Dr. Matthijs van Ittersum: „Hoofd en hart in theologie horen bijeen”

Matthijs van Ittersum. beeld RD

Spreken óver God is heel wat anders dan mét en tót God. Als in de theologie het hoofd zich verwijdert van het hart, liggen scheuringen, schisma’s en reformatiedrang op de loer, zo betoogde dr. Matthijs van Ittersum woensdag tijdens de conferentie van de Vereniging voor Theologie (VVTh).

Dr. Van Ittersum, vorig jaar gepromoveerd op de verhouding tussen Augustinus en de vorige paus Joseph Ratzinger, sprak over het spreken over of met God. Hij onderscheidde daarbij de theologie van het hart en van het hoofd, de zogenaamde eerste (primaire) en tweede (secundaire) theologie. De conferentie van de VVTh is gewijd aan de contemplatieve wending in de theologie.

Buiten de kerk en Christus is er geen gemeenschap met God, zo zette Van Ittersum uiteen. Tegelijkertijd is er ook de persoonlijke liturgie: lezen, mediteren, bidden, een verlangen om God te ervaren en om met de Allerhoogste te spreken.

Het spreken óver God vindt op academische wijze aan de universiteit plaats, waar argumenten tellen. Van Ittersum: „Het gaat daar niet over charisma, maar om begrip, niet om te getuigen maar om te overtuigen, niet om discipelen maar om studenten.”

Het spreken óver God levert dikwijls problemen op, zo stelde de spreker. „Het gebruik van taal schept grenzen. Er ontstaat discussie, ruzie zelfs, over wie God is. Door een eenzijdig theologiseren binnen de strenge kaders van secundaire theologie dreigt er een gevaar te ontstaan van betweterigheid over het mysterie van God. Wat valt er ten diepste over een mysterie te zeggen? Wat kan onze rede, ons verstand, ons intellect voor een verdiept of vernieuwd inzicht geven over God?”

Apologetiek, indien ver verwijderd van de zogenaamde eerste theologie, levert grote problemen op, aldus de spreker, refererend aan A. van de Beek. „Het dreigt een verdediging van God en Zijn daden te zijn, alsof God verdediging nodig heeft. In ons theologiseren hoeven we God niet te verdedigen, dat is theologische problemen oplossen waarvoor ten diepste geen oplossing is.”

Van Ittersum bepleitte een theologie waar God niet slechts het object (voorwerp) is, maar ook subject (onderwerp). „Een theologie waar vieren en denken, geloof en rede, bidden en spreken samengaan, waar er geen verschil is tussen spreken tot en spreken over God. Er vindt dan een voortdurende wisselwerking tussen hart en hoofd plaats. Die twee worden dan niet uiteen getrokken in de vorm van een dualisme.”

Theologiseren laat zich volgens Van Ittersum niet begrenzen door „naakte rationaliteit” of „academische neutraliteit.” Van Ittersum citeerde teksten van Augustinus, Anselmus en Joseph Ratzinger. „Theologie stelt, als het goed is, vragen die hun oorsprong in het vierende en biddende hart vinden en geleid door de rede tot uiting komen.”