Ds. Endre Kondor: We hadden in Roemenië naastenliefde afgeleerd

WOUDENBERG. Ds. Endre Kondor, predikant in het Roemeense Vaida, en zijn vrouw Erzsike Kondor. beeld RD

„Christelijke naastenliefde moeten we opnieuw leren”, zegt ds. Endre Kondor, die deze week met zijn vrouw Erzsike op bezoek is in Nederland. Maar hoe schakel je in Roemenië een kerkelijke gemeente in voor diaconaat en maak je haar medeverantwoordelijk voor het oppakken van allerlei taken rond hulpverlening?

De avondmaalsbeker van de Hongaarse hervormde kerk van Vaida dateert van 1590. Zolang al is er een hervormde kerk in dit 500 zielen tellende dorp in Roemenië, waar ds. Endre Kondor voorganger is en zijn vrouw Erzsike sociaal werker. De communistische dictatuur in Roemenië, waar in 1989 een einde aan kwam, sneed elke bloei van de kerk in de kiem af. Geen wonder dat mensen het hebben afgeleerd om oog te hebben voor de ellende van de dakloze, de zorgen van de buurman en de eenzaamheid van de oudere.

Na de Wende van 1989 stroomde een golf van materiële hulp vanuit het Westen naar Roemenië, maar nu is er een kentering gaande. Wat kunnen christenen in diaconaal en pastoraal opzicht voor elkaar betekenen? Hoe kunnen zij werken aan gemeenteopbouw, wat zijn de mogelijkheden om toe te rusten? Sinds twintig jaar heeft de gemeente in Vaida zich sterk ontwikkeld op het gebied van diaconaat en hulpverlening en dient ze als voorbeeld.

Wat doet u in Vaida aan diaconaat?

„We runnen al tien jaar lang het hele jaar, uitgezonderd drie weken in de zomervakantie, van maandag tot en met vrijdag een gaarkeuken. Er zijn twee mensen die voor dertig tot veertig mensen koken, ook van twee andere gemeenten. Er komen armen en eenzamen, ze krijgen twee gerechten voor een lage prijs. Dat was in een klein gebouw. Met hulp van de Stichting Hulp Oost-Europa konden we in september een nieuw groot gebouw betrekken. Met grotere zalen en een grotere keuken, we kunnen de zalen verhuren en dus inkomsten genereren. Dit is heel belangrijk voor de kerkelijke gemeente. Ook zorgen we voor zieken en distribueren we medisch materiaal. In 2015 en 2016 hebben we ons als classis van in totaal zestig gemeenten aangesloten bij een initiatief van de Hongaarse landelijke diaconale dienst en met Kerst meer dan 10.000 kilo voedsel naar Hongaren in Oekraïne gebracht. Dat toonde aan dat we als Hongaarse gereformeerden volwassen zijn geworden, om samen iets te betekenen voor de ander in nood.”

Seniorenmiddag

„Niet zo lang geleden organiseerden we een seniorenmiddag. Er waren zelfs mensen die zelden of nooit naar de kerk komen. Zo willen we jongeren en kinderen bereiken: met een zondagsschool en met vakantiebijbelkampen in de zomer. We willen vrouwen bij elkaar brengen, we zien dat een bos bloemen voor een zieke of een kaartje voor een eenzame zo veel doet. Wat doen we voor onze naaste? Waarom moeten we daklozen helpen, vragen velen zich af. De naastenliefde hadden we als het ware afgeleerd en wij proberen die weer vitaal te maken.”

Groeit de kerk?

„Zeker niet wat betreft de aantallen gemeenteleden. Feitelijk actieve kerkleden zijn er weinig. Zo’n 10 procent van de honderd mensen gaat regelmatig naar de kerk. Voor heel het land geldt: er is een laag geboortecijfer. Een ander probleem is migratie. We vinden het jammer dat vooral de jonge, ambitieuze generatie naar het buitenland vertrekt. Dit zijn de mensen die een opleiding hebben genoten, en juist zij zouden wat kunnen betekenen voor de kerk en voor ons land. Maar ze gaan weg en blijven daar, terwijl de blijvers niet in staat zijn om een verandering in het land te bewerkstelligen. Dus jongeren keren niet zozeer de kerk de rug toe als wel hun land. Ze denken terug te komen als ze gepensioneerd zijn. Intussen groeien hun kinderen elders op met een andere leefstijl. De laatste jaren hebben we in Vaida gemiddeld één doop en één huwelijk te vieren.

Vroeger was Vaida een kolchoz. Rond de Wende hadden we 350 koeien, nu nog zo’n 15. Veel mensen gaven deze leefwijze op, ze konden niet in hun agrarisch levensonderhoud voorzien. Tegenwoordig verhuren ze hun grond en gaan ze ergens anders werken, in de schoenenfabriek en de textiel-, bouw- of meubelindustrie. Onze gemeente bestaat vooral uit hardwerkende arbeiders.”

Wat behoeven deze mensen aan toerusting?

„De kerk in Nederland is veel meer een belijdende kerk dan die in Roemenië. De gemeenteleden in Nederland zijn belijdende christenen, ze weten wat ze willen en zoeken. Bij ons zijn er meer traditionele christenen, voor hen is de kerk niet zo’n bewuste keus. Het is meer een volkskerk. Het is onze persoonlijke wens dat mensen meer actief bij de kerk betrokken worden vanuit een persoonlijk geloof. Het is een voortdurende zoektocht. Mensen in Roemenië verwachten veel van hun predikant. Hij moet alles doen: heel veel hangt van hem af. Hij moet met initiatieven komen. Een predikant in onze kerk doet veel meer dan een predikant in het Westen: hij moet het kerkgebouw onderhouden, repareren, de gaarkeuken runnen, echt alles doen: materialen bestellen, mensen motiveren, de aannemer regelen, toezicht houden.”

Hoe ziet u de toekomst van de kerk?

„Het bewaren van onze cultuur en identiteit is niet onze enige opdracht: daarmee zouden we te veel gericht zijn op onszelf en te zeer gehecht aan ons kerkelijk leven. Kerk-zijn gaat verder dan over louter iets bewaren om het te bewaren. Het gaat om het levende geloof en hoe je dat in de alledaagse werkelijkheid in de praktijk brengt. Na 500 jaar Reformatie denken veel mensen in de kerk dat wij de traditie moeten bewaren. Maar het is omgekeerd: de traditie bewaart ons. Als wij de Bijbelse traditie serieus nemen, bewaart die juist ons en brengt die ons verder. We moeten onze opdracht als kerk invullen door vooruitstrevend te zijn. Dat waren de reformatoren in hun tijd ook.”