De meest mystieke gereformeerde piëtist

Portret van Theodorus à Brakel. beeld Wikimedia
3

Een proefschrift is nooit over hem verschenen – promotieonderzoek ging aan zijn persoon voorbij. Toch is hij met velen uit zijn tijd over wie wél een dissertatie is verschenen, gelijk te stellen.

Over wie hebben we het? Over Theodorus à Brakel. Prof. dr. W. J. op ’t Hof bestempelde hem eervol als „de meest mystieke gereformeerde piëtist.” Dit mede naar aanleiding van de door À Brakel geschreven boeken. Ontdekkend, lerend en vertroostend is zijn bekendste boek, ”De Trappen des Geestelijken Levens”. De tweede druk (1671) „van Druckfauten gesuyvert” verscheen bij de „Weduwe van Abraham vanden Burgh, Boeckverkoopster in Jan Roonpoorts Tooren-Steegh/in de Gereformeerde Catechismus 1671.”

À Brakel. Inderdaad, de vader van. Zoon Wilhelmus viel wel de postume eer te beurt dat op vrijdag 29 april 1892, des namiddags te 3 uren, door F. J. Los aan de Rijksuniversiteit te Leiden een proefschrift werd verdedigd. Toegegeven: zijn ”Redelijke Godsdienst” is bekender dan de pennenvruchten van zijn vader.

„Op den weg, die van Leeuwarden naar het nabijgelegen dorp Beers leidt, viel ongeveer 1654 iederen Maandagmorgen een aantrekkelijk tooneel te bespieden. Een man, in dien een tijdgenoot gemakkelijk den predikant zou herkend hebben, deed zijn veelgeliefden zoon een eindweegs uitgeleide buiten Beers, bleef dan staan, bad voor hem, en oogde hem zoo lang mogelijk na. Zeer natuurlijk dat de zoon later dikwerf getuigde, dat hij zijn weg naar Leeuwarden biddende placht af te leggen. Die predikant was de vader van onzen held, die zoon de later zoo vermaarde Wilhelmus à Brakel.” Zo begint het proefschrift van Los. Veelzeggend!

Het levenspad van Theodorus à Brakel –eerder heette hij Dirk Gerrits– was geen weg bezaaid met rozen. Integendeel. Vijfmaal binnen drie jaar stond hij aan het graf van volwassen dochters. Zij vreesden allen de Heere. De op één na oudste dochter overleed aan een longaandoening. Vlak voor haar begrafenis kwam het ontstellende bericht dat een andere dochter was verdronken. De boot waarop zij zich bevond, kapseisde en alle elf opvarenden vonden hun graf in het water. Haar lichaam werd nooit gevonden. Theodorus heeft toen enige tijd niet gesproken. „Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.” De oudste dochter bleef in leven. Zijn vrouw Margarietha Homma, met wie Theodorus op 30 januari 1628 trouwde en die een parel in godsvrucht werd genoemd, en zijn enige zoon Wilhelmus overleefden Theodorus. Hij maakte het nog mee dat Wilhelmus in Exmorra de herdersstaf opnam en op 19 maart 1663 trouwde met Sara Nevius. Bekend is dat Wilhelmus’ moeder als een Monica veel voor hem gebeden heeft.

Theodorus, in 1608 in Enkhuizen geboren, kreeg al jong te maken met de eindigheid van het leven. Toen overleed zijn moeder. Zij behoorde tot de gereformeerde religie; zijn vader was rooms. Het voorgeslacht was om het geloof naar het noorden uitgeweken vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Na het overlijden van zijn vrouw ging vader Gerrit à Brakel over tot de Gereformeerde Kerk. Theodorus werd ondergebracht bij oma van moederskant. Geen verkeerd adres: zij onderwees hem vanuit Gods Woord en haar geestelijk leven in de weg der godzaligheid. Theodorus lette op haar levenspraktijk: veel bidden en vasten. Zij stimuleerde hem in het lezen van Gods Woord en daarop gegronde boeken.

Hemels onderwijs

De weg voerde naar Vlissingen – een lange reis vanuit het noordelijke Enkhuizen. Theodorus was toen ongeveer tien jaar. Het motief voor deze verhuizing is onbekend, maar niet buiten Gods voorzienigheid. In Vlissingen kwam hij onder de prediking van de weg ter zaligheid. Zijn vraag was hoe hij rechtvaardig zou kunnen verschijnen voor God. Hij ontving hemels onderwijs, was graag in de eenzaamheid biddende en mediterende, maar zocht ook de gezelschappen van Gods kinderen op.

Lang is hij niet op Walcheren gebleven. Hij keerde terug naar Enkhuizen. Vlot doorliep hij de Latijnse school. Een volgende verhuizing kondigde zich aan; hij vertrok naar Leeuwarden, toen en ook nog daarna een bolwerk van gereformeerd belijden. De predikanten Ruardus Acronius, Johannes Bogerman, Rippertus Sixtus, Tobias Tegnejus en Meinhardus Schotanus brachten een zuivere prediking. Sixtus en professor Schotanus viel de godsvrucht van À Brakel op. Graag zagen ze hem op de kansel. Hij voorzag in zijn levensonderhoud door taken die grensden aan het kerkelijk leven: schoolmeester en tevens koster van de Jacobijnerkerk. Wel een taak rónd de kansel, geen taak erop. Kon dat tweede zonder academische vorming? In 1585 werd een universiteit in Franeker geopend, tien jaar eerder was dat in Leiden het geval. Groningen mocht zich in 1614 universiteitsstad noemen. En Utrecht? In 1634 werd daar een Illustere School gesticht die op 26 maart 1636 tot universiteit werd verheven. Mogelijkheden te over. Maar Theodorus kon, wellicht vanwege zijn leeftijd, geen predikant worden langs de reguliere weg, tenzij gebruik werd gemaakt van toelating tot het predikambt op artikel 8 van de Dordtse Kerkenordening. Dit artikel biedt de mogelijkheid om op grond van singuliere gaven predikant te worden, zonder universitaire studie. Na veel twijfel en aanvechting of hij wel van zijn roeping op houdbare gronden overtuigd was, besloot hij na het horen van een nachtelijke stem uit de hemel deze weg in te slaan. Dit bleek Gods weg te zijn; in 1637 werd hij beroepbaar. Op 13 maart 1638 volgde een combinatieberoep uit de dorpjes Beers en Jellum.

Hij nam daar de herdersstaf op, om die in 1652 weer neer te leggen. Zijn eerste liefde werd verwisseld voor de gemeente Den Burg op Texel. Een kortstondige ”tweede liefde”; van mei 1652 tot april 1653. Friesland trok hem, het werd het dorpje Makkum. Daar stonden begin 1700 ongeveer vijftig huizen en dat aantal zal in À Brakels tijd niet veel groter zijn geweest. Het kerkelijk leven bloeide. Door middel van zijn prediking werden niet alleen harten maar ook beurzen geopend. Door dat laatste kon een nieuwe kerk worden gebouwd.

Stichtelijke lectuur

In deze voor hem laatste gemeente kreeg hij tijd om zich toe te leggen op het schrijven van stichtelijke lectuur. Zijn eerste pennenvrucht verscheen in 1649: ”Het Geestelijcke Leven, Ende de Stant eens gheloovigen Mensches hier op Aerden; uyt Godes heylig Woordt vergadert en bij een gesteldt. Noch zijn hierachter by ghevoeght eenige Kenteeckenen, waer uyt men hem kan verseekeren dat men van Godt is bemindt”. Een bestseller: op de eerste druk volgden er tot 1865 nog 37. Maar wat meer is: Gods volk kreeg onderwijs daaruit. Het werd gedrukt, verkocht, gelezen. In het blad De Boekzaal (1777) staat dat een zoveelste druk bij de weduwe J. J. van Poolsum in Utrecht „…op de pers ligt, en zal zo spoedig moogelijk worden uitgegeven dit voortreffelyk werk.” Dominee Cornelis Brinkman te Dirksland, bekend van de catechismusverklaring met ambtgenoot H. Ferré, verzorgde een nieuwe uitgave.

Een ander boek deed onnodig stof opwaaien: ”De Trappen des Geestelijken Levens”. Tussen de eerste druk in 1670 en 1981 zagen 27 drukken het licht. Gods kinderen keken ernaar uit, maar er kwam van seculiere zijde tegenstand. En fel ook. Was het om de verspreiding van de inhoud van dit boekje of uit winstbejag dat Gerrit de Rijk in Deventer graag een herdruk wilde uitgeven? De Curatores Scholarum van de Deventer Latijnse school verboden het hem. In niet mis te verstane woorden gaven ze hem te kennen dat hij dit boek aan „niemant te recommanderen, veel min aan anderen te geven of te leenen” mocht.

Op 14 maart 1670 kreeg dit boek een loffelijke approbatie van de classis Bolsward. „… conform den Woorde Gods ende den Leere der waerheyt die na de Godsaligheyt is.” Met enige regelmaat werden in approbaties woorden gebezigd zoals „daerby latende eenighe uitdruckingen voor rekening van den auteur.” Alzo niet in de approbatie op dit boekje. Het werd „volgens sijn bevel na sijn doodt in ’t licht gebracht” door Wilhelmus, predikant te Harlingen. Hij had dit zijn vader op diens sterfbed moeten beloven. Het boek, opgedragen aan onder andere prinses Albertine van Oranje, onderscheidt trappen in de genade. Vertroostend en onderwijzend merkt de schrijver op „dat niet alle Kinderen Godts niet en komen tot gelijken hoogen trap, en op de minste trap te vreden ende vrolijck konnen ende mogen zijn, hoewel verlangende na aenwas, en dat een Kint Godts niet altijdt in die vertroostinge blijft.”

Samenspraak

Dit boek bestaat uit twee delen. In deel twee laat de schrijver zich in het hart kijken. Hij beschrijft geestelijke ervaringen in een samenspraak tussen vader (Theodorus) en zoon (Wilhelmus). De godsvrucht van de vader komt duidelijk hierin naar voren. Bijvoorbeeld als de zoon vraagt: „Maer Vader/ als ghij dan wacker wort/ wat doet ghij dan?” Dan vertelt vader: „Sone, is’t dat ick soetelijck in ende met Godt hebbe geslaepen/ ende dat ick die genaede noch klaer in my bevinde/ soo vermake ick mij al wederom in mijn Gods en Salighmaker/ ende soo mij dunckt/ dat ick ’t vermach van mijn lichaem/ soo soeck ick op te staen met een kort gebedt ende dancksegginge tot Godt.”

In oktober 1660 openbaarde zich een longziekte. Op zondag 13 januari 1669 preekte hij tweemaal: ’s morgens over Openbaring 7:13-17 en ’s avonds over zondag 3. Toen hij thuiskwam, zei hij tegen zijn vrouw: „Nu heb ik gedaan.” Op 5 februari kwam Wilhelmus op bezoek en zodra Theodorus zijn zoon zag, riep hij: „Tien dagen, mijn zoon, tien dagen!” Inderdaad is hij op 14 februari overleden, zestig jaar oud. Met de woorden: „De Heere zij met u en met ons allen” nam hij afscheid van zijn zoon. Enkele dagen daarvoor was hij zeer bezet met de bekering van het volk Israël.

Hij leefde een ascetisch leven, vol meditatie en gebeden. Psalm 119:62 nam hij letterlijk: „Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.” Hij exegetiseerde dat het vleselijk zou zijn deze tekst alleen geestelijk te zien. Zodoende stond hij in het holst van de nacht op om de Heere de lof toe te brengen. In het besef van zijn onvolmaaktheid.