiteit en hoe die de inhoud van het werk bepaalt. „De kern daarvan is genade”, zegt de predikant-directeur. „Dat willen we sterk benadrukken. Geest, Woord, genade. Ons werk is hooguit instrumenteel. We zetten in op de verkondiging van het Evangelie in woord en daad. De gemeente neemt daarbij een centrale plaats in als werkplaats van de Geest en als dienende en getuigende gemeenschap. De Gereformeerde Zendingsbond leidt ook wel predikanten op, maar het zwaartepunt ligt bij gemeentetoerusting.”

Jan Ouwehand

Drs. J. P. Ouwehand (1962) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Leiden en theologie aan de universiteit van Potchefstroom (Zuid-Afrika) en de Universiteit Utrecht.

In 1990 werd hij met zijn gezin uitgezonden naar Zuid-Afrika, waar hij negen jaar lesgaf aan een theologische opleiding. Ook adviseerde en begeleidde hij kerkenraden bij kadervorming. Terug in Nederland werkte hij enkele jaren als adviseur van Prisma, een koepelorganisatie van een groot aantal reformatorische en evangelische ontwikkelingsorganisaties.

Begin 2006 werd hij bevestigd als predikant van de hervormde gemeente in Wilnis, in 2010 volgde zijn benoeming als directeur van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB). Bij verschillende hulporganisaties vervulde hij nevenfuncties.

De predikant stelde zich begin dit jaar opnieuw beroepbaar als gemeentepredikant.