Ds. Dick Couvée: Gedreven door woede en compassie

Het Gesprek
Ds. Dick J. Couvée van de Pauluskerk in Rotterdam. beeld RD, Anton Dommerholt

Als telg uit een domineesgeslacht wilde hij lange tijd geen predikant worden. Toch ging hij, eenmaal projectleider op een ministerie, theologie studeren. Nu bekommert ds. Dick Couvée zich in de Rotterdamse Pauluskerk om kwetsbaren in de samenleving. „Vroeger liet ik al mensen van de straat bij ons thuis op zolder slapen.”

Op de fiets is hij zojuist vanuit zijn woonplaats Schiedam gearriveerd bij de Pauluskerk, hartje Rotterdam. In de centrale hal zit een gemêleerd gezelschap van daklozen en mensen zonder verblijfspapieren koffie te drinken of te internetten. Voor hen zet ds. Couvée (64) zich al tien jaar in, samen met een team van –vooral vrijwillige en enkele betaalde– medewerkers.

In zijn werkkamer, met zicht op de straat, schenkt de diaconaal predikant koffie. Hij praat gemakkelijk, gebruikt veel woorden, bewandelt geregeld zijpaden en komt meer dan eens via een lange omweg uit bij een antwoord op de vraag.

Wat kenmerkte het gezin waarin u bent opgegroeid?

„Ik groeide met een broer en twee zussen op in een gereformeerd domineesgezin. Mijn overgrootvader was predikant in Rotterdam-Kralingen, aan de Avenue Concordia. Mijn grootvader Dirk Jacobus, naar wie ik ben vernoemd, was het onder andere in Hillegersberg. Ik bracht mijn jeugd door in Roodeschool, Velp, Schiedam en Voorburg, waar mijn vader achtereenvolgens als predikant werkte en mijn moeder een actieve rol als domineesvrouw vervulde.

Kerk en geloof waren voor mijn ouders belangrijk. Ze leefden daaruit. Ik leerde van hen dat je dienstbaar moet zijn aan de kerk en de samenleving, allebei. Mijn ouders waren diaconaal betrokken, hadden oog voor de zwakken. Als ik in Voorburg, waar ik me actief inzette voor het gereformeerd jeugdwerk, ’s nachts weleens mensen van de straat meenam naar huis en bij ons op zolder liet slapen, vormde dat geen probleem. Integendeel. Mijn ouders ontvingen hen gastvrij en zorgden goed voor hen.”

Duizenden mensen van uw generatie verlieten de kerk. Waarom bleef u?

„Ik heb wel een tijd gehad, rond mijn twintigste, dat ik dacht: De kerk, wat mot ik ermee? Ik snap wat mensen als Maarten ’t Hart, Jan Siebelink en Jan Wolkers als last meedragen uit hun gereformeerde verleden. Maar zelf ben ik niet opgegroeid met een calvinisme dat ongelooflijk de nadruk legt op het onvermogen en de negatieve kanten van de mens, al zijn die er zeker. Als kind zat ik bij mijn vader op catechisatie en leerde ik de Heidelbergse Catechismus uit mijn hoofd. De mens is niet in staat tot enig goed en geneigd tot elk kwaad. Maar daar houdt het niet op: tenzij wedergeboren door de Geest. Op dat laatste lag bij ons de nadruk.

Om mij heen zag ik velen die in hun geloofs- en levenspraktijk authentiek waren. Formidabele mensen die hun geloof in praktijk brachten. Bovendien heb ik enkele keren in mijn leven, op slechte momenten die vaak ook de beste momenten zijn, God ontmoet als een enorme kracht ten goede.”

Wat was bijvoorbeeld zo’n moment?

„Ik werkte in de jaren negentig op het ministerie van Verkeer en Waterstaat, eerst als jurist, later als leidinggevende en daarna als projectleider voor onder meer RandstadRail en de verzelfstandiging van de NS. In de laatste periode studeerde ik naast m’n werk theologie. Ik was bijna klaar met een groot project en had al kerkelijk examen gedaan, toen ik ziek werd. Een griepje, dacht ik, maar het bleek een zware oververmoeidheid of burn-out te zijn. Geef er maar een naam aan.

Ik was volslagen mezelf kwijt en dacht: Dit komt nooit meer goed. Nergens ontleende ik meer plezier en inspiratie aan. In die tijd droomde ik geregeld dat ik op een vloertje stond dat iemand onder me vandaan trok en dat ik in een eindeloze put viel. In een zekere nacht kreeg ik weer die droom, maar toen was er plotseling iemand die weer een vloertje onder mij schoof. Er ontstond licht en ruimte. Ik ervoer dat God tegen me zei: Ik laat je niet in de steek. Dit soort momenten heb ik vaker gehad.”

Wat betekenen zulke ervaringen voor u?

„Het geloof dat gaat over iets of iemand die zich kan manifesteren als een kracht in je bestaan, is een realiteit. Wat de Bijbelschrijvers God noemen, stellen ze altijd voor als een Persoon. De vraag is of zij in hun geloof God daadwerkelijk zo hebben ervaren. Ik heb steeds meer het gevoel dat God staat voor wat essentieel is voor het menselijk bestaan.”

Het geloof in een persoonlijke God bent u kwijtgeraakt?

„Ja, ik denk het wel.” Met nadruk: „Maar ik ervaar het niet als kwijtraken. Ik zie het juist als een herbronning waarvan veel kracht uitgaat.”

Ooit wilde u diplomaat worden.

„Toen ik op het ministerie werkte, heb ik gesolliciteerd voor het diplomatenklasje, waarvoor een strenge selectie geldt. Mij werd gezegd dat iedereen voor een functie als diplomaat in aanmerking kwam. Ik begon aan het traject, waarin je zes fasen moet doorlopen. Rond de vierde fase kwam ik erachter dat het in de praktijk nog steeds om afkomst ging en dat vooral mensen met dubbele achternamen werden benoemd. Daar heb ik een broertje dood aan. Als iets niet toegankelijk is voor iedereen, klopt er iets niet. Dan speelt mijn rechtvaardigheidsgevoel op. Ik heb toen gezegd: „Ik vertik het hier nog aan mee te doen. De groeten!””

Wat bracht u er later toe om theologie te gaan studeren?

„Aanvankelijk vond ik het een platgetreden paadje. Ik koos met overtuiging voor internationaal recht, met aandacht voor volkenrecht en mensenrechten. Daar heb ik in mijn werk in de Pauluskerk nu profijt van. In de tijd dat ik met plezier bij Verkeer en Waterstaat werkte, zag ik dat de dominante stroom in de samenleving steeds meer gaat voor het grote geld, de mammon, en het eigenbelang. Dat is de dood in de pot. Ik dacht: Kunnen we daar geen paal en perk aan stellen?

Steeds meer kerken gingen intussen uit van het scenario: Wil de laatste het licht uitdoen? Ik wilde niet dat ik aan het eind van mijn leven zou concluderen dat ik aan de zijlijn ben blijven staan en dit heb laten gebeuren. Een samenleving kan niet zonder geloofsgemeenschappen. De Bijbel en de christelijke traditie zijn enorm van waarde.”

Wat trekt u aan in het contact met dak- en thuislozen, verslaafden, mensen zonder verblijfspapieren?

„Práát eens met iemand die dakloos is! Wat je dan hoort, gaat je aan het hart. Dan denk je: Kunnen we hier niet iets aan doen? Gisteren had ik een man op m’n spreekuur. Ongedocumenteerd, in de volksmond illegaal, maar dat woord gebruik ik niet. Hij is hier al 31 jaar, zonder middelen van bestaan. Wat moet zo iemand?

Mijn inzet voor deze mensen heeft te maken met compassie, maar ook met woede, een sterk rechtvaardigheidsgevoel dat ik van huis uit meekreeg. Woede is, schrijft de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, iets positiefs als je het gebruikt om zaken aan te pakken en te veranderen. Dat heb ik sterk. Ik kan het niet accepteren dat een samenleving zo is ingericht dat systematisch dezelfde groepen kind van de rekening worden. Dat gaat niet alleen over ongedocumenteerden. Twintig procent van de Rotterdammers leeft onder de armoedegrens. Je moet eens weten wat dat betekent. Ongeveer een derde van de bevolking hier heeft ernstige financiële problemen. Dat zijn cijfers van de Rotterdamse rekenkamer. Daar maak ik me druk om.

Een Bijbelse persoon die me daarbij sterk aanspreekt is Paulus, die in Rome aanloopt tegen het systeem van de keizer, dat is gebaseerd op geld, macht en eigenbelang. Zijn antwoord daarop is die prachtige term die hij gebruikt in 1 Korinthiërs 7:29-32: Leven alsof niet. Hij ontkent de werkelijkheid niet, maar zegt: Laat je er niet door bepalen, leef alsof die machten en krachten niet bestaan. Probeer het leven met elkaar te delen.

Zo ben ik begonnen met Warm Rotterdam, een beweging tegen armoede en sociale uitsluiting. Niet van arm naar rijk, maar van arm naar warm. Het antwoord op armoede is: Jij hoort erbij, hoe dan ook. En als het jou een tijdje niet goed gaat, is er een ring van zorg en bescherming om je heen, totdat je het weer zelf kunt.”

Heeft dit werk u veranderd?

„Oh ja, totaal. Ik ben bescheidener geworden. In het begin dacht ik: Nu gaan we de wereld veranderen. Die drive heb ik nog steeds, maar ik ben wel realistischer. Ik ging er lange tijd van uit dat de overheid en de samenleving overwegend rechtvaardig zijn. Dat ben ik hier kwijtgeraakt. Niet iedereen heeft het beste voor met mensen en zeker niet met de kwetsbaren.

Ik heb hier ook ontdekt hoe krachtig, relevant en actueel de Bijbelse boodschap is. Om het met de Amerikaanse bisschop Curry te zeggen: de power of love. De kracht van liefde, niet alleen van persoon tot persoon, maar in de brede politieke en maatschappelijke betekenis. Tot die liefde roept het Evangelie ons op.”

U kreeg een hartinfarct. Hoe beïnvloedde dat uw leven?

„Fors. Ik heb een leven voor en een leven na 8 november 2014. Het infarct bepaalde me bij m’n kwetsbaarheid, gaf me een andere kijk op mezelf: ik ben niet onoverwinnelijk, maar heb grenzen. Geregeld draaide ik de energieknop nog even aan als ik iets voor elkaar wilde krijgen. Maar op een gegeven ogenblik kun je gewoon niet méér doen.

Door het hartinfarct ben ik een ander mens geworden, misschien wel empathischer. Ik kan me beter in een ander verplaatsen en ben ook milder geworden voor mezelf. Een groot verantwoordelijkheidsgevoel is een kracht, maar ook een zwakte. Ik ga daar nu anders mee om. Dat is bevrijdend. Er zijn vaker momenten dat ik tegen mezelf zeg: Ik wil dit en vind dit, maar hoeveel Dick Couvée zit hier bij? Een belangrijke les.”

Wat is de mooiste plek van Rotterdam?

„Het Schouwburgplein op het moment dat daar niets wordt georganiseerd. Eind van de middag, begin van de avond zitten daar alle kleuren en nationaliteiten –Rotterdam heeft er 174– door elkaar. Mensen spreken allerlei talen en ze hebben het goed met elkaar. Dat merk je aan de sfeer. Dat is voor mij iets van nieuw Jeruzalem. Leven alsof niet. Dat moeten we veel meer doen.”

Wat kan u ontroeren?

„Muziek. Als kind begon ik met blokfluit. De meesten smeten dat ding na een poos in de hoek, maar mijn muzieklerares zei tegen mijn vader dat ik een blazertje was. Lange tijd heb ik op behoorlijk niveau blokfluit gespeeld. Daar had ik plezier in. Later heb ik een periode hobo gespeeld en toen weer blokfluit, vooral oude muziek. Ik ben nu weer op zoek naar een muziekgroep of koor.

Muziek is voor mij de meest religieuze van de kunsten. Daar kan ik mezelf in verliezen, actief en passief. Ik geniet van de volle breedte van de klassieke muziek en ook wel van volksmuziek. Het is mooi om concerten te geven. Je oefent en oefent en oefent met elkaar. Voor 90 procent gaat het om voorbereiding, zwoegen op noten. En soms ervaar je tijdens een concert dat wonderlijke moment: dan speel je geen noten meer, maar dan maak je muziek. Je wordt boven de alledaagse werkelijkheid uitgetild. Leven alsof niet. Op de een of andere manier wordt dat je geschonken. Dat is genade en het doet je smaken naar meer.”

Levensloop ds. Dick Couvée

Ds. Dick J. Couvée (Roodeschool, 1954) groeide op in een gereformeerd predikantsgezin. Hij bezocht het christelijk lyceum Zandvliet in Den Haag en studeerde internationaal recht, waarna hij op het ministerie van Verkeer en Waterstaat werkte. Hij klom er op tot projectdirecteur. Na een studie theologie werd hij in 1998 predikant in Barendrecht. Later diende hij de Nederlandse Protestantse Gemeente van Luxemburg. Sinds oktober 2008 is hij diaconaal predikant van de Pauluskerk in Rotterdam.

Ds. Couvée is getrouwd met Annelie en woont in Schiedam. Hij en zijn vrouw hebben vier kinderen en een kleinkind.