Ds. C. Harinck: leven bij Gods beloften

Ds. C. Harinck. beeld Sjaak Verboom

De beloften van God waren voor de jonge Cor Harinck als reddingsboeien in een zee die hem dreigde te verzwelgen. Gedurende zijn predikantschap raakte hij er nog meer van overtuigd dat ze de basis van het Evangelie vormen. Zijn jongste boek behandelt het omgaan ermee. „Je moet ze lezen zoals ze er staan.”

Hij is de leeftijd van de zeer sterken ruimschoots gepasseerd, maar de werk- en denkkracht van ds. C. Harinck lijken onverslijtbaar. Met ”Gods beloften in het persoonlijk leven” (Den Hertog; 165 blz.; € 17,50) voegde hij een nieuw werk toe aan zijn omvangrijke oeuvre.

Wat bracht u tot het schrijven van dit boek?

„Er bestaat in bevindelijke kring grote verwarring over dit onderwerp, ook onder hen die geestelijk leiding moeten geven. Het oppervlakkig gebruikmaken van Gods beloften door velen maakt dat men beperkingen aanbrengt die God niet aanbrengt. De één zegt: „Er staan alleen voor Gods volk beloften in de Bijbel.” Een ander: „Ze worden alleen gedaan aan overtuigde zondaren.” Een derde schrijft: „Pleiten op de beloften is geloofswerk, dus een onbekeerd mens kan er niets mee.”

In de Gereformeerde Gemeenten is de verwarring toegenomen door de gebeurtenissen rondom ds. R. Kok en de daarop gevolgde scheuring in 1953, stelt ds. Harinck vast. „Recente publicaties daarover benadrukken de kerkordelijke fouten die zijn gemaakt en de spraakverwarring. Daardoor bleef onderbelicht dat het ook inhoudelijk ergens over ging. In de jaren voor de scheuring kwam de Evangelieprediking steeds meer onder druk te staan. De heftige sfeer rond en schorsing van dr. C. Steenblok hadden alles te maken met het feit dat de verkondiging van de belofte van het Evangelie verdacht was gemaakt. Zo kwam de particuliere synode West in 1948 tot de uitspraak dat het Evangelie alleen tot de verslagenen van hart moet worden gepredikt. De synode van 1977 kwam daar gelukkig op terug, en sprak uit: „De dienaar des Woords predike niet de wet aan de onbekeerden en het Evangelie aan de overtuigden, doch hij predike Wet en Evangelie aan de gehele gemeente.” Helaas is dat niet altijd de praktijk.”

Heeft uw eigen denken over Gods beloften een ontwikkeling doorgemaakt?

„Toen ik als 18-jarige jongen voor het eerst met de Bijbel in aanraking kwam, werden het bestaan van God en van een eeuwige verdoemenis voor mij werkelijkheid. Ik raakte diep overtuigd van mijn verlorenheid. Mijn enige houvast waren beloften in de Bijbel. Daar klampte ik mij aan vast. Soms schreef ik zo’n belofte op een stukje papier. De eerste woorden die ik zo bij me droeg, waren uit Psalm 145. „De Heere is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in der waarheid.” Soms vluchtte ik onder mijn werk naar de wc om tot God te roepen en die tekst te lezen.

Door mijn verkiezing tot ouderling en mijn studie aan de Theologische School kwam ik voor het eerst in aanraking met de zo-even genoemde stellingen. Dat heeft me wel in verwarring gebracht, maar onderzoek in de Schrift en de werken van de oudvaders bevestigden me in wat de Heere mij al vroeg wilde leren. De enige reddingsboei voor een verloren mens is Gods belofte.”

U stelt in uw boek dat alle rechtzinnige theologen dit hebben geleerd. Behoort dit onderwerp tot de kern van de Bijbelse leer?

„Absoluut. De Heilige Geest onderwijst, troost, toont ons Christus en werkt hoop en geloof, maar dat doet Hij middellijk, door de beloften van God. Die vormen de wortel van het geloof en de grond van de hoop. Waarbij ook ik er diep van overtuigd ben dat het gevaar bestaat Gods beloften aan te nemen zonder een wezenlijke behoefte aan de beloofde genade. Dat is een afgrond oversteken met een brug die alleen in je verbeelding bestaat. Het verbindt ook niet aan de Belover. Het ware vertrouwen op Gods beloften geeft een innerlijke band met Christus.”

Hoe wezenlijk is het onderscheid tussen de Evangeliebeloften en die van het genadeverbond?

„Ik vind dat onderscheid in de Bijbel zelf terug. Soms belooft God dingen, ongeacht wat mensen doen of laten. Die beloften behoren vooral bij het verbond der genade. De Evangeliebeloften vragen van de mens zien, komen en geloven. Daarom wordt er ook wel gesproken over voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften.”

Zijn ze in essentie niet gelijk?

„Uiteindelijk komen ze uit dezelfde bron: Gods oneindige goedheid. Vandaar de uitspraak: „We moeten door de eisen van de voorwaardelijke beloften gedrongen worden te vluchten tot wat in de absolute beloften wordt beloofd.” De verbondsbeloften zijn een sterke troost voor de gelovigen, de Evangeliebeloften openen een ruime deur voor onbekeerden.”

Mag een christen op zoek gaan naar beloften die passend voor hem zijn?

„Dat móét je doen. Zoek in de Bijbel naar een belofte die past bij je nood en ga daarmee naar de Heere. De puriteinen wekten hun hoorders daartoe op. In mijn boek toon ik aan dat er veel soorten beloften in de Bijbel staan, voor alle mogelijke omstandigheden. Je mag er in je gebed de vinger bij leggen. Zo begeer ik ook te preken. Aan de mensen die voor me zitten, verkondig ik niet alleen wat nodig is, maar ook wat bij de Heere te vinden is.”

Hoe verklaart u de opvatting dat de beloften alleen voor de uitverkorenen zijn, terwijl ze soms zijn geadresseerd aan ongelovigen.

„Er zijn zelfs beloften die betrekking hebben op goddelozen, zoals Jesaja 55:7. Er zijn ook beloften die alleen betrekking hebben op Gods uitverkorenen. Het gaat mis als we er een kloppend systeem van maken. De tegenwerping: „Gods beloften worden altijd vervuld”, klopt in zoverre dat God doet wat Hij belooft. Daarom moet je de beloften lezen zoals ze er staan.

De kracht van Thomas Boston en andere oude theologen is dat ze beide elementen bewaarden. God heeft in Christus een volk tot de zaligheid uitverkoren én Hij wil dat in de prediking ieder de genade zal worden aangeboden, door middel van de Evangeliebelofte.”

Hoe kan het dat predikanten die zich op Thomas Boston beroepen, soms toch een totaal verschillende prediking hebben?

„Men beroept zich alleen op elementen in het werk van Boston die bij hun visie passen. Ds. Kersten voelde zich door Boston gesterkt in zijn strijd met aanhangers van de drieverbondenleer. Boston leert dat er maar twee verbonden zijn en dat het genadeverbond in Christus met de uitverkorenen is opgericht. Ds. Kok voelde zich vooral verbonden met Bostons visie op de bediening of bekendmaking van het genadeverbond, die inhoudt dat ieder de verbondsgenade in de beloften van het Evangelie wordt aangeboden. Boston schroomde niet om de hoorders van het Evangelie gelegateerden te noemen. Dat betekent dat er een erfenis voor je gereedligt. Maar je moet wel komen om die op te halen, in de weg van geloof. Voor de Bijbelse balans moeten we de gehele Boston aanvaarden.”

Hoe ziet u de verhouding tussen verkiezing en Gods genadeaanbod?

„Het zijn allebei waarheden van God, die je op hun Bijbelse plaats moet laten staan. De prediking van het Evangelie rust niet op de verkiezing, maar op de algenoegzaamheid van Christus. Onze oudvaders laten Gods verkiezing Gods geheim. Ze prediken die als een troost voor de gelovigen, niet als een blokkade voor onbekeerden, door er de betekenis van de beloften mee te ontkrachten. Dat heilige evenwicht wordt in veel preken gemist, omdat predikanten bij elkaar willen brengen wat met ons verstand niet bij elkaar is te brengen. De oude theologen zeiden: „Liever een manke theologie dan een on-Bijbelse theologie.” Dat is me uit het hart gegrepen.”

Welke betekenis heeft de kinderdoop voor u?

„God bevestigt in de doop de waarheid van Zijn beloften. Daar mogen we op pleiten. De Heere Zelf roept ons op ermee werkzaam te zijn. Denk maar aan het bekende vers uit Psalm 81: „Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen.” Degene die volgens Jezus ontvangt, vindt en wordt open gedaan, is de bidder, de zoeker en de kloppende. De dingen die God heeft samengevoegd, mogen wij niet scheiden.

We moeten ophouden met het uithollen van de doop, door te ontkennen dat daarin een geweldige pleitgrond ligt. Het is geen wonder dat onze jongeren onder de indruk komen van de volwassendoop wanneer de kínderdoop hun zo weinig zegt. Ik hoop dat ze veel aan hun gedoopte voorhoofd zullen denken en dit biddend aan God zullen tonen. En dat in de prediking de waarde van de doop en de beloften die daarin verzegeld worden, wordt benadrukt. Op de vraag voor wie de doopbeloften zijn, lezen we in de Heidelbergse Catechismus dat aan kinderen door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt.”

Wat heeft het schrijven van dit boek u persoonlijk gedaan?

„Ik ben nog meer overtuigd geraakt van de vastheid van Gods beloften. God is de Waarmaker van Zijn Woord. Hij heeft me beloofd dat wie in Christus gelooft, eeuwig leven zal hebben. Daar kan ik mijn hoofd rustig op neerleggen.”

Ds. C. Harinck

Ds. Cornelis Harinck (Goes, 1933) groeide op in een seculier gezin. Zijn vader, fruitteler van professie, was een overtuigde socialist. Zijn moeder, die door de ziekte van Huntington al jong in een verpleeghuis werd opgenomen, was van rooms-katholieke komaf. In zijn tienerjaren raakte hij overtuigd van het bestaan van God en ging hij op zoek naar antwoorden op zijn vragen. Die vond hij in de Gereformeerde Gemeenten, onder de prediking van ds. A. F. Honkoop. Na het afleggen van geloofsbelijdenis werd hij door deze predikant gedoopt. Kort erna werd hij verkozen tot ouderling; in 1958 liet het curatorium van de Gereformeerde Gemeenten hem toe tot de opleiding aan de Theologische School te Rotterdam. Na afronding daarvan diende ds. Harinck achtereenvolgens de gereformeerde gemeenten van Utrecht (1962), Franklin Lakes (VS, 1971), Dordrecht (1974), Oostkapelle (1982), Houten (1993) en Terneuzen (2000). Daarnaast publiceerde hij tal van boeken, variërend van prekenbundels tot theologische studies. Ook was hij lid van het hoofdbestuur van de SGP. In 2003 ging hij met emeritaat. Zijn publicitaire arbeid zette hij voort. In zijn jongste boek behandelt de emeritus predikant uit het Zeeuwse Kapelle de betekenis van Gods beloften.