De kerkelijke stijl van ds. W. A. Capellen

Informeel
beeld Sjaak Verboom
2

Plechtstatigheid is ds. W. A. Capellen vreemd. Wel hecht hij aan een herkenbare stijl. „Ik hoef me er toch niet voor te schamen dat ik predikant ben?”

De klompen die hij van de jeugdvereniging als welkomstgeschenk kreeg, gaf ds. W. A. Capellen (35) een plaats bij zijn andere schoeisel. Hij gebruikt ze soms als hij de post uit de brievenbus haalt. „Ze hebben die klompen niet gegeven om ze ongebruikt te laten.”

Het typeert de nieuwe predikant van de christelijke gereformeerde kerk van Noordeloos, een dorp in de Alblasserwaard. Hij heeft geen behoefte aan een plechtstatige stijl. Als jongeren voor catechisatietijd een balletje trappen, doet hij gerust mee. In Drogeham, zijn eerste gemeente, ging hij met tieners op survival. „Een deel van de jeugd bereik je in zo’n context gemakkelijker met de boodschap van het Evangelie. Daar ben ik dominee voor geworden.”

Toch laat hij zich niet direct het etiket ”informeel” opplakken. „Belangrijk vind ik dat je als predikant jezelf kunt zijn, en je niet in een keurslijf laat persen. Zo ben ik ook opgevoed. Tegelijk waren mijn ouders gehecht aan beleefdheidsvormen. Er werd niet getutoyeerd. Bij die stijl voel ik me thuis: een combinatie van ongedwongenheid en gevoel voor gezagsverhoudingen. Toen ik in Rotterdam de lerarenopleiding ging volgen, zei een docent van een jaar of zestig, met een grijze baard: „Noem me maar Dré.” Daar moest ik erg aan wennen.”

Nuchter

Als kind had hij al het verlangen om dominee te worden. Net als zijn vader, die op oudere leeftijd predikant werd. „Ik maakte mijn eigen preekjes en sprak die uit achter een door mezelf getimmerd kathedertje. In het zwarte colbert van mijn overleden opa, die koster en ouderling was geweest. Daaronder had ik een witte broek met zwarte streepjes. Die leek voor mijn gevoel wel wat op de broek van de dominee.”

De theologische studie in Apeldoorn combineerde Capellen met een docentschap aan de Jacobus Fruytier Scholengemeenschap. „Daar heb ik nooit in een pak voor de klas gestaan. Het feit dat je theologie studeert, maakt je niet tot een bijzonder mens.”

Zijn stage deed hij bij ds. W. P. de Groot in Rotterdam, voor een groot deel van de gemeente ”Wim”. „Die stijl paste bij hem en bij de cultuur van Rotterdam. De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn dermate breed dat er van eenheid in vormen geen sprake is. Daarin moet je zelf je weg zien te vinden.”

Na afronding van de opleiding nam de docent het beroep van de christelijke gereformeerde kerk in het Friese Drogeham aan. „Daar voelde ik me meteen thuis. De Friese bevolking is heel nuchter. Je wordt er als dominee niet op een voetstuk geplaatst, hoewel men mij wel zo blijft zien.”

Hoewel hij wars is van vormelijkheid, wil ds. Capellen buiten de pastorie herkenbaar zijn als predikant. „Ook als ik gemeenteleden in het ziekenhuis opzoek, draag ik een donker kostuum. Uiteindelijk gaat het om je houding, niet om je kleding, maar daarmee straal je wel wat uit. Ik hoef me er toch niet voor te schamen dat ik predikant ben?”

Benaderbaar

Onder stukjes die hij schrijft, zet hij ”W. A. Capellen”. Zonder ”ds.” ervoor of ”vdm” erachter. Als hij gemeenteleden belt, presenteert hij zich evenmin als dominee. „Dat klinkt zo massief. Wel laat ik me als dominee aanspreken. Niet omdat ik me belangrijker voel dan een ander, maar vanwege mijn ambt.” Om dezelfde reden spreekt hij ouderlingen en diakenen als ”broeder” aan, gevolgd door hun achternaam. „Ik ben ouderling met een bijzondere opdracht, niet minder maar ook niet meer. Het is sowieso onjuist om binnen de kerkelijke gemeente te spreken van meer of minder.”

In Noordeloos, een gemeenschap waar iedereen iedereen kent, is in het onderlinge verkeer het gebruik van voornamen vanzelfsprekend. Dat geldt ook ten aanzien van de ambtsdragers. Hoewel hij geen principieel verschil tussen de ambten wil aanbrengen, vindt Capellen dat binnen die cultuur begrijpelijk. „Als iemand in de familie en op het werk Jan is, wordt het wat geforceerd als je van mensen die dagelijks met hem optrekken verwacht dat ze hem tijdens het huisbezoek bij de achternaam aanspreken. Wel moet er het besef zijn dat Jan dan niet namens Jan komt, maar namens God.”

Spanningsveld

Van oudere mensen hoort hij soms dat ze in hun jeugd het liefst een straatje omgingen als ze de dominee zagen aankomen. „Zo hoog werd er destijds tegen de dominee opgekeken. Ik vind het winst dat de gemiddelde predikant meer benaderbaar is geworden voor de mensen. Zolang het maar niet leidt tot devaluatie van de kern van het ambtelijk gezag. Het moet geen ouwe-jongens-krentenbrood worden.”

In het algemeen is de jonge christelijke gereformeerde predikant van mening dat het kerkelijk leven niet gediend is met vormelijkheid. Wel met waardigheid. „Daarom zal ik in een doopdienst ook een jong echtpaar bij het stellen van de doopvragen met de achternaam aanspreken. Aan de ene kant wil ik dicht naast de mensen staan. Tegelijk kom ik van Godswege met een boodschap die je formeel kunt noemen. „Zo zegt de Heere.” Dat geeft een zeker spanningsveld tussen nabijheid en afstand. Vanwege die positie kies ik ervoor om mijn achternaam te blijven gebruiken en probeer ik tegelijk nabijheid uit te stralen.”

Bekijk hier alle artikelen uit het thema Informeel.

----

Lees ook in Digibron

Ds. W. A. Capellen doet intrede in cgk Noordeloos (RD.nl, 17 mei 2016)

Telefoon verbindt Friese en Zeeuwse pastorie (Reformatorisch Dagblad, 1 augustus 2013)

Angst kenmerkte ook CGK in oorlogstijd : Drs. Capellen onderzoekt houding tegenover nationaalsocialisme (Reformatorisch Dagblad, 14 februari 2012)