Ds. A. Verschuure genas van corona: Niet sterven, maar leven

Kerk en corona
Ds. A. Verschuure genas van het coronavirus. „De Heere heeft zo goedertieren voor mij, een albederver, gezorgd.” beeld Sjaak Verboom

Een dubbele longontsteking door het coronavirus bracht hem aan de rand van de dood. Op het punt dat ds. A. Verschuure in slaap zou worden gebracht, kwam er echter een wending in de ziekte. Niet zonder reden, gelooft hij. „De Heere heeft nog werk voor me.”

Vier keer preekt ds. Verschuure nog op zondag 15 maart. Alles is anders door de die donderdag afgekondigde coronamaatregelen voor kerken. Het avondmaal dat hij zou bedienen in een consulentgemeente gaat niet door. „Om mee te leven” preekt hij ’s middags extra in de eigen gemeente, de gereformeerde gemeente te Capelle aan den IJssel-Middelwatering. Over woorden uit Psalm 55: „Werp uw zorg op de Heere, en Hij zal u onderhouden.” Hij kan niet bevroeden dat het ruim twee maanden zal duren voordat hij weer op de kansel zal staan.

Klachten heeft hij nog niet, die zondag. „Misschien een kriebel in de keel, maar dat wijt ik vooral aan de spanning door alle omstandigheden.” Twee dagen doet hij nog zijn werk, totdat hij zich dinsdagavond niet lekker voelt. „Die nacht kreeg ik plotseling koorts. Biddagdiensten die ik woensdag in een andere gemeente zou houden, heb ik afgezegd.”

Longontsteking

De predikant ligt hele dagen op bed en voelt zich hoe langer hoe slechter. Zaterdag belt hij de huisartsenpost. Er wordt een longontsteking geconstateerd, maar nog niet ernstig genoeg voor een opname. Maandagochtend is hij zo ziek dat niet meer wordt getwijfeld. In een rolstoel moet hij zijn huis verlaten. In het ziekenhuis wordt een dubbele longontsteking vastgesteld. Daar ligt hij 24 uur alleen tot de uitslag van de coronatest bekend is. „Het woord corona vind ik nog altijd een naar woord. Je voelt je als een besmet iemand, opgesloten in een kamertje, niemand mag erbij. Daar heb ik me werkelijk eenzaam gevoeld.”

Als de uitslag komt –positief– wordt de predikant overgeplaatst naar de corona-afdeling. Daar ligt hij met vier mensen op de kamer, van wie er twee in korte tijd ernstig ziek worden. „Dat was angstig om te zien. Ik heb daar vaak gedacht: Dit is het begin van het einde. Al enkele weken had ik het gevoel te moeten sterven.”

Aan het einde van die week volgt een overplaatsing naar het Erasmus Medisch Centrum. De gezondheidssituatie van de predikant gaat steeds verder achteruit. Hij krijgt de maximale zuurstof toegediend en wordt overgeplaatst naar de intensive care.

De anesthesist vertelt hem eerlijk over zijn situatie. „Dat heb ik als een heel ingrijpend moment ervaren. Ze vertelde dat ik in slaap zou worden gebracht en dat niet iedereen daaruit weer wakker wordt. Ook vroeg ze of ik nog gereanimeerd wilde worden.”

Raadsel

In die momenten ziet ds. Verschuure de dood in de ogen. „Het was voor mij een groot raadsel. Eigenlijk voelde ik daar twee dingen: ik kan mijn vrouw en kinderen niet missen en ik ben nog niet losgemaakt van de gemeente die de Heere mij gegeven heeft.”

De arts vraagt of ze iets voor hem kan betekenen. Eerst belt de predikant naar huis, om het gezin te spreken. Ook daar waart het virus rond: als gevolg daarvan kan hij zijn vrouw drie weken lang niet zien.

Daarna vraagt ds. Verschuure of de anesthesist met hem Psalm 118 wil lezen. Het zijn met name twee verzen die diep binnendringen: „Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen. De Heere heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.”

„Toen kwam er rust in mijn hart. Als iemand toen had gevraagd: Geloof je dat nu, dan had ik gezegd met de vader van de maanzieke knaap: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Het lag er en ging in de loop van die weken steeds meer kracht doen.”

Stilstand

De anesthesist wacht nog even met het in slaap brengen – ze wil eerst overleggen met een collega. „In dat uur stopte de daling van het zuurstofgehalte in mijn bloed. Ik geloof echt dat de Heere daar de ziekte tot stilstand heeft gebracht. Dat zie ik als een krachtige daad van Zijn hand.”

Van de dagen die volgen, herinnert de predikant zich weinig. Buiten het ziekenhuis wordt meegeleefd. Op zeker moment gaat het gerucht door het land dat hij overleden zou zijn: twee van zijn kinderen ontvangen zelfs condoleances. „Ze bleven er gelukkig nuchter onder. Mijn vrouw zei: Als er iets aan de hand zou zijn, hadden we dat van het ziekenhuis gehoord.”

Het herstel van de predikant verloopt langzaam, maar goed. Op Goede Vrijdag wordt hij ontslagen uit het ziekenhuis. Ook daarna merkt hij dat het virus veel gevraagd heeft van het lichaam. Een longfoto van eind maart toont bijna alleen witte vlekken van ontstekingen. „Als ik de eerste weken thuis de trap opliep, kon ik niet gelijk weer naar beneden, maar moest ik eerst uitrusten. Inmiddels kan ik alweer twintig kilometer fietsen.”

Terugkijkend ziet hij onderwijs dat de Heere gaf in de ziekte. „Zowel ambtelijk als persoonlijk. Ambtelijk stelde Hij me opnieuw op deze plaats in Capelle om weer te preken en Zijn grote daden te vertellen. Ik geloof dat er nog werk voor me is. En persoonlijk wees de Heere op de noodzaak van de toepassing van Christus’ gerechtigheid in de ziel. Dat dat nu iets is waarin ik zelf niet kan werken, maar waarin Hij niet zal rusten totdat Hij dat werk voleindigd zal hebben.”

Meeleven

Zondag 24 mei gaat ds. Verschuure voor het eerst weer voor in zijn gemeente. Hij preekt over Psalm 118, een ”dankzegging na verlossing uit grote nood”. „Daarin heb ik met name de jongeren iets willen meegeven over de bijzondere zorg en de grote daden van de Heere.”

Het vele meeleven tijdens zijn ziekte heeft hem verwonderd. „Ik kreeg berichten van binnen en buiten onze gemeenten, en ook vanuit het buitenland. Daar ben ik klein onder geworden. Maar het grootste is: de Heere heeft zo goedertieren voor mij, een albederver, gezorgd. Op de zondagavond dat ik voor het eerst weer preken mocht, was het in mijn gedachten: De lofzang is in stilheid tot U. Dan kun je in verwondering niet laag genoeg voor de Heere buigen. Daar zijn eigenlijk geen woorden voor.”