„Dorpskerk moet zich eerst bezinnen voordat ze in actie komt”

dorpskerk
Jack de Koster. Beeld RD, Anton Dommerholt

Moet de dorpskerk zich meer met het dorp gaan bemoeien? Dat is nog geen uitgemaakte zaak, vindt Jack de Koster. „Je moet vooraf goed bedenken wat je wilt als kerkelijke gemeente en wat je mogelijkheden zijn.”

De Koster (54) uit Culemborg is gemeentebegeleider. Eerder was hij als gemeenteadviseur in dienst van de Protestantse Kerk in Nederland, nu is hij als zelfstandige afhankelijk van opdrachten vanuit de plaatselijke kerken. Hij werkt door het hele land.

Als generalist begeleidt De Koster veranderingstrajecten, houdt zich bezig met het samengaan van kerkelijke gemeenten, is aanwezig om meningsverschillen te helpen oplossen en wordt ook geroepen als dorpskerken zich afvragen of en hoe ze zich met het dorp kunnen verbinden. De laatste tijd heeft hij veel werk, zeker waar het gaat om de revitalisering van dorpskerken.

Dat werk speelt zich hoofdzakelijk af aan de randen van Nederland, in de gebieden waar de protestantse dorpskerken het moeilijk hebben. Door de krimp van het aantal leden moeten veel dorpskerken daar vechten voor hun voortbestaan.

Huisgemeente

In het verleden streefde de Protestantse Kerk naar schaalvergroting en wilde zij plaatselijke kerken laten samenwerken of samenvoegen. De Koster constateert met voldoening dat de weg terug is ingeslagen. Op dit moment spant de Protestantse Kerk zich in om kerken in het dorp te behouden. De onlangs gelanceerde dorpskerkenbeweging is daarvan een uitvloeisel. „Bij gemeenten leeft de angst dat samenwerking een voorportaal is van samengaan. Dat willen ze niet. De meeste gemeenten willen zo lang mogelijk kerk zijn in het dorp, desnoods in de vorm van een huisgemeente.”

In sommige dorpen is de nood hoog, constateert de adviseur. „Ik weet van een gemeente in een dorp waar de jongste kerkganger 75 jaar is. In een andere gemeente is de jeugdouderling 80 jaar, terwijl er geen jeugd is. Soms zijn mensen te oud om in de winter per auto naar een nabijgelegen dorp te gaan om kerkdiensten bij te wonen.”

Een gebied met heel wat pijn is Zeeuws-Vlaanderen. Daar is sprake van bevolkingskrimp, terwijl de secularisatie er hard toeslaat. „Kerken voelen wel voor samenwerking, maar het realiseren daarvan is niet altijd eenvoudig omdat de gemeenten allemaal hun eigen identiteit willen behouden. Daarom voer ik gesprekken en kijk ik naar wie er bij elkaar passen. Een aantal sterke gemeenten –Axel, Zaamslag en Terneuzen– zou zwakkere gemeenten kunnen ondersteunen.”

De aanbeveling van dr. Jacobine Gelderloos dat dorpskerken zich meer op het dorp moeten richten, onderschrijft hij deels. Een mooi voorbeeld vindt De Koster de protestantse gemeente Nuenen, die erin geslaagd is om de lijnen naar het dorp goed uit te zetten. Hij verwijst ook naar de gemeente in Serooskerke, op Walcheren, die een goed contact opbouwde met de dorpsraad, waarna beide partijen gingen nadenken over het gezamenlijk organiseren van activiteiten.

Toch heeft De Koster ook bedenkingen. In de eerste plaats is een dergelijke beweging soms niet mogelijk, stelt hij. „Als de leden te oud zijn om activiteiten te ontplooien, is een perspectiefwisseling onmogelijk en mag men blij zijn dat de kerkdienst en een Bijbelkring in stand blijven.”

Een tweede moeilijkheid ziet hij bij gemeenten die kiezen voor samenwerking met naburige kerkelijke gemeenten. „De samenwerking hoeft niet ten koste te gaan van aandacht voor het dorp, zoals blijkt uit het voorbeeld van Serooskerke, maar de kans is groot dat kerkleden niet genoeg energie overhebben om zich op het dorp te richten.”

De Koster wijst ook op de totstandkoming van streekgemeenten, volgens hem een doorgaand proces. „Mensen die lid zijn van een streekgemeente hebben minder betrokkenheid bij hun eigen dorp. Ze willen best iets doen, maar richten zich vaak eerst op hun eigen gemeente.”

Tegenover

De gemeenteadviseur raadt kerkleden aan om na te denken over hun verhouding tot de samenleving waarin ze staan. „Het maakt nogal uit of mensen de kerk zien als een brenger van het heil en een boodschap voor de wereld, of als een gemeenschap die het Koninkrijk van God present stelt in de wereld. In het eerste geval is er meer sprake van een tegenover, in het tweede van een deel uitmaken van de samenleving. Het is noodzakelijk dat kerken zich hierop bezinnen voordat ze stappen zetten.”