„Debat rond creationisme afkomstig uit VS”

De gereformeerde voorman Abraham Kuyper stelde dat het christelijk geloof en het evolutionisme niet met elkaar te verenigen zijn. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

APELDOORN – Het debat tussen creationisme en evolutietheorie leeft. Nederland loopt sinds de jaren 70 van de vorige eeuw voorop in het promoten en doordenken van het jonge­aardecreationisme, zei ooit een historicus. Creationisten zijn in vergelijking met andere Europese landen oververtegenwoordigd in Nederland. Maar waar komt het creationisme vandaan?

Wetenschapshistoricus drs. Ab Flipse, werkzaam aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, ging in het Amerikaanse tijdschrift Church History recent zo’n 130 jaar terug in de tijd. Hij begon bij de gereformeerde voorman Abraham Kuyper.

De contacten van Kuyper met de Verenigde Staten vormen de opmaat voor Flipses stelling: critici van de evolutietheorie in Nederland hebben zich voor hun opvattingen diepgaand gebaseerd op het werk van Amerikaanse creationisten. Hij beperkt zich daarbij tot gereformeerden en evangelicalen en laat de bevindelijk gereformeerden buiten beschouwing.

Christelijke wetenschap

In een rectorale rede uit 1899 stelde Kuyper dat het christelijk geloof en het evolutionisme niet met elkaar te verenigen zijn. Want, zo zei Kuyper onder andere verwijzend naar Anglo-Amerikaanse bronnen, er is een tegenstelling tussen een scheppende en voorzienige God en het ontstaan van de wereld als een natuurlijk, niet-doelgericht proces. Volgens Kuyper moest er daarom een christelijke wetenschap komen, die uitging van andere vooronderstellingen. Toch kon hij, net als zijn rechterhand theoloog Herman Bavinck, geloof en wetenschappelijke resultaten niet op één lijn krijgen. Hij wilde dat ook niet altijd.

Synthese

Na hun dood trad in het inter­bellum een nieuwe gereformeerde generatie aan. Biologen als J. P. de Gaay Fortman en 
J. H. Diemer wilden de wetenschappelijke resultaten accepteren. Het concordisme, de poging om geloof en wetenschap ineen te schuiven, had voor hen echter afgedaan. Maar zij zochten wel naar synthese: geloof en wetenschap in één christelijke wereldbeschouwing. Diemer vond dat de „essentie van de evolutie een plan is van Gods Geest.”

Theologen hadden het in die tijd echter nog voor het zeggen in de gereformeerde zuil. Ze gingen overzee te rade en kwamen terecht bij de Canadese amateurgeoloog en zevendedagsadventist George McCready Price. Price was destijds een van de weinigen die de ouderdom van de aarde op 6000 jaar schatten. Fossielen waren volgens hem afgezet door een wereldwijde zondvloed. Dogmaticus prof. V. Hepp en oudtestamenticus prof. G. Ch. Aalders gebruikten zijn argumenten, stelt Flipse.

Rehwinkel

De natuurwetenschap zou echter na de Tweede Wereldoorlog het pleit beslechten. Wetenschappers als de bioloog J. Lever (1922-2010) en geoloog J. R. van de Fliert (1919-2001) waren binnen de Gereformeerde Kerken de grote voortrekkers van het idee dat evolutie verenigbaar is met een christelijke wereld­beschouwing. Ze baseerden zich op Kuyper, die volgens hen een evolutieleer zonder God had afgewezen, maar evolutie als manier van scheppen niet. Een nieuwe generatie theologen en de kerkelijke elite gingen mee. Daarna luwde het debat, toen de Vrije Universiteit begin jaren zeventig haar gereformeerde veren langzaam maar zeker afschudde.

Het creationisme in Nederland, dat vanouds veel aanhang had onder gewone kerkleden, kreeg opgang in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, ontstaan in 1944, en later in de opkomende evangelische beweging.

Een groep vrijgemaakt gereformeerden liet in 1970 een vertaling uitkomen van A. M. Rehwinkels ”De zondvloed. In het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie”, volgens Flipse een min of meer gepopulariseerde versie van de ideeën van Price. Ook was er aandacht voor de nieuwe creationistische inzichten van John C. Whitcomb Jr. en Henry M. Morris.

Tegencultuur

Opmerkelijk is het, zo schrijft Flipse, dat op die manier het jongeaardecreationisme door Nederlanders zelf is binnengehaald in een poging om het oprukkend evolutionisme te weerstaan. In vrijgemaakt gereformeerde kring was er echter ook „forse kritiek.” Zoals van de invloedrijke theoloog prof. J. Kamphuis, die stelde dat de „fundamentalistische” exegese van de creationisten niet-gereformeerd was.

De EO, opgericht in 1967, was erg succesvol in het tamboereren op de juistheid van het strikte creationisme. Creationisme werd in Nederland volgens Flipse een belangrijk kenmerk van de orthodoxe „tegencultuur”, die zich keerde tegen de geseculariseerde werkelijkheid.

Eind jaren 70 was de kloof tussen de rekkelijken en preciezen, de calvinistische evolutionisten en de creationisten, onoverbrugbaar geworden.

Gezien de debatten over Intelligent Design (2005) en het Darwinjaar (2009) is het creationisme volgens Flipse in Nederland nog steeds springlevend.