„Doodsstrijd christen niet zonder hoop en troost”

Verdiepingsconferentie, zaterdag in Putten. beeld RD
2

„Kan ik als mens mijn dood onder ogen zien? Ik beken dat ik dat zwaar vind. Ik acht het geen wonder dat de mens voor de dood wegduikt. We kennen het leven uit ervaring, maar het sterven blijft verborgen en daarom altijd huiveringwekkend. Dat geldt ook voor de christen, al is die in zijn of haar doodsstrijd niet zonder hoop en troost.”

Dit zei emeritus hoogleraar prof. dr. F. G. Immink zaterdagmorgen in Putten op de verdiepingsconferentie, met als thema: ”Gedenk te sterven”. De bijeenkomst voor twintigers en dertigers trok zo’n veertig belangstellenden.

Prof. Immink beschreef in zijn lezing hoe de dood problematisch werd in onze cultuur, die volgens hem lijdt aan „grenzeloze genotobsessie en eis tot onmiddellijke wensvervulling, in een illusie van maakbaarheid.”

Volgens prof. Immink is het besef van de dood als gericht in de geseculariseerde cultuur nagenoeg verdwenen. Dat blijkt niet alleen uit het onlangs verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar religie in Nederland, maar ook de recente heftige reacties op de Nashvilleverklaring. Ze bewijzen hoe ingrijpend de Nederlandse samenleving vervreemd is van Bijbelse begrippen en de boodschap op ethisch vlak, aldus prof. Immink.

Omdat het eeuwigheidbesef verdwenen is, wordt alles „binnenwereldlijk” en omdat de oorsprong van het leven door de evolutietheorie als materieel wordt gezien, wordt de dood als onderdeel van het leven gezien. Daar wordt dan ook luchtig over gedaan of gespot.

Prof. Immink betoogde dat –in tegenstelling tot voorgaande generaties– de dood niet als angstaanjagend wordt gezien, maar mede ook door de goede medische stervensbegeleiding een vriendelijk gezicht kreeg. Als God geen levende werkelijkheid meer is, dan kantelt er veel en wordt het leven binnen het hier en nu opgesloten, aldus prof. Immink.

Volgens de hoogleraar is in het Oude Testament niet zozeer sprake van een focus op de dood maar eerder een gerichtheid op de levende God, Die overigens wel op de oordeelsdag of „dag des Heeren” alles en iedereen in het gericht betrekt.

In het Nieuwe Testament staat het spreken over sterven en dood altijd in verband met het sterven en de opstanding van Jezus Christus, de Middelaar Die in het oordeel de straf en toorn gedragen heeft. In nieuwtestamentisch perspectief horen sterven en opstanding altijd bij elkaar, aldus prof. Immink, die eraan toevoegde: „Overigens zijn alle christenen al in het leven met het sterven vertrouwd, omdat in een echt christenleven sterven en opstaan dagelijkse praktijk is. Dat wordt ook in het sacrament van de doop gesymboliseerd.”

De vertrouwdheid met de dood en het gelovig uitzicht op een leven na de dood betekent volgens de emeritus hoogleraar niet dat een christen geen angst voor het sterven zou kennen. De dood blijft altijd een grens en daarom is de vrees en de doodstrijd voor een christen niet vreemd, ondanks de hoop en troost die er ook is.

De stelling: ”De dood is een genadige straf” lokte uiteenlopende reacties uit. Volgens sommigen bevat die een innerlijke tegenstrijdigheid, omdat straf nooit genadig kan zijn.

Ook in de gezamenlijk gezongen liederen en in een solozang door Lennard van Prooijen werd het thema aan de orde gesteld. Inge Verburg-van Hierden hield een voordracht over dood in de kunst. In vier verschillende workshops –onder leiding van prof. Immink, ds. K. M. Teeuw, ds. P. Vermaat en W. Lock– werd over het thema doorgesproken.