De verandering van rebel Wim Grandia

Het Gesprek
Beeld RD, Anton Dommerholt

Gebeurtenissen in zijn jeugd haalden een paar forse krassen over de ziel van voorganger Wim Grandia (57). Ze maakten hem mede tot wie hij nu is. Onbevreesd en gedreven op het podium, een-op-een een tikkeltje onzeker, iemand die het benauwd krijgt van knellende kaders. „Het is belangrijk dat je weet wat je schaduwzijden zijn.”

Sinds een paar jaar heeft Grandia een eigen bureau, Grandia CPW. De afkorting staat voor coaching, preaching en writing. Twee dagen in de week rijdt hij vanuit Nieuw-Vennep naar Apeldoorn, waar hij parttimevoorganger is van evangelische gemeente Berea De Maten.

Wim kwam ter wereld als vijfde in een rij van zes kinderen, in een „degelijk reformatorisch nest.” Schrijfster Marianne Grandia is zijn jongste zus. Na Alphen aan den Rijn woonde het gezin in Montfoort, Hardinxveld en Sliedrecht. Kerkelijk vonden ze onderdak bij de Gereformeerde Gemeenten en na een verhuizing bij een bevindelijke hervormde gemeente. „Dat steeds opnieuw verhuizen heb ik heel akelig gevonden”, vertelt Grandia. „Overleggen met de kinderen, zoals nu veel meer de gewoonte is, deden mijn vader en moeder niet. We gaan verhuizen, punt uit.”

Een heftige puberteit volgt. Als jonge tiener neemt hij innerlijk afscheid van kerk en geloof. „Dat had ongetwijfeld te maken met het beeld dat ik van God had opgebouwd in mijn kindertijd. Ik was ontzettend bang voor Hem. Daardoor kreeg ik een afkeer van Hem en van alle regels die godsdienst meebrengt.”

Wat ook niet meewerkte, was dat hij de middelbare school bezocht waar zijn vader een aanstelling had als godsdienstleraar. „Bij een groot deel van de leerlingen was hij behoorlijk impopulair en ze vonden het wel een goed idee om mij daar medeverantwoordelijk voor te maken. Ik ben door twee jongens in elkaar getrapt omdat ze een buitengewoon groot portie strafwerk van mijn vader hadden gekregen. Dat reageerden ze op mij af.

Oké, dacht ik, nu waren jullie aan zet, maar de volgende keer ben ik de eerste. Ik werd een vechtersbaas, een rebels jong; de buitensporige reactie van een wanhopig naar identiteit zoekende tiener. Wat zou ik nu graag een gesprekje hebben met die jongen van veertien van toen.”

Wat zou u tegen hem zeggen?

„Wat de schooldirecteur tegen mij zei toen ik bij hem moest komen. „Hoe komt het nou dat jij het met alle leraren aan de stok krijgt? Wat bezielt jou?” Ik heb toen verteld dat ik me erg gefrustreerd, onbegrepen en boos voelde. Ik zei: „Ik zal er alles aan doen om te voorkomen dat ze mij het lieve zoontje van de godsdienstleraar gaan noemen.” Hij stelde voor om samen te praten als ik eruit getrapt zou worden. Die man heeft heel wat uurtjes in mij gestoken. Hij liet met een vriendelijk woord en een warme blik zien dat er genade is voor iemand die als een zondaar leeft – want dat deed ik in velerlei opzichten.”

Hoe zagen die wilde jaren eruit?

„Uiterlijk leek ik een keurige kerkjongen, maar ik maakte deel uit van een jongerengroep, een bende, die de Alblasserwaard onveilig maakte met diefstal in winkels en kleedkamers van sportlocaties. Een echte crimineel ben ik nooit geworden, wel werd ik op een dag op heterdaad betrapt. Dan zit je als zestienjarige opeens in een politiecel met vier muren om je heen. Voor het eerst na vier jaar heb ik toen weer gebeden. Ik kreeg een halfjaar voorwaardelijke celstraf. Als ik nog een keer gepakt zou worden, moest ik de bak in.

Gek genoeg maakte dat alles extra spannend, dus ik ben er nog een halfjaar mee doorgegaan. Foute vrienden, criminaliteit, seks, drank… Mijn gedrag was niets anders dan een krampachtige poging om de zwarte leegte in mij te vullen. Tot ik als zeventienjarige een leeftijdgenoot tegenkwam die een levende relatie met God had. Ik vroeg hem het hemd van het lijf, soms totdat de zon weer opkwam. Ik was zo jaloers op die gozer. In deze gesprekken ontdekte ik dat ik met God een vertrouwelijke, persoonlijke relatie mocht hebben.”

Kort daarop herhaalt Grandia het gebed dat hij een jaar eerder in de politiecel bad. „Heel eenvoudig. Als U echt bestaat, wilt U dan mijn hart binnenkomen? Toen was het alsof de bliksem insloeg. Er was een overgang van zwart naar wit, van hopeloos naar hoopvol, van slecht naar goed. Ik wist: Hij is er, Hij bestaat. Ik mag door het geloof in de Heere Jezus een zoon zijn in plaats van een rebelse opstandeling. Dat geloof kwam zo diep binnen dat het –hoewel aangevochten– nooit meer is verdwenen.”

Samen met uw eerste vrouw, die in 2009 overleed, kreeg u vijf kinderen, onder wie een dochtertje met het syndroom van Down, Fiona. Hoe beleefden jullie haar komst?

„Wij hebben haar als een bijzonder geschenk van God ervaren. We waren er niet op voorbereid. Een halfuur na haar geboorte kwam de verloskundige de kamer binnen met de woorden: „Ik moet jullie iets vertellen. Jullie hebben een mongooltje gekregen.” Dat mocht je toen nog zeggen. Daarna liet ze ons alleen. Mijn vrouw en ik huilden samen en brachten deze gebeurtenis in gebed. En we hebben gezegd: Ze is welkom. We willen er voor haar zijn. Fiona is nu 27.”

Hoe zou u haar typeren?

„Ze is een geweldig mens. Haar vaak ontroerende eenvoud, haar geloof, zo ongecompliceerd, zo oprecht. Er is niemand bij wie ik zo mezelf durf te zijn als bij haar. Want hoe gek ik ook doe, ze vindt alles leuk. We hebben het heel goed samen. Vroeger hoorde je mensen weleens zeggen: „Ons mongooltje is het zonnetje in huis.” Ja ja, dacht ik dan, maak het maar leuk. Maar Fiona is echt een aanwinst voor ons gezin.”

Hoe ging zij om met het verlies van haar moeder?

„Ze heeft het er nog steeds moeilijk mee. Ik zal niet zeggen dat ze blijft hangen in het verdriet, maar het verwerkingsproces verloopt bij haar anders dan bij andere mensen. Ze kan moeilijk woorden geven aan haar gevoelens. Soms krijg ik een appje: „Papa, ik ben verdrietig.” Waarom dan, vraag ik. Dat weet ze niet. Waarschijnlijk heeft iemand bij de dagbesteding iets gezegd als: „Mijn mama is morgen jarig.” Dat herinnert haar aan haar verdriet.”

Overleed uw vrouw onverwacht?

„De huisarts verwees haar door naar de gynaecoloog, maar de vermoede vleesboom bleek een kankergezwel te zijn. We kregen te horen dat haar longen vol zaten met uitzaaiingen en dat er niets meer aan te doen was. Deze berichten kwamen volkomen onverwacht. We kregen als gezin tien maanden om afscheid van elkaar te nemen. De moeilijkste maanden van mijn leven en tegelijk de mooiste. Je komt terecht in de diepte van rouw, verlies, wanhoop en verwarring, maar ook in die van geborgenheid, genade en gek genoeg zelfs vreugde. Dan ga je begrijpen wat Paulus bedoelt met de vrede die alle verstand te boven gaat. Maar laat ik het niet te positief maken. Het was ook gewoon verschrikkelijk. Het is bijna tien jaar geleden dat ze ziek werd en ook al ben ik inmiddels opnieuw getrouwd, nog steeds kan ik intens huilen om het verlies. Dat zal ook blijven, denk ik. Dat mag ook.”

U werkte ruim 25 jaar voor de EO en sprak 4 keer tijdens de EO-Jongerendag. Wat wilde u jonge mensen meegeven?

„Dat vat ik samen in één naam: Jezus. Alles wat een mens in dit leven en in het eeuwige leven nodig heeft, ligt besloten in Jezus. Zonder Hem ben je niks en heb je niks.”

Tijdens de EO-Jongerendag nemen beleving en emotie een grote plaats in. Bent u niet bang dat jongeren dat gaan verwarren met geloof?

Direct: „Ja. Ja, nogal. Ik heb in de loop van de jaren verschuivingen gezien. Ik zie mezelf nog zitten met Jan van den Bosch en Henk Binnendijk, nadenkend over het programma in Stadion Galgenwaard in Utrecht. Het uitgangspunt was: ’s morgens een toespraak van een halfuur, aan het begin van de middag één van twintig minuten en aan het einde een slottoespraak. Dat was het hart van de jongerendag. Toen ik in 2012 op het podium stond, was ik de enige spreker en kreeg ik achttien minuten. Daarmee zeg ik niet: Vroeger was het goed en nu fout. Ik zou het flauw vinden om de EO onder kritiek te stellen nu ik daar weg ben. Wel constateer ik een verschuiving van woordgericht naar belevingsgericht.”

De zorg is dat de spanning uit de boodschap verdwijnt. Dat er een lievig Evangelie overblijft.

„Het Evangelie is de fijnste boodschap die we te bieden hebben aan de wereld. Maar het is ook een verhaal met scherpe kanten, met een tweedeling. We lopen het risico dat we het Evangelie te zoet maken omdat we zo graag laagdrempelig willen zijn. In een preek zei ik eens: „Mensen, er is niets veranderd aan de Bijbelse waarheid dat mensen naar de hel gaan als ze niet in Jezus geloven.” Ik bemerkte een schokeffect. Dat kun je toch niet zo zeggen? was de reactie. Hoezo niet? Jezus zei het toch ook? Onder bevindelijk gereformeerden zal het schokeffect wellicht minder groot zijn, maar over de hele linie gaan de scherpe kantjes eraf.”

U heeft gereformeerde roots. Waaruit blijkt dat?

„Ik heb een diep ontzag voor de heilige God meegekregen en ook de eerbied voor Gods Woord is me met de paplepel ingegeven. Op zondagsschool en tijdens catechisatie deed ik veel basiskennis op.”

Staat u graag op het podium?

„Ja, dat vind ik heerlijk. Ik voel me er als een vis in het water, maar ook veilig. Terwijl ik eigenlijk best verlegen ben. Op een verjaardag ben ik geen gangmaker. Er zijn van die rasechte evangelisten die, waar ze ook komen, binnen vijf minuten alle aandacht hebben. Dat overkomt mij niet.”

Bent u daar jaloers op?

„Wel geweest. Ik had een ideaalplaatje in mijn hoofd van waarin ik allemaal goed zou moeten zijn. Onzekerheid heeft me lang parten gespeeld. In plaats van dat ik ontspannen een preek evalueerde, dacht ik: was het wel goed genoeg? Dat kostte veel energie.”

Loop je dan het risico dat je voortdurend met jezelf bezig bent?

„Inderdaad. Als je last hebt van een negatief zelfbeeld sla je ook snel door naar de andere kant. Dan ga je compenseren. Diep vanbinnen denk ik: wat jij doet, is allemaal niet zo bijzonder. Maar aan de andere kant denk ik stiekem dat ik alles kan. Paulus schrijft in Filippenzen 2 dat je dingen niet uit ijdel eerbejag moet doen. In een andere vertaling staat het woord geldingsdrang. Toen ik dat las, dacht ik: au! Dat zit ook in mij. Dat merk ik vooral –nu word ik even heel eerlijk– als ik met andere sprekers samenwerk. Diep vanbinnen wil je minstens zo goed zijn als zij. Als je de neiging hebt om tegen anderen op te kijken –ik vind anderen al snel beter– voel je al gauw dat venijn van de geldingsdrang.”

U durft zich kwetsbaar op te stellen.

„Ieder mens heeft schaduwzijden. Zeker voor leiders is het goed dat ze zich hiervan bewust zijn. Je schaduwzijden vormen vaak een diep verborgen motivator van je gedrag. Ik heb in mijn kindertijd een aantal keren de boodschap meegekregen: dat kun jij toch niet. Zulke boodschappen vormen de basis voor de rest van je leven. Ik ben nota bene 57 jaar, maar nog steeds voel ik soms de drang om te bewijzen dat ik het wél kan. Snijd alles maar weg wat niet van de Geest is, bid ik weleens. Al ben ik bang dat er dan weinig van me overblijft.”

Wim Grandia

Wim Grandia (Alphen aan den Rijn, 1961) ging al jong aan de slag bij de Evangelische Omroep, waar hij nauw betrokken raakte bij de jongerentak Ronduitclub. Na ruim 25 jaar bij de EO was Grandia van 2006 tot 2014 voorganger van evangelische gemeente Jozua in Dordrecht. Later begon hij zijn eigen coachings- en adviesbureau. Sinds januari 2017 is hij voor twee dagen per week als voorganger verbonden aan evangelische gemeente Berea De Maten in Apeldoorn. Samen met zijn vrouw Gees Grandia-de Heer kreeg hij vijf kinderen. Zij overleed op 4 april 2009 aan kanker. In 2011 trouwde Grandia met Sonja Splinter.