De spanningsvolle verhouding tussen prediking en uitverkiezing

beeld RD
4

„Moet de leer van de verkiezing en verwerping in de prediking wel expliciet aan de orde komen? Of geeft deze leer zo veel voeding aan ernstige geestelijke en pastorale struikelblokken dat predikanten er maar beter over kunnen zwijgen?” Prof. dr. A. Baars wierp deze vragen zaterdag op in een bijeenkomst voor ambtsdragers vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Hersteld Hervormde Kerk, in Werkendam.

Prediking en uitverkiezing kunnen we op verschillende manieren met elkaar verbinden, stelde de emeritus hoogleraar ambtelijke vakken en dogmageschiedenis aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA). Zo kan de prediking onder de beheersing van de uitverkiezing staan of aan dit leerstuk in de prediking helemaal geen aandacht worden besteed. „In beide gevallen zijn de gevolgen hoogst ernstig”, aldus prof. Baars. „In het eerste geval geldt het heil alleen voor de uitverkorenen en wordt zo de toepassing ingesnoerd. In het tweede geval wordt de heilsboodschap van het Evangelie niet gefundeerd in het welbehagen van God en spoelt zo het Bijbelse fundament onder de heilsleer weg.”

Hier geldt volgens hem niet dat spreken zilver en zwijgen goud is. „Zwijgen over deze leer is zeker geen goud, maar veeleer hout, hooi en stoppels. Gezonde woorden spreken over de uitverkiezing is zeker geen zilver, maar 24 karaats goud.”

Terughoudend

De leer van de verkiezing en verwerping moet volgens de emeritus hoogleraar nooit te pas en te onpas ter sprake komen. „Een dienaar van het Woord mag die leer niet krampachtig overal bijhalen. Hij moet terughoudend zijn met het gebruiken van de bijvoeglijke naamwoorden uitverkoren, uitverkoren Kerk, uitverkoren zondaar of Gods keurlingen, zo stelde hij.

Verkiezing kan in de prediking uitdrukkelijk ter sprake komen wanneer het aanbod van genade centraal staat, aldus prof. Baars. Bijvoorbeeld in teksten waar over het woord uitverkiezing, Gods welbehagen, het boek des levens of de liefde van God gesproken wordt. „Hoewel er in de Heidelbergse Catechismus slechts één korte verwijzing naar de uitverkiezing is, moeten wanneer er in de leerdienst stelselmatig over gezwegen wordt, de alarmbellen gaan rinkelen.”

Uitvoerig ging prof. Baars in op wat er in de Dordtse Leerregels over de uitverkiezing ter sprake komt. Hij riep de ambtsdragers op scherpe klippen en zuigende draaikolken te vermijden, zoals de verborgenheden en diepten Gods en Zijn raadsbesluiten niet te doorzoeken.

Zekerheid

De hersteld hervormde emeritus predikant ds. D. Heemskerk sprak over ”De volharding der heiligen”, naar aanleiding van hoofdstuk V van de Dordtse Leerregels, waarin het gaat om de zekerheid van onze eeuwige bestemming. Volgens hem kan er ook sprake zijn van vermeende zekerheid of een oppervlakkige verbondsbeschouwing. „Erger nog van onzekerheid, ook binnen onze kerkelijke achtergrond een groot gevaar om daar de nadruk op te leggen”, zei hij. Hoewel de zekerheid van het heil onderscheiden ervaren kan worden –het Koninkrijk van God is veelkleurig– is de zekerheid een eigenschap van het geloof, stelde de emeritus predikant. Dat wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van twijfel of aanvechting. „De zekerheid van het geloof is echter gegrond op het Woord van God en niet op bijzondere ervaringen en tekenen en wonderen. Met het krijgen van woorden en teksten moeten we voorzichtig zijn. Ze moeten tot verootmoediging leiden.”

Het belang van de zekerheid van het geloof ligt volgens ds. Heemskerk in het geloven in de beloften van God en niet in het gevoel. „De zekerheid van het geloof zit een laag dieper en is een hechtere grond dan het gevoelsleven”, zei hij.

Ook geeft de Heilige Geest getuigenis van de zekerheid van het geloof en komt dat tot uitdrukking in de vruchten van het geloof, als daar zijn een aanhoudende volhardingen en verootmoediging.

Ten slotte kan de zekerheid van het geloof ook een bestreden zekerheid zijn, stelde ds. Heemskerk. „Zekerheid is niet altijd helder en klaar. Maar als er geen twijfel wordt gekend, wordt ook het geloofsleven niet gekend.”