Cyprianus’ troostbrief in tijd van epidemie

4

De pest bereikt Carthago in het jaar 252 na Christus. Mensen krijgen pijn aan de ogen, koorts en dysenterie. Velen sterven. Hun lichamen liggen soms onbegraven in de stad. De levenden zijn ontredderd. Ze hebben geliefden verloren. Ook is er de angst dat de ziekte hen zal treffen.

Cyprianus schrijft in deze situatie een boekje met de titel ”Over de sterfelijkheid” (”De mortalitate”). In dit boekje –dat gerekend wordt tot de vroegchristelijke troostliteratuur– gaat hij in op allerlei pastorale vragen en noden van zijn gemeenteleden.

Eerst kort iets over de schrijver. Cyprianus wordt tussen 200 en 210 geboren in Carthago, een stad in het huidige Tunesië. Hij is afkomstig uit een rijke heidense familie en volgt een opleiding tot redenaar. Rond het jaar 245 komt Cyprianus tot bekering. Slechts enkele jaren later wordt hij gekozen tot bisschop van de gemeente in zijn geboortestad. Tot het moment dat Cyprianus in 258 de marteldood sterft, dient hij de kerk van Carthago als herder en leraar.

De tien jaren waarin Cyprianus zijn bisschopsambt uitoefent, zijn bewogen jaren. Dat heeft niet alleen te maken met twee ernstige christenvervolgingen, maar ook met de uitbraak van de pest.

In het boekje dat Cyprianus bij deze gebeurtenis schrijft, wil hij zijn gemeenteleden bemoedigen. Heel bijzonder heeft hij de wankelmoedige gelovigen op het oog. Met woorden van vermaning en vertroosting –„uit de overweging van de Heilige Schrift geput”– richt Cyprianus zich tot hen.

Het eerste wat Cyprianus in zijn kleine boekje doet, is de Schrift leggen naast de actuele gebeurtenissen. In dat verband wijst hij erop dat „pestilentiën” door Christus Zelf voorzegd zijn als tekenen van Zijn naderende wederkomst. Nu komen deze voorzeggingen uit. Daaruit blijkt dat de Heere regeert. Het betekent ook dat de belofte van Christus’ wederkomst vervuld zal worden. Gods Kerk mag bij de tekenen der tijden het hoofd opheffen: haar verlossing is nabij!

Bevreesd

Intussen weet Cyprianus wel dat niet bij alle ware gelovigen dit blij vooruitzicht levendig is. Ook Gods kinderen kunnen zo bevreesd zijn voor de dood. Cyprianus opent dan opnieuw de Schrift en leest met deze vrezende gelovigen het gedeelte over Simeon. Om hun duidelijk te maken wat het geloof vermag, als het op Christus mag zien. Dan horen we Simeon zeggen: „Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.”

Indringend herinnert Cyprianus de gelovigen aan het feit dat zij op aarde vreemdelingen zijn: „Laten wij voortdurend bedenken, lieve broeders, dat wij aan de wereld verzaakt hebben en dat wij in afwachting hier nog enkel verblijven als reizigers en vreemdelingen.” Het aardse leven is voor de gelovige een strijdperk: „Ons is immers een harde en onophoudelijke strijd beschoren: is de hebzucht neergeslagen, dan pleegt de begeerlijkheid opstand. Is deze onderdrukt, dan volgt de ijdelheid. En is de ijdelheid tot niets teruggebracht, dan toornt de haat, dan steigert de hoogmoed. De nijd vernielt alle verstandhouding tussen de mensen, de jaloersheid verbreekt de vriendschapsbanden.” Sterven, zo wil de pastor van Carthago ermee zeggen, is toch voor Gods kind ook voorgoed afsterven van de zonde en het beërven van de eeuwige rust? „Wie spoedt zich dan niet naar de plaats waar betere dingen ons wenken?”

Genade

Nog een andere vraag stelt Cyprianus aan de orde: Waar is Gods leiding in dit alles? Waarom worden de christenen, die toch ook al zwaar hebben geleden onder de vervolgingen, niet gevrijwaard van de pest? Ze ondergaan voor het oog precies hetzelfde als de ongelovigen! Cyprianus wijst er dan op, dat er bij rampen uiterlijk gezien geen enkel verschil is tussen christenen en heidenen: „Wanneer puntige rotsen het schip verbrijzelen, zal voor alle opvarenden zonder uitzondering de schipbreuk gemeenschappelijk zijn.”

Toch is er wel een verschil. In de tegenspoed beproeft de Heere Zijn kinderen namelijk. Als de grote Goudsmid brengt Hij hen in de smeltkroes om Zijn eigen werk naar boven te brengen. Opnieuw opent Cyprianus de Schrift. Hij wijst op Abraham die beproefd werd toen hij zijn zoon Izak moest offeren. Op Paulus die bad of hij verlost mocht worden van de doorn in zijn vlees. Het is in de weg van beproeving, dat de Heere het waarmaakt: „Mijn genade is u genoeg.” „De golven zullen het schip niet aan stukken slaan, maar voorwaarts dragen.”

Intussen weet Cyprianus van het feit dat er twee wegen zijn, en twee bestemmingen: „Deze sterfte, die voor al Christus’ vijanden de bitterste ramp is, is voor Gods dienaren de heilzame reis naar huis.” Dringend waarschuwt de bisschop van Carthago dan ook: „Laat hij de dood vrezen, die niet herboren werd uit water en Geest en de slaaf zal worden van het helse vuur. Laat hij de dood vrezen, die niet vrijgekocht werd door Christus’ lijden en kruis. Laat hij de dood vrezen, voor wie het uitstellen ervan uitstel is van straf en smarten.”

Cyprianus heeft gewezen op de roepstem in de epidemie van zijn dagen. Ook zijn leermeester Tertullianus deed dat bij ernstige gebeurtenissen, zelfs in zijn apologetische geschriften. We lezen overigens ook dat de roepstem in Cyprianus’ tijd iets uitwerkte: „Door deze sterfte en deze verschrikkelijke tijden worden de lauwe christenen aangewakkerd, de kleinmoedigen opgewekt, de afvalligen aangezet om terug te keren, de heidenen gedwongen om het geloof te omhelzen.”

Wat zou het een zegen zijn als de gebeurtenissen van onze tijd iets vergelijkbaars uitwerken!

Bijstaan

Ten slotte: Hoe moet de houding van christenen zijn tegenover de zieken in deze omstandigheden? Daarover schrijft Cyprianus kort, maar heel praktisch: de epidemie van zijn dagen zal duidelijk maken „of de gezonden de zieken bijstaan, of familieleden en bloedverwanten elkaar liefhebben in de vreze des Heeren, of de artsen hun zieken niet ontvluchten, of de hebzuchtigen hun onverzadigbare verlangen naar woeker en stelen tenminste onder de schrik voor de dood aan banden weten te leggen.”

Vanaf volgende week vrijdag belicht dr. H. Florijn op de kerkpagina wekelijks een ‘themapreek’ uit het verleden.

Luther: Gebruik de medicijnen, ontsmet huis en tuin

Dr. Maarten Luther (1483-1546)

De wereld lijdt aan het coronavirus. In Luthers tijd leed men aan de pest. Maar God regeert, toen en nu, schrijft Maarten Luther in 1527.

„Heeft Christus Zijn bloed niet voor mij vergoten en Zich omwille van mij niet in de dood begeven? Waarom zou ik ook niet omwille van Hem mij in een klein gevaar begeven en de armzalige pest niet in de ogen durven zien? Kan de pest mij verschrikken, dan kan mijn Christus mij versterken; kan hij doden, dan kan mijn Christus levend maken; heeft hij vergif in de bek, Christus’ mond is enkel zoetheid en medicijn. Zou mijn lieve Christus met Zijn gebod, met Zijn weldaden en vertroostingen, niet meer waard zijn in mijn ziel dan jij, ellendige duivel, met je valse schrik in mijn zwakke lichaam? Dat zal God niet toestaan! Ga weg, satan, achter mij! Hier is Christus, en ik, Zijn dienaar, die dit werk verricht. Hij zal regeren! Amen.

In Psalm 41 staat nog een sterke vertroosting waarmee Hij allen vertroost die de zieken verzorgen: „Wel hem die de behoeftige verzorgt, hem zal de Heere redden in een kwade tijd.” Zijn dit geen heerlijke beloften van God, die Hij hier bij hopen uitstort over hen die de zieken verzorgen? Wat zou toch iemand doen vrezen, als hij de pest beziet in het licht van deze grote troost van God? Het is zeker maar een geringe dienst waarmee wij de behoeftigen kunnen helpen, vergeleken bij zo’n grote belofte en zo’n heerlijk loon. Paulus zegt dat ook: „De godzaligheid is tot alle dingen nut, en heeft de belofte van het tegenwoordige en van het toekomstige leven.” De godzaligheid is niet anders dan het dienen van God, en dát is zeker niets anders dan je naaste dienen. (…)

Weg met jou, jij ellendig ongeloof, dat je zo’n rijke troost zult verachten en je door een klein en onzeker gevaar meer laat verschrikken dan dat zulke onwankelbare en getrouwe beloften van God je versterken. Dit weet ik echter wel: wanneer Christus Zelf of Zijn moeder nu ergens ziek zouden liggen, dan was iedereen wél zo behulpzaam dat hij daar graag verpleger en verzorger zou willen zijn. Dan zou iedereen wél moedig en dapper zijn en niemand zou er voor uit de weg gaan. Ze zouden er allemaal heenlopen en hun hulp aanbieden. Maar horen zij dan niet wat Hij Zelf zegt: „Wat u aan de minste doet, dat doet u aan Mij” (Matth. 25:40). En wat Hij over het eerste gebod zegt, dat zegt Hij ook over het tweede gebod dat daaraan gelijk is: „U zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Daar zie je dat de liefde tot de naaste gelijk staat met het eerste gebod van de liefde tot God. Dus, wat je voor je naaste doet, of niet doet, dat is hetzelfde als wat je voor God gedaan of niet gedaan hebt.

Wil je graag Christus Zelf verplegen en verzorgen? Wel, Die heb je voor je liggen in je zieke naaste. Ga tot hem en dien hem, dan zul je daar Christus zeker ook vinden – niet lichamelijk, maar wel in Zijn Woord! Wil je echter je naaste níét dienen, dan moet je vast geloven dat, als Christus daar Zelf zou liggen, dat je het dan net zomin zou doen en Hem ook onverzorgd zou achterlaten. (…)

Sommigen weigeren om medicijnen in te nemen, en mijden geen plaats of persoon waar hun aanwezigheid niet is vereist. Zó gaat het niet goed, lieve vrienden! Gebruik de medicijnen, neem en doe wat zou kunnen helpen, ontsmet je huis, tuin en straat. Mijd ook personen en plaatsen, waar je naaste je niet nodig heeft. En gedraag je als iemand die graag een grote stadsbrand wil helpen blussen. Want wat is de pest anders dan een vuur, dat geen hout en stro, maar lichaam en leven verteert.

Ik zal God bidden dat Hij ons genadig wil bewaren en beschermen. Dan wil ik ook helpen met het uitroken van huizen, de lucht verversen, medicijnen geven en nemen, én plaats en persoon mijden waar men mij niet nodig heeft, opdat ik mijzelf niet zal verwaarlozen en waar ik anderen zou aansteken en besmetten. Wil God mij echter wegnemen, dan weet Hij mij wel te vinden. In dat geval heb ik toch gedaan wat Hij wilde dat ik zou doen, en ben ik niet schuldig aan mijn eigen dood of aan de dood van andere mensen. Waar mijn naaste mij echter nodig heeft, wil ik geen plaats of persoon mijden, maar daar onbezorgd en onbevreesd helpen, zo goed ik kan. Kijk, dat is een echt godvrezend geloof, dat niet roekeloos of vermetel is, en God niet verzoekt.”

Uit: ”Ob man vor dem sterben fliehen möge”, 1527, Maarten Luther. Zie ook: maartenluther.com