Dochter veehouder eiland Wight werd wereldberoemd

Legh Richmond kwam als predikant op het Zuid-Engelse eiland Wight in gesprek met veehoudersdochter Elizabeth Wallbridge. Hij schreef haar bekeringsgeschiedenis. Foto: zonsondergang gezien vanaf het eiland.

Badplaatsen, krijtrotsen en het buitenverblijf van koningin Victoria geven een beeld van het toeristische eiland Wight. Achter het kerkje in Arreton siert een gedenksteen het graf van ”The dairyman’s daughter”, de dochter van de veehouder.

Een gedicht gekerfd in de steen nodigt de voorbijganger uit om stil te staan bij de gedachtenis aan Elizabeth Wallbridge (1770-1801), die nog spreekt nadat ze gestorven is. Haar levensverhaal kreeg internationale bekendheid. Er werden honderdduizenden exemplaren van gedrukt. Dit jaar is het 250 jaar geleden dat ze geboren werd.

Is haar verhaal, beschreven door Legh Richmond (1772-1827), dan zo bijzonder? In ieder geval heeft het velen, ook van hogere rang, aangesproken. Tsaar Alexander van Rusland, die Richmond toevallig in Portsmouth ontmoet had, kreeg een exemplaar toegezonden. In meerdere talen werd het overgezet. In sommige boeken wordt wel gesproken over een oplage van meer dan 1 miljoen exemplaren. Misschien zijn de meeste daarvan in de Verenigde Staten verspreid. J. Kooistra uit Ede verzorgde een Nederlandse editie, die in 1976 verscheen. In zijn inleiding geeft hij ook informatie over de schrijver van het verhaal.

Filantroop

”The dairyman’s daughter” werd opgedragen aan William Wilberforce (1759-1833), „de getrouwe vermaner van de rijken, de beproefde vriend van de armen, de onvermoeibare bevorderaar van de godsdienst en de bekende weldoener van de mensheid.” De filantroop had zich het lot van de vele armen aangetrokken en beijverde zich als lid van het Engelse parlement voor de afschaffing van de slavernij.

Richmond was veel aan hem verschuldigd, want zijn boek ”A practical view of christianity” (Een praktische beschouwing van het christendom) was het middel in Gods hand tot zijn bekering, waarvan hij later in zijn dagboek verslag doet: „Op deze dag is het 25 jaar geleden dat ik voor het eerst Mr. Wilberforces boek over het christendom las. Dat was in mijn kleine studeerkamer in de pastorie van Brading. Daardoor kreeg ik mijn eerste ernstige en naar ik hoop zaligmakende indrukken.” Het was volgens zijn levensbeschrijver Grimshawe „een bekering van een rechtzinnigheid in naam en belijdenis tot een rechtzinnigheid in de geest.”

Hutbewoonster

Nu ging Richmond behoren tot de evangelischen in de Engelse staatskerk, waartoe ook mannen als Toplady, Romaine en Hervey gerekend worden. Sinds 1797 was hij dorpspredikant in Brading, een plaatsje op het eiland Wight. Dit eiland bekoorde hem zeer en zijn geschriften tonen zijn bewondering voor het werk van de Schepper in de natuur. Maar nog meer bewonderde hij de uitnemende rijkdom van de goddelijke genade geopenbaard in zondige Adamskinderen, vooral in hen „die behoorden tot de arme stand van het mensdom.”

Een van deze armen was ”Little Jane”, de eerste vrucht op zijn prediking in Brading. Dit meisje, op wie hij eerst geen acht geslagen had, gaf tijdens haar ziekte in haar armoedige hutje zulke blijken van een wonderlijk werk van God. Op eenvoudige wijze gaf zij uitdrukking aan haar geloof in haar Zaligmaker en Verlosser. Richmonds eerste boekje over haar verscheen in ons land onder de titel ”Jenny, de hutbewoonster”.

Bevlogenheid

Uit dit ontroerende verhaal blijkt zijn bevlogenheid met zondaren en zijn ijver om verloren schepselen in aanraking te brengen met de weg der behoudenis door het bloed van Christus. Deze getrouwe dienstknecht was niet getrouw in zichzelf, maar hoe onbekwamer en onwaardiger hij zich voelde, hoe meer hij zijn diepe afhankelijkheid van de Geest van de Heere gewaar werd. Ziedaar zijn zelfonderzoek: „Heb ik enige talenten voor de prediking? Gebruik ik deze als niet misbruikende? Zijn ze met hart en ziel toegewijd aan Gods eer? O, mijn Verlosser, hoe zal ik de oneindige waardij van Uw bloed schatten, hetwelk gestort is voor de zonde.”

Meer nog dan het boekje over Jenny werd ”De dochter van de veehouder” bekend. Deze Elizabeth Wallbridge woonde in Arreton, vlak bij Brading. Evenals Jenny was zij arm naar de wereld: „Als we de godsdienst in zijn eenvoudigste en zuivere aard wensen te zien, moeten we dat zoeken onder de armen der wereld, die rijk zijn in het geloof.” Richmond kwam met haar in aanraking via een brief waarin zij hem verzocht haar zuster te begraven. Hij werd „zeer getroffen door de eenvoudige en ernstige toon van vroomheid die uit deze brief sprak.” Om kort te gaan: later leerde hij haar persoonlijk kennen en bracht hij een bezoek aan het huisje van haar ouders, waar zij ook woonde.

Dit bezoek werd herhaald, aangezien Elizabeth ernstig ziek was geworden. Er ontstond een onverbrekelijke band tussen beiden, niet omdat Richmond het middel was tot haar bekering, maar omdat zij één waren in het geloof in hun Heiland en Verlosser. De veehoudersdochter vertelde de predikant hoe de Heere haar tot dat geloof gebracht had. Het was geen geloof zonder een grondige overtuiging van haar verloren staat, die aan haar aannemen van Christus voorafging.

Werelds

Elizabeth ging eens naar de kerk om door de mensen gezien te worden; werelds en opzichtig gekleed. De predikant sprak over de tekst: „Zijt met ootmoedigheid bekleed”, en maakte een vergelijking tussen de kleding van het lichaam en van de ziel. Toen werd ze getroffen en zag ze haar zondige en hoogmoedige aard. „Hij beschreef het zachtmoedige, armoedige en nederige voorbeeld van Christus. Ik gevoelde trots, voornaamheid, ijdelheid en hoogmoed in me. Hij stelde Christus voor als de Wijsheid, ik voelde mijn onwetendheid en dwaasheid. Hij beschreef Hem als Rechtvaardigheid, ik was overtuigd van mijn schuld. Hij stalde Hem uit als de Heiligheid, ik zag mijn verdorvenheid. Hij verkondigde Hem als de Verlosser, ik voelde mij een slaaf van de zonde en een gevangene van satan.”

Door de prediking van Christus werd Elizabeth ontdekt aan haar onchristelijke staat. En, „in Zijn volheid heb ik alles gevonden wat mijn armoede kan vullen; in Zijn boezem heb ik een rustplaats van alle zonde en smart gevonden.”

Prinses

Kort na dit gesprek overleed Elizabeth. Wel gegrond was haar hoop en verzekerd van haar zaligheid sprak zij uit: „Overwinning! Overwinning! Door onze Heere Jezus Christus.” Zij steunde niet op haar bevindingen, maar alleen op de aangebrachte gerechtigheid van haar Borg en Middelaar. Toen Richmond vroeg of Zijn beloften haar nu niet erg dierbaar waren, antwoordde ze: „Ze zijn alle ja en amen in Christus Jezus.”

Dit eenvoudige meisje werd tot buiten de landsgrenzen bekend toen Richmond haar geschiedenis in boekvorm de wereld in stuurde. ”The dairyman’s daughter” werd in enkele talen overgezet. De Russische prinses Sophia Metchersky vertaalde het in haar moedertaal. Deze hooggeplaatste Russische vrouw voelde zich verbonden met de eenvoudigen zoals Jenny en Elizabeth, omdat zij hetzelfde leven in beginsel kende.

Zij was arm van geest en rijk in het geloof, wat moge blijken uit een gedeelte van een brief die zij aan Richmond richtte: „O mijnheer! U weet misschien niet aan welk een onwaardig schepsel u schreef. Ik heb mijn hele leven in de onwetendheid van Hem doorgebracht Die mij het eerst heeft liefgehad en mij heeft opgezocht toen ik mijn verderf verhaastte in een leven van vijandschap tegen mijn God. Hij zocht mij op en zond genadiglijk zijn dienstknecht Pinkerton om mijn ogen en mijn oren te openen door de kracht van Zijn Woord, zodat ik helder zag welk een zondig, goddeloos schepsel ik ben, wat een genadige, barmhartige God om te beledigen en hoe vriendelijk en altijd gereed en gewillig onze Zaligmaker Jezus Christus is om ons te ontvangen...”

Richmond kwam als huispredikant van prins Edward, de vader van koningin Victoria, wel meer in aanraking met vooraanstaanden in den lande. Hij leefde in de nadagen van de grote opwekkingen waaraan de namen van de anglicaanse predikanten John Wesley en George Whitefield verbonden zijn. Aan het einde van de achttiende eeuw richtten vooral anglicanen die affiniteit hadden met de opwekkingsbeweging zich op sociale miststanden.

Behalve Wilberforce zijn Henry Thornton, Hannah More en Charles Simeon bekende namen, van wie de laatste zich vooral heeft ingezet voor de zending onder de heidenen. Deze beweging, die van 1780 tot 1840 van zich liet horen, wordt wel de Clapham Sect genoemd. Richmond voelde zich met deze beweging verbonden. De armen en behoeftigen hadden zijn hart.

Andere verhalen

Dit komt niet alleen naar voren in de twee genoemde boekjes maar ook in andere verhalen die met die van Jenny en Elizabeth gebonden werden in ”Annals of the poor”. Kooistra zorgde ook voor een Nederlandse vertaling, onder de titel ”Het leven der amen”. Het betreft vijf levensverhalen van arme bewoners van het eiland Wight, zoals ”Het gesprek in de hut”, ”Bezoek aan het ziekenhuis” en ”De negerbediende”.

Appel Richmond tot voorgangers

„Predik Christus, als een vrije, volle, volmaakte en genoegzame Zaligmaker voor de grootste van de zondaren. De schapen van Christus, of zij nu hier of in het buitenland wonen, zullen de stem van de goede Herder en van geen ander horen en kennen. Verkondigt alom: „Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.” En zo wordt het wonder van mensen en engelen vervuld, „opdat God rechtvaardig zij en de Rechtvaardiger van de zondaar die in Jezus gelooft.”

Predik het bloed van Christus in zijn verzoenende en reinigende kracht. Zend herders als zendeling naar zondaren uit, om de kudde van Christus onder de heidenen met het gezonde brood en het zuivere water des levens te voeden. Wij moeten in deze zaak niet dralen. Het is Gods zaak.”