Dr. W. Fieret ging Augustinus na zijn ziekte anders lezen

Dr. Wim Fieret noemt de gelijkenis tussen de leefwereld van Augustinus en die van jongeren nu „frappant.” beeld RD, Henk Visscher

Dr. W. Fieret moest nog twee hoofdstukken schrijven toen een herseninfarct hem trof. Zijn boek over Augustinus bleef onvoltooid liggen. Na zijn herstel pakte hij de draad weer op. De kerkvader bezag hij met andere ogen.

De veelzijdige bisschop van Hippo (354-430) inspireert hem al langer dan vandaag. In de tien jaar dat Wim Fieret zich in het leven en werk van Augustinus verdiepte, rijpte het idee om diens erfenis te verbinden met de leefwereld van jongeren. Dat is ook wat zijn pennenvrucht onderscheidt van andere boeken over de Noord-Afrikaanse denker. Ieder hoofdstuk leidt de oud-onderwijsman in met een actuele anekdote uit het leven van jonge mensen en in de gespreksstof aan het einde van elk hoofdstuk komt hij daarop terug.

De aanzet voor het boek ”Augustinus, van zoeker naar voorbeeld” (Uitg. Den Hertog, Houten) ligt in tal van gesprekken die Fieret voerde als docent geschiedenis en leidinggevende in het voortgezet onderwijs en als lector identiteitsontwikkeling bij reformatorische jongeren. Hij ontdekte overeenkomsten tussen de zoektocht van jongeren en die van Augustinus. Die vond hij zo „frappant” dat hij besloot om de jonge generatie in de spiegel van de kerkvader te laten kijken.

Brood en spelen

Wat 21e-eeuwse jongeren volgens hem met Augustinus gemeen hebben, is dat hun leven in stukken uiteenvalt en dat er volop keuzemogelijkheden zijn. „Het geloof is een optie”, vat Fieret kernachtig samen. In beide tijden en culturen is er veel aandacht voor entertainment en genot. „Denk aan de amfitheaters. Mensen kregen brood en spelen. Dat is bij ons echt niet anders.”

Het gebrek aan eenduidigheid maakt hedendaagse jongeren meesters in schakelen. Fieret onderscheidt diverse groepen jongeren: onder meer zij die onverschillig zijn en afscheid namen van kerk en geloof en daartegenover betrokken jongeren die nadenken over doop, belijdenis en avondmaal. Veel schakelaars behoren tot de laatste groep. Zij switchen gemakkelijk tussen de verschillende domeinen van gezin, kerk, school en vrienden. „Ze hebben een zogeheten samengestelde of meervoudige identiteit. Gedrag waarin Bijbelse normen een minder grote rol spelen, is voor hen gelegaliseerd. Dat mag naast de andere gedragingen staan. Dat is opmerkelijk.”

Schakelende jongeren zullen er altijd wel geweest zijn. Wat is het verschil met nu?

„Vroeger kwam je nog vaak het woord eigenlijk tegen. Ik doe dit wel, maar eigenlijk klopt het niet. Dat woord is verdwenen uit het vocabulaire van veel jongeren. Op zaterdagavond laten ze zich gaan –ze drinken echt geen appelsap– de volgende morgen luisteren ze naar de dominee en begrijpen ze waarover hij het heeft.”

Waar ligt de oorzaak?

„De samengestelde identiteit wordt in de loop van de jaren gevormd. Ik denk dat media hierbij een rol spelen. Het bombardement aan informatie. Je gaat relativeren. Je raakt via films vertrouwd met het verkeerde. Augustinus zei al dat gewenning het gewicht van iedere zonde lichter maakt.”

U benadrukt Augustinus’ aandacht voor het innerlijk. Om welke reden?

„Omdat dat helemaal bij hem hoort. In zijn ”Soliloquium” (Alleenspraken) sprak hij met zichzelf. „Wie wil je leren kennen? God en mezelf. Niets meer? Nee, hoegenaamd niets.” Hij keek heel analytisch naar zichzelf. Dat zie je ook wanneer hij het heeft over de strijd van de twee willen. Dat vind ik een heel sprekend en mooi gedeelte uit de ”Confessiones”. Hij verbaast zich erover dat zijn lichaam zijn wil gehoorzaamt, maar als hij de zonde wil laten, gehoorzaamt zijn geest niet. Wat een mysterie is dit, zegt hij dan. Hij beschrijft dit op een diepe manier.”

Welke boodschap wilde u hiermee overbrengen?

„De boodschap is: blijf niet steken in het uitwendige. Daal af in uzelf, de titel van een hoofdstuk. Want iedere buitenkant heeft een binnenkant. Voordat ik iets zeg, zit het al in mijn hoofd. Ons gedrag komt ergens vandaan.”

Zijn wij het verleerd om tot onszelf in te keren?

„Ik denk het wel. Dat systematische zelfonderzoek. Met de woorden van Psalm 139: Doorgrond en ken mijn hart, o Heer. We zijn overgestapt van de ”vita contemplativa” naar de ”vita activa”. Het beschouwende leven is de hele geschiedenis van het christendom door verbonden geweest met het besef dat God er is. Dat ik mij tot Hem moet verhouden. Dat is verdwenen, voor een groot gedeelte.

Het lijkt erop dat er in onze tijd veel meer aandacht is voor uiterlijkheden dan vroeger. Ik snap dat ook wel. We moeten nadenken over ons standpunt in allerlei zaken. Het gevaar is echter dat het alleen nog maar gaat over dingen die de leefstijl raken.

Wijlen ds. Joh. van der Poel zei hierover dat we zo gauw tevreden zijn. Als het haar van meisjes maar lang is en dat van jongens kort, de rok niet te kort en de broek niet te strak. We dreigen te vergeten dat de vernieuwing van ons hart het belangrijkste is wat er plaats moet vinden. Dat lees je ook in de boeken en preken van Augustinus. Hij schrijft over buitenkantzaken, maar wel altijd gerelateerd aan de wezenlijke vraag naar de binnenkant. Hoe is het hart ten opzichte van God?”

Augustinus stelt geestelijke oefening voor als een ladder tot het aanschouwen van God. Dat kan soms bevreemding wekken.

„Hij spreekt over groei in geloof en over trappen. Dat heeft iets in zich van maakbaarheid. Daar zijn mensen terecht wat huiverig voor. Niet de tranen die ik pleng, niet de offers die ik breng... Het genadekarakter van het Evangelie moet nooit in mindering worden gebracht op onze oefeningen. Tegelijk is het zo dat we ons meer kunnen oefenen dan we vaak denken. Sommige oudvaders richtten systematisch hun dagen en nachten in om zo dicht mogelijk bij God te komen. Ze hadden er verdriet van dat ze niet wakker werden om drie uur ’s nachts, omdat ze daardoor tijd verloren die ze konden besteden aan het nadenken over God. Nou, dat zijn we echt wel kwijtgeraakt. De trappen van het geestelijk leven beklimmen, heeft ook te maken met onthechting. Met losraken van aardse dingen, zoeken naar het meest wezenlijke.”

Heeft u dat in uw persoonlijk leven ervaren? U bent erg ziek geweest.

Fieret wijst naar zijn bureaustoel. „Daar zat ik, in de veiligheid van het huis. Als je om bewaring vraagt, denk je meestal aan auto-ongelukken. Ik keek naar mijn handen en het was net alsof dat de handen van een ander waren. Om een lang verhaal kort te maken: ik kreeg een herseninfarct. Ik heb een trage en onregelmatige hartslag, waardoor er gemakkelijker een bloedpropje kan ontstaan. De klachten verdwenen, maar toen ontdekten ze in het ziekenhuis dat het met mijn hart niet goed was. Ik mocht niet meer weg. Tijdens een openhartoperatie kreeg ik een kunststof aorta en een pacemaker. Als je nooit ziek bent geweest en je ziet ineens de eindigheid van het leven, doet dat echt wel wat met je. Dan heb je het niet breed. Tenminste, ik niet.

Ik werd beter, zat niet in een rolstoel, kon praten, denken en lezen – ik denk dat ik nog snap wat ik lees ook. Dat is echt een wonder en een onverdiend geschenk van God.

Door zo’n ziekte is het latente besef van de eindigheid van het leven niet meer latent. Je hebt de dood in de ogen gezien. Je gaat anders kijken naar dingen, naar elkaar, naar de Bijbel. Ook Augustinus ging op een andere manier tot mij spreken. Ik zag wat een absolute nadruk hij legt op de meditatie over het toekomende leven.”

De nadruk op onthechting en sober leven bij Augustinus zou een jongere zomaar somber kunnen maken. De Bijbel geeft ruimte voor het genieten van eten, drinken, schepping en seksualiteit.

„Op het gebied van seksualiteit gaan Augustinus’ standpunten mij te ver. Uit zijn Belijdenissen blijkt dat seksualiteit, zeker in zijn jeugd, voor hem een sterke macht was. De vraag is of de adviezen die hij zijn gemeenteleden later geeft, Bijbels zijn. Anderzijds was hij geen wereldvreemde man. Hij stond met beide benen in de samenleving. Dat blijkt ook uit ”De stad Gods.” Hij was geen monnik die zichzelf opsloot, maar een prediker met oog voor mensen. Juist vanuit die betrokkenheid wilde hij wijzen op het meest wezenlijke van het leven. De vraag: hoe kan ik God ontmoeten?”

De tweestrijd van Augustinus

Uit: ”Augustinus, van zoeker naar voorbeeld”: „In zijn beschrijving van die strijd zie je het beeld van een tweemens, vergelijkbaar met iemand die twee willen heeft. Willen en doen zijn verschillend. In zijn hart heeft de wil duidelijk de overhand op het doen. Vanbinnen leefde verzet tegen de uitvoering van het goede: „Met wat zweepslagen heb ik mijn ziel niet geranseld om haar zo ver te krijgen dat ze met mij meeging in mijn pogen om U achterna te gaan. Zij stribbelde tegen, zij verzette zich.” (...) Later keek Augustinus terug. Hij vroeg zich af hoe het kwam dat zijn lichaam wel aan zijn ziel gehoorzaamde, maar de ziel zelf zich zo bleef verzetten tegen de overgave aan God. „Wat is de grond van dit wonderlijk verschijnsel? Waarom is dat zo? De geest geeft dit lichaam een bevel en dat gehoorzaamt onmiddellijk. De geest geeft zichzelf een bevel... en er volgt verzet.”

De aarzeling werd veroorzaakt omdat het „ingeprente slechtere” meer macht over hem had dan het „ongewende betere.””

Dr. Wim Fieret

Wim Fieret (1950) groeide op in Oostburg, Zeeuws-Vlaanderen. Met zijn ouders kerkte hij in de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hij bezocht de Driestar, studeerde daarnaast geschiedenis en promoveerde in 1990 op de SGP in de periode 1918-1948. Tijdens zijn loopbaan in het onderwijs vervulde hij verschillende (directie)functies op reformatorische scholen, waaronder het Van Lodenstein College in Amersfoort. Van 2011 tot 2015 was hij op het Hoornbeeck College lector identiteitsontwikkeling bij reformatorische jongeren. Begin 2015 ging hij met pensioen. Drie jaar geleden verhuisde het echtpaar Fieret van Woudenberg, waar het dertig jaar woonde, naar Leerdam. Ze kregen zeven kinderen en twintig kleinkinderen.

Fieret schreef verschillende boeken over (kerk)historische onderwerpen, waaronder biografieën van de nadere reformatoren Udemans (1985), Van der Groe (2008), Hellenbroek (2009) en Wilhelmus à Brakel (2016).