Dineke Houtman: Kerk heeft bagage nodig voor joods-christelijk gesprek

Prof. dr. Dineke Houtman nam maandag afscheid van de PThU in Amsterdam. beeld PThU

Prof. dr. Dineke Houtman, universitair docent semitica en bijzonder hoogleraar judaïca, nam vandaag afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam. Eenentwintig jaar was ze verbonden aan het opleidingsinstituut voor predikanten. Ze blikt terug.

U bent uw leven lang al geïnteresseerd in alles wat met het jodendom te maken heeft. Hoe ontwikkelde zich dat?

„In mijn jeugd in de vrije evangelische gemeente in Groningen was er al veel aandacht voor Israël, als volk en land. Doordat we in 1979-1980 een jaar met ons gezin in Tel Aviv woonden voor de studie van mijn man, werd die interesse aangewakkerd en besloot ik bij terugkomst Semitische talen en culturen te gaan studeren. Ik koos als hoofdvak Hebreeuws en daarmee, in zekere zin ook toen al, voor de studie van joodse religieuze teksten. Ook Aramees bleek daarbij een belangrijk en nuttig vak.”

Wat vond u zo fascinerend aan het werken met de grondteksten van de Schrift? En specifieker: met de Semitische talen en culturen?

„Ik ontdekte al gauw dat bij vertalingen heel veel verloren gaat. Dat geldt natuurlijk voor iedere taal, maar bij het Hebreeuws nog meer dan bij andere talen. De taal leent zich erg voor woordspel en de Bijbelschrijvers en de latere rabbijnen maakten daar dankbaar gebruik van. In een vertaling gaat dat veelal verloren. Een ander punt dat me fascineerde is dat de mensheid eigenlijk maar zo weinig veranderd is in de loop van de geschreven geschiedenis. De oudste Bijbelteksten zijn daardoor nog steeds actueel: we kunnen ons nog steeds herkennen in de Bijbelpersonages; in al hun menselijke krachten en zwakheden.”

U bent al meer dan twintig jaar verbonden aan theologieopleidingen. Hoe was die begintijd?

„Ik werkte vanaf 1996 in Kampen, aan wat toen nog de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) heette. De eerste jaren werkte ik er voornamelijk als onderzoekster, in 2003 werd ik aangesteld als docente. In 2007 kwam daar het bijzonder hoogleraarschap bij. Mijn eerste groep Hebreeuws in 2003 bestond uit acht studenten, allemaal meisjes. Dat was een leuke en gemakkelijke start. Alle jaren in Kampen bleven de groepen klein, en dat was fijn werken. Er was een vrij hechte band tussen de studenten onderling en tussen studenten en docenten. Ik ben in die tijd bijvoorbeeld twee keer met een groep studenten naar Israël geweest op studiereis.”

Hoe hebt u uw werk zien veranderen na de fusie die leidde tot de Protestantse Theologische Universiteit (PThU)?

„Met de verhuizing in 2012 naar Amsterdam ontstond er een heel nieuwe situatie. Door de samenvoeging van onze bachelor met die van de Vrije Universiteit waren er opeens grote groepen van zo’n dertig tot veertig studenten. Dat vereiste een heel andere onderwijsaanpak. Opeens waren we niet meer autonoom in onze besluiten, maar moesten we ons voegen in de strakke regels van de VU qua opbouw en planning van de modules en de collegetijden. Het werd nog moeilijker dan voorheen om voldoende tijd en aandacht op te eisen voor de studie van Hebreeuws en jodendom. Je ziet ook dat studenten hun drukke levens –van studie, bijbaantjes en het studentenleven– goed moeten plannen. Daardoor zijn ze minder geneigd wat extra vakken te doen gewoon omdat het ze interesseert.”

Uw specialisatie was de bijzondere aandacht voor de verhouding van jodendom en christendom. Altijd lijkt hier een soort van spanning in te zitten.

„Ja, daar zit zeker een spanning. Vroeger was die spanning vooral theologisch, tegenwoordig komt daar een sterk politieke component bij. Joden worden geassocieerd met de politieke staat Israël. Als Israël negatief in het nieuws komt slaat dat ook terug op de joden in Nederland. Dat is een vreemde situatie. Israël wordt, vind ik, ook wel heel erg kritisch gevolgd en kan het niet gauw goed doen. Als we als bijvoorbeeld de situatie van de christenen in Israël nemen, dan is die –hoewel niet ideaal– heilig vergeleken met die in de omringende landen in het Midden-Oosten.”

Als u kijkt naar de toekomst van de theologieopleidingen en de aandacht voor het jodendom, wat moet volgens u dan de focus zijn?

„In het basiscurriculum van de bacheloropleiding moet voldoende ruimte zijn voor het Hebreeuws en aandacht voor zowel het vroege jodendom als het levende jodendom. Die ruimte is er nu te weinig. In het algemeen zou er meer vrije ruimte in de leerplannen moeten zitten om de echt gemotiveerde studenten de kans te geven zich te verdiepen in vakken die hun hart hebben en waar hun talenten liggen.

Ik zou het verder toejuichen als een studiereis naar Israël vast onderdeel van het leerplan zou zijn. In de masterstudie moet de mogelijkheid geboden worden voor een specialisatie jodendom. De kerk van de toekomst heeft mensen nodig die voldoende intellectuele bagage hebben om deel te nemen aan het joods-christelijke gesprek.”

Krijgt u met uw pensionering nu veel vrije tijd?

„Er komt niet zo veel meer vrije tijd. Ik was dit jaar al met levensloopverlof voor een deel van mijn tijd, dus ik deed het al rustiger aan. Er liggen nog aanvragen voor lezingen en artikelen en er ligt een onaf boek over de Targoem op Jesaja te wachten om afgerond te worden. De grootste winst ligt erin dat ik nu tijd heb om dingen rustig en goed te doen.”

----

Lees ook in Digibron:

“Eindelijk een vrouw in een Kamper jurk” – interview met prof. dr. Dineke Houtman bij haar benoeming tot bijzonder hoogleraar judaïca aan de Theologische Universiteit Kampen (Reformatorisch Dagblad, 14 september 2006).