Dichtkunst Jacqueline van der Waals: bescheiden maar zuiver

Jacqueline van der Waals. beeld Letterkundig Museum
3

De begaafde dichteres Jacqueline van der Waals leeft 150 jaar nadat ze geboren werd nog altijd voort in ons collectieve geheugen. Vanwege een gedicht als ”Najaarslaan”. Maar vooral ook in een aantal liederen. Daarvan spant ”Wat de toekomst brengen moge” de kroon.

Dat Jacqueline Elisabeth van der Waals (1868-1922) gezangen zal maken die veelvuldig in kerken, bij kampvuren en in huiskamers zullen klinken, is aan het begin van de vorige eeuw niet haar opzet. Ze wordt ervoor gevraagd.

Dat is pas in 1910, als ze de 40 al gepasseerd is. In februari dat jaar komt er een brief van Suzanna Maria van Woensel Kooy. Deze ”mejuffrouw” uit Bussum, actief als evangeliste, dirigente en dichteres, wil een bundel ”Zangen” samenstellen. Daarvoor schakelt ze eigentijdse dichters in. Hélène Swarth bijvoorbeeld, een van de Tachtigers. Maar het oog van de ”mejuffrouw” –die op dat moment 34 is– is ook op Van der Waals gevallen. Of zij voor haar een aantal gezangen uit twee Duitse bundels wil vertalen?

Van der Waals gaat op de uitnodiging in: „Ik wil gaarne mijn krachten beproeven op de no’s die u mij opgaf”, schrijft ze aan Van Woensel Kooy. Ze levert vervolgens een aantal vertaalde teksten in – overigens niet alleen van Duitse herkomst, maar ook van Engelse dichters als Augustus Montague Toplady en John Henry Newman. Ze krijgt er 25 gulden voor.

Niet alles wat Van der Waals aanlevert gebruikt de Bussumse evangeliste ook daadwerkelijk. Maar als in 1911 de liedbundel ”Oude en nieuwe zangen” verschijnt, staan daar toch zeven teksten van Van der Waals in: zes vertalingen en één eigen tekst. De laatste –”Die mijns harten vrede zijt”– heeft Van Woensel Kooy aan Van der Waals’ bundel ”Nieuwe verzen” uit 1909 ontleend.

Vaste Rots

Zo is de naam van de Amsterdamse dichteres vanaf dat moment verbonden aan teksten zoals ”Zegen ons Algoede”, ”De Heer regeert, beveel uw paden”, ”Leid door de zwarte nacht die om mij is” –later veranderd in ”Leid, vriend’lijk licht”– en ”Vaste Rots van mijn behoud”.

Dat laatste lied –van Toplady– had wel wat voeten in aarde gehad. Van Woensel Kooy had namelijk ongevraagd aanpassingen gemaakt in de teksten van Van der Waals. En dat vond de laatste blijkbaar niet bepaald leuk toen ze dat in de uitgave te zien kreeg, want ze klom er in oktober 1911 speciaal voor in de pen. Ook in andere liederen waren regels aangepast, maar in het lied van Toplady had Van Woensel Kooy zelfs de beginregel veranderd. Van der Waals had aangeleverd: ”God op wien mijn ziel vertrouwt”. In de uitgave begint haar lied echter zo: ”Vaste Rots van mijn behoud”.

Toch is Van der Waals zo groot om te schrijven dat ze de nieuwe beginregel „precies even goed” vindt. Sterker nog, als ze in 1918 haar derde dichtbundel –”Iris”– uitbrengt en daarin haar vertaling van het lied van Toplady opneemt, doet ze dat mét de beginregel van Van Woensel Kooy.

Ze blijft na 1911 vertalingen leveren voor de Bussumse evangeliste. Die brengt in 1914 en 1918 uitgebreide herdrukken van haar bundel ”Oude en nieuwe zangen” op de markt, waarin ook nieuwe teksten van Van der Waals staan, waaronder het Goede Vrijdaglied ”Als ik in gedachten sta”.

Wat de toekomst brengen moge

Ook anderen vragen Van der Waals om liederen. De hervormde predikant ds. A. J. P. (Jo) Boeke bijvoorbeeld, uit het Noord-Hollandse Schoorl. Deze muzikale dominee, die altijd bezig is met oude en nieuwe gezangen, ziet graag dat de Amsterdamse dichteres Engelse liederen voor hem vertaalt. Die kan hij dan gebruiken tijdens zangdiensten in Schoorl. De ”Algemeen Godsdienstige Keurbundel” die ds. Boeke in 1920 samenstelt, bevat zeven gezangen van Van der Waals, waaronder het avondlied ”De dag door uwe gunst ontvangen”.

De dichteres raakt ook betrokken bij het werk van een commissie van de Nederlandse Protestantenbond die voor „vrijzinnig-godsdienstig Nederland” een vervolg moet maken op de zangbundel ”Godsdienstige Liederen” van 1882. In het voorbericht melden de commissieleden dat Van der Waals hen „met raad en daad terzijde stond.” Als de ”Vervolgbundel van de Godsdienstige Liederen” in 1920 verschijnt, staan er acht liederen van de dichteres in: naast vertalingen van Duitse en Franse gezangen ook twee eigen teksten.

En daar treffen we voor het eerst het lied aan dat beroemd zal worden: ”Wat de toekomst brengen moge”. Het staat in de rubriek ”Vertrouwen” en heeft als titel: ”Volg en vraag niet”. In drieeënhalve strofe vertolkt Van der Waals een bijna onbegrensd vertrouwen op God met het oog op een onzekere toekomst.

Vaak is deze tekst van de dichteres verbonden aan het moment in haar leven dat ze te horen krijgt dat ze maagkanker heeft en niet meer beter kan worden. Dat klopt echter niet, want dat moment is pas in de vroege zomer van 1921. Dan is het lied al lang en breed gepubliceerd.

”Wat de toekomst brengen moge” heeft daarom waarschijnlijk een andere achtergrond. Van der Waals, die al vroeg haar moeder had verloren, woont rond 1920 nog altijd bij haar vader in Amsterdam. Deze is dan de 80 al gepasseerd en zal in 1923 overlijden. De ongetrouwde dochter moet in die tijd plannen hebben gehad om op zichzelf te gaan wonen en om haar eigen leven te gaan leiden. Zo tenminste verwoordt ze het zelf in haar gedicht ”Annunciatie”, waarin ze tekent hoe de Dood haar opzoekt.

In verband met het achterlaten van het ouderlijk huis en met het oog op het „onbekende land” voor haar kan ze haar geloofsvertrouwen op God hebben vertolkt in het beroemd geworden lied.

Ontroering

De Groningse hymnoloog dr. Casper Honders heeft gezegd dat ”Wat de toekomst brengen moge” kenmerkend genoemd kan worden voor het „bescheiden, zuivere dichterschap” van Van der Waals. Die typering geldt ook de meeste van haar andere bekend geworden liederen.

In totaal zijn ruim 25 teksten van deze dichteres terechtgekomen in allerlei lied- en gezangbundels. Met name de hervormde zangbundel van 1938, waarin acht liederen van haar staan, heeft bijgedragen aan de populariteit van Van der Waals. Zes vertaalde liederen en één eigen creatie –”Wat de toekomst brengen moge”– worden nog altijd gezongen (zie kader ”Top 7 Van der Waalsliederen”).

Niet al haar vertalingen en originele liedteksten zijn even sterk; er zijn ook zwakke verzen gepubliceerd. Van der Waals zelf is er zich in 1910 ook al terdege van bewust dat het hondsmoeilijk is om een klassiek lied als ”Lead, kindly light” van John Henry Newman, dat zo iemand „in de opperste ontroering” gemaakt heeft, op een goede manier naar het Nederlands over te brengen. Ze schrijft in een brief: „We kunnen dan alleen iets van de schoonheid van het origineel benaderen, wanneer we ons geheel trachten te geven, niet alleen in het gevoel, in de ontroering van den dichter (ik gebruik met voordacht niet het woord gedachte, want zoolang gedachte nog niet tot ontroering is geworden, kan ze geen poëzie zijn) maar ook in zijn manier van iets uit te drukken, die in een goed vers nooit toevallig is of willekeurig veranderd kan worden.”

Die „ontroering” heeft deze begaafde en gelovige vrouw in een aantal liederen goed tot uitdrukking weten te brengen. Bijvoorbeeld in haar mooie en indringende vertaling van het Duitse lijdenslied ”Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen”, door haar weergegeven als: ”Noem d’overtreding mij, die Gij begaan hebt”.

Maar die „ontroering van den dichter” is zeker ook aanwezig in haar eigen lied ”Wat de toekomst brengen moge”, waarin de eenvoud van het godsvertrouwen en de zuiverheid van de dichtkunst hand in hand gaan.

Top 7 Van der Waalsliederen

De top 7 van bekendste liederen die Van der Waals maakte, wordt gevormd door het volgende (alfabetische) rijtje:

1. Als ik in gedachten sta

2. De dag door uwe gunst ontvangen

3. Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht

4. Noem d’overtreding mij, die Gij begaan hebt

5. Vaste Rots van mijn behoud

6. Wat de toekomst brengen moge

7. Zegen ons Algoede

Het gaat om vertalingen van Duitse en Engelse gezangen, én één eigen tekst: ”Wat de toekomst”.

De eerste zes werden opgenomen in de hervormde bundel van 1938, waardoor ze een brede verspreiding kregen. In het ”Gezangboek” van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (de hernhutters) uit 1968 stonden maar liefst negen teksten (soms bewerkt) van Van der Waals, waaronder bovenstaand rijtje.

In het Liedboek voor de kerken uit 1973 zijn vier gezangen (de nummers 2, 4, 6 en 7) van Van der Waals opgenomen. Het nieuwe Liedboek uit 2013 telt nog drie teksten (de nummers 2, 6 en 7) van de dichteres. De bundel ”Weerklank”, die in 2016 in hervormd-gereformeerde kring verscheen, heeft vijf liederen (de nummers 1, 2, 4, 6 en 7) van Van der Waals.

Het lied ”Vaste rots” is in beide laatste bundels ingewisseld voor de vertaling die Willem Barnard van het oorspronkelijke lied ”Rock of ages” maakte: ”Rots waaruit het leven welt”.

Jacqueline van der Waals: leven in Godsvertrouwen

Jacqueline Elisabeth van der Waals was de dochter van een Nobelprijswinnaar. Wie terugdenkt aan de natuurkundeles van vroeger, herinnert zich wellicht nog de vanderwaalskrachten – die zijn naar Jacquelines vader genoemd.

Ze verkeert als opgroeiend kind met haar broer en twee zussen in een bevoorrecht milieu. Ze mag verder leren, eerst voor onderwijzeres, later voor geschiedenislerares, maar een baan zoeken hoeft ze niet. Ze vult haar dagen zoals jonge dames van goeden huize in haar tijd doen: lezen, studeren en schrijven, maar ook reizen en sporten: tennissen, wandelen, schaatsen en bergbeklimmen. Op persoonlijk vlak zoekt ze naar de zin van het leven. Ze wordt verliefd op een man die in haar gedichten en roman voorkomt als ”Jaap”, maar de geschiedenis loopt op niets uit: Jacqueline zal haar leven lang ongehuwd blijven.

Rond haar dertigste doet ze voor het eerst pogingen om een gedicht in een literair tijdschrift geplaatst te krijgen. Dat lukt niet meteen: ze krijgt afwijzingen van zowel het Tweemaandelijksche Tijdschrift als De Gids. Maar nadat haar eerste bundel ”Verzen” in 1900 verschenen is, mag ze ook regelmatig in het tijdschrift Onze Eeuw publiceren. Dat alles doet ze onder het pseudoniem U.E.V. (Una Ex Vocibus, één uit de stemmen).

Intussen schrijft ze ook verhalen en sprookjes en werkt ze aan een roman, ”Noortje Velt” (1907). Vanaf 1910, bij de verschijning van haar ”Nieuwe verzen”, zet ze eindelijk de stap naar de openbaarheid: ze geeft haar pseudoniem op en laat haar eigen naam voluit op de omslag zetten. Steeds bekender wordt ze, ze schrijft artikelen en kritieken, ze vertaalt gezangen en ze schrijft gedichten die een breed draagvlak vinden. Als dichteres voelt ze zich een werktuig in Gods hand, zoals blijkt uit het mooie en bekende gedicht ”De herdersfluit”.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat haar prozawerk de eeuwen niet doorstaan heeft, maar haar enige roman biedt nog altijd een bijzonder inkijkje in haar leef- en denkwereld. Hoofdpersoon Noortje heet voluit Ursule Eleonora Velt (U.E.V.), en daarmee suggereert de schrijfster dat het verhaal autobiografisch is, al komen niet alle details overeen met haar eigen leven. Deze roman laat dan ook zien wat haar tot dichten heeft gedreven, zoals Henk van der Ent in zijn biografie over haar schrijft: „de dood van haar moeder, de teruggetrokkenheid van haar vader, haar twijfel, haar zoeken naar een zinvol leven, haar ongelukkige liefde, haar overgave aan God.”

Met die woorden is de levensloop van Jacqueline van der Waals in een notendop weergegeven. Het einde komt tamelijk vroeg: de dichteres krijgt te horen dat ze kanker heeft en ze sterft al op 53-jarige leeftijd – haar vader leeft dan nog. Maar het zijn juist die laatste levensjaren waarin haar poëzie hoger stijgt dan ooit. De woorden waarin ze haar ziekte aanvaardt en haar vertrouwen op God uitspreekt, hebben nog altijd vleugels:

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij

En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,

Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,

Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

De herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet,

Dat ruischen kan en anders niet,

Toen, langs mijn pad, een herder kwam,

Die één van deze halmen nam,

En dien besnoeide en besneed,

En maakte tot zijn dienst gereed.

Door dit gekorven rietje, dat

Als dood hij in zijn handen had,

Dien stemmeloozen stengel zond

Hij straks den adem van zijn mond,

En, als hij blies, zoo zong het riet,

En, als hij zweeg, verstomde ’t lied:

De zoete, pas ontwaakte stem

Bestond en leefde slechts door hem.

Zoo gaf ik gaarne wensch en wil

In ’s Heeren hand en hield mij stil.

Zoo dan, als door een rieten fluit,

Bij zwijgend eigen stemgeluid,

Gods adem door mij henen blies,

Hoe groote winst bij kleen verlies!

Uit: ”Nieuwe verzen” (1910)