Ds. Belder en dr. Teeuw: Voltooidlevendebat daagt christenen uit

Vol overtuiging zeiden ze ja toen de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland hen vroeg voor de zogeheten Artios-boekenreeks op papier te zetten hoe christenen moeten reageren op het voltooidlevendebat. „Er is al heel wat gewonnen als we als christenen bij onszelf te rade gaan met de vragen die dit debat kan oproepen”, zeggen ds. J. Belder en specialist ouderengeneeskunde dr. A. A. Teeuw, nu hun boek in de winkel ligt.

Bij visites die Teeuw geregeld aflegt bij hoogbejaarden thuis stelt hij ze soms op de man af de vraag: Vat het niet verkeerd op, maar als u morgen niet meer wakker zou worden, zou u dat dan erg vinden? Sommigen draaien er niet omheen en geven het openhartig toe: Om eerlijk te zijn niet. „Achtergrond van dat antwoord is dan niet: ik weet dat het straks voor eeuwig goed is, of ik verlang ernaar te worden thuisgehaald”, zegt Teeuw. „Het gaat dan om het kopje dat de hoogbejaarde door de reuma niet meer kan vasthouden, of om het toilet waar de zuster hem of haar naar toe moet helpen. Kortom, om de last van iedere dag die drukt.”

Wat Teeuw nu schetst, is het herkenbare beeld uit Prediker 12, zegt ds. Belder. „De dagen worden moeizaam, moeizamer. Mensen denken dan niet van: Had ik maar een pilletje of een poedertje, of was er maar een dokter die mij een injectie geeft. Maar wel van: Ik zou het niet erg vinden als het vannacht of morgen stopt.”

Hoogbejaarden geven soms tegenstrijdige signalen af over hun levenszin, is de ervaring van de predikant. „Iemand zei mij ooit: Het hoeft van mij niet meer, hoor. Maar toen ik zei: Dan moet je al die pillen maar laten staan, was de reactie verschrikt: Ja, maar dan ga ik dood.”

Oud-zijn is in onze cultuur niet meer in, constateren jullie. Is dat ooit anders geweest?

Ds. Belder: „In zekere zin niet. Als ik Johannes 21 lees, denk ik dat Petrus er liever ook niet aan wilde. Jezus waarschuwt hem: „Straks zal een ander je omgorden en je brengen waar je niet wilt.” Wel zie je dat er in onze cultuur een obsessieve waardering is ontstaan voor jong. Overal zie je ouderen peddelen, joggen, draven; soms in een jaloersmakend tempo. Ze kleden en kappen zich vooral jong en uitdagend, soms op het belachelijke, zo niet bespottelijke af.

Maar wat als we door ouderdomsgebreken echt aan huis of stoel zijn gebonden? Het overheersende beeld lijkt toch steeds meer te worden: Tja, dan ben je vooral een kostenplaatje. Eigenlijk ben je dan alleen jezelf en je omgeving maar tot last.”

Moet je dominee of verpleeghuisarts zijn om bij die negatieve stereotypering de vinger te leggen?

Teeuw: „Nee, tegengeluiden leven gelukkig breder. Verhelderend en leerzaam om te lezen was voor mij het boek ”Wie we zijn” van emeritus hoogleraar psychiatrie Frank Koerselman, waarin hij zijn ervaringen als psychiater beschrijft. Koerselman gaat in tegen de maakbaarheidswaan van: iedereen kan alles bereiken, als hij of zij er zijn best maar voor doet. Dat legt een zware last van verantwoordelijkheid op de schouders van mensen, want als je eenzaam op je kamer in het verpleeghuis zit, heb je blijkbaar iets niet goed gedaan.

Tegenover het omzien in zelfverwijt of wrok plaatst Koerselman het omzien in berusting en aanvaarding, overigens in een seculiere context. Mooi vind ik hoe hij het thema weemoed als gevolg van het ouder worden in verband brengt met de begrippen deemoed en acceptatie. Bijbels gezien zou ik overigens nog wel een stap verder willen gaan.

In dat verband denk ik aan wat Salomo zegt in Prediker 7:14. Of mijn dagen, ook in de levensavond, voor- of tegenspoed zullen brengen, wordt bestuurd door God. Maar God bestuurt niet alleen, Hij laat de dagen ook zo afwisselen dat wij mensen niet weten wat de dag van morgen zal brengen. Dat vraagt niet om een levenshouding van rekenen of beredeneren, maar van vertrouwen. De dag van morgen ligt in Zijn hand en dat geeft rust.”

Het ministerie van VWS heeft al een paar campagnes georganiseerd met als titel: Spreek tijdig over je levenseinde. Is het terecht om daar met enige regelmaat op te hameren?

Ds. Belder: „Ja, ook wij doen in ons boekje de oproep: Bereid je voor. Ook in praktische zin. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om zaken zoals wel of niet kleiner gaan wonen, maar ook over het laten vastleggen van behandelwensen in de laatste fase. Dat geeft familieleden of artsen vaak een belangrijk houvast. Onder meer op het terrein van de oncologie heb ik weleens voorbeelden voorbij zien komen, waarvan ik me afvroeg: Is dit nog goede zorg? Of worden hier mensen afgescheept met behandelingen die het leven tot een kwelling maken?”

Teeuw: „We kennen allemaal de discussie: Moet alles wat kan? Daarvan zeggen ook wij met elkaar, hoe prolife we ook zijn: Nee, er is een grens van ophouden. Maar op de vraag wanneer verder doorbehandelen onverantwoord of zinloos is, zijn geen pasklare antwoorden te geven. Wel hebben we geprobeerd veel gehanteerde begrippen zoveel mogelijk te verduidelijken en wat algemene regels of uitgangspunten aan te reiken.”

Wat is Bijbels gezien de beste voorbereiding op de ouderdom?

Ds. Belder: „De oproep: Zoek eerst het koninkrijk van God, is in iedere levensfase actueel. We worden daar ook toe aangespoord bij het ouder worden; laten we dat voorop stellen. Het is daarnaast opmerkelijk hoe snel de lobbyisten voor een zelfgekozen levenseinde erin zijn geslaagd de term “voltooid leven” ingeburgerd te krijgen. Ethicus Frits de Lange heeft ooit gezegd: „Een mens is pas klaar met leven wanneer het leven klaar is met hem.” Met andere woorden: wat een voltooid leven is, is tot die tijd eigenlijk niet te zeggen. Ik deel die kritiek, maar voeg er, met verwijzing naar de titel van ons boekje, wel een vraag aan toe. Wanneer achten wij als christenen ons leven eigenlijk voltooid? Uiteindelijk heeft alleen Jezus het bij Zijn sterven kunnen zeggen: Dit leven, dit werk is nu volbracht, voltooid. De vraag die wij vanuit de Bijbel naar ons toekrijgen, is: Rust mijn leven al in dat borgwerk van Christus? Dan kun je als Simeon gaan in vrede. In Lukas 2 zie je iets van een leven waarvan je kunt zeggen: Dat was af, dat was klaar.”

Sommigen stellen: Er zou al heel wat gewonnen zijn als we het verpleeghuis een wat positiever imago kunnen bezorgen. Snijdt zo’n verzuchting hout?

Teeuw: „Ik wil daar best een stukje in meegaan. In mijn werk ontmoette ik ooit zorgondernemer Hans Becker, oud-bestuurder van de Humanitashuizen in Rotterdam en omgeving. Zijn uitgangspunt was: Zeg niet te snel nee als een oudere wat vraagt. Zet maximaal in op zelfredzaamheid en kijk eerst wat de oudere allemaal nog zelfstandig kan. Ouderen betrekken bij de dagbesteding en ze onder begeleiding laten koken of gymen; dat soort dingen heeft hij wel op de kaart gezet.

In lezingen en dergelijke ging Becker er altijd prat op dat euthanasie in de instellingen waaraan hij leiding gaf nauwelijks een issue was. „In mijn huizen is het zo gezellig; daar willen de mensen niet eens dood”, zei hij dan.

Je kunt ook denken aan auteur Hendrik Groen, pseudoniem van Peter de Smet. Hij kroop als het ware in de huid van een 83-jarige bejaardenhuisbewoner en schreef een soort autobiografie in dagboekvorm. Dat boek met als titel ”Pogingen iets van het leven te maken” werd een enorm verkoopsucces, net zoals het vervolg ”Zolang er leven is”. De hoofdpersoon richt met andere oude mannen de oud-maar-niet-dood-club op. Wegzakken in het gevoel van wij-doen-er-toch-niet-meer-toe, doen ze niet; integendeel.

Het verraderlijke zit mijns inziens in de passages over het zelfgekozen levenseinde. Dan is de boodschap onverhuld: „Geniet zolang het nog kan, maar zorg wel dat je er op tijd kunt uitstappen. Als je bijvoorbeeld je wilsbekwaamheid verliest, wordt dat een stuk lastiger of zelfs onmogelijk.”

Als dat onderdeel is van de oproep dat je het zo lang mogelijk zo gezellig mogelijk moet maken, vind ik het geheel uiteindelijk naargeestig en leeg.”

Wat is jullie reactie op de uitspraak: We hebben het ouder worden gewoon verleerd?

Teeuw: „Uit de praktijk weten we dat de mensen die het meeste aan luxe en gemak gewend zijn geraakt er later de meeste moeite mee hebben om een rollator of rolstoel te aanvaarden. Koerselman waarschuwt terecht dat we door de welvaartsgroei het besef afhankelijk te zijn allemaal zijn kwijtgeraakt. Dat roept vragen op over onze levenshouding. Wat is belangrijk? Luxe, hard werken, presteren? Een levensstijl waarin dergelijke zaken de boventoon voeren, vergemakkelijkt de overgang naar de ouderdom later zeker niet.”

Ds. Belder: „Eens. Het is dan ook een zegen wanneer onze dagen in de levensavond meer en meer gevuld raken met de overdenking van het toekomstige leven. Ooit hield ik een themamiddag over de vreze des Heeren bij het ouder worden, toen ik na afloop werd aangeklampt door een opgewekte, levenslustige christin van bijna honderd jaar. Ze zei: „Ik ben zo blij, want nu heb ik eindelijk de tijd om ’s morgens op m’n gemak een heel Bijbelhoofdstuk te lezen met de kanttekeningen erbij. ’s Middags lees ik dan Matthew Henry over dat hoofdstuk en ’s avonds sla ik Dächsel er nog eens op na.” Dan praat je opeens niet meer over wat je bij het ouder worden moet loslaten, maar over hoe je je dan meer en meer mag oefenen in het leven met Hem.”

Ds. J. Belder en dr. A. A. Teeuw

Jan Belder (Scheveningen, 1955) groeide op in een randkerkelijk gezin in het Brabantse Ginniken, onder Breda. In 1987 werd hij in zijn eerste gemeente Loon op Zand bevestigd tot predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarna diende hij de gemeenten Katwijk aan Zee (1993), Nieuw-Lekkerland (1997) en Dordrecht (2002). In 2007 werd hem om gezondheidsredenen vroegtijdig emeritaat verleend. Ds. Belder publiceert veelvuldig over uiteenlopende onderwerpen en is columnist in het Reformatorisch Dagblad. Hij is gehuwd met Ina Gerritsen. Hun huwelijk bleef zonder kinderen.

Alfred Teeuw (Lekkerkerk, 1960) studeerde geneeskunde en aansluitend theologie. Inmiddels is hij ruim dertig jaar specialist ouderengeneeskunde. In 1994 trad hij in dienst van verpleeghuis Salem in Ridderkerk. Vanuit deze instelling levert hij ook medische zorg aan ouderen uit collega-instellingen in de regio. Teeuw is verder proponent binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Hij is getrouwd met Corry Saly. Het echtpaar kreeg vier kinderen en drie kleinkinderen.