Comenius, dromer van wereld van vrede en harmonie

Het Comenius Museum in Naarden. beeld Comenius Museum
6

De christenhumanist Jan Amos Comenius (1592-1670) leed onder de gebrokenheid van het leven. Hij liet zich in zijn filosofie inspireren door de eenheid van de werkelijkheid en vrede in de wereld.

Comenius was een uit Tsjechië afkomstige oorlogsvluchteling (hij heette oorspronkelijk Jan Komenský) die de laatste veertien jaar van zijn leven in Amsterdam woonde. Hij publiceerde daar vele werken en maakte de stad tot een ontmoetingsplaats voor Tsjechische vluchtelingen in Europa. Comenius behoorde tot de Broedergemeenschap, de nakomelingen van Johannes Hus.

Comenius was sinds 1648 bisschop in de Broederschap en als zodanig een van haar bekendste vertegenwoordigers. Hij was vanuit zijn Boheemse achtergrond meer luthers en piëtistisch dan calvinistisch georiënteerd. Hij dacht duidelijk chiliastisch, wat hem kritiek opleverde van gereformeerden. Comenius geloofde in de komst van een nieuw millennium, een duizendjarig vrederijk.

Hij voelde zich niet thuis bij de calvinisten vanwege hun traditionele geloofsleven en weinig inspirerende orthodoxie, en vanwege hun intolerantie ten opzichte van andersdenkenden. Toch bestreed hij scherp de cartesiaanse en sociniaanse theologie. Comenius erfde de oecumenische gezindheid en devote levensstijl van de Broedergemeenschap.

Christenhumanist

Comenius was een echte christenhumanist. Hij bewonderde de schoonheid van natuur, kunst, woord en gezang, de beleving van de harmonie. Hij zag de mens als het schoonste van al het geschapene. In zijn ”Allesomvattende onderwijsleer”, dit jaar uitgegeven, komt weliswaar duidelijk de (erf)zonde naar voren, maar de mens is ook niet helemaal verdorven. Het kwaad verwoest de schepping niet fundamenteel. Wanneer de Geest het verstand verlicht, is een zeker herstel van de aangetaste harmonie van het menselijk bestaan mogelijk.

De mens leidt volgens Comenius een drievoudig leven: een vegetatief, dierlijk en verstandelijk of geestelijk leven. De mens heeft van nature de aanleg tot drie dingen: kennisvorming, moreel gedrag en godsdienstigheid. Comenius argumenteert vooral vanuit de mens als beeld van God. De natuur legt de zaadjes van kennis, moraal en religie in de mens, zo schrijft hij in zijn onderwijsleer. „Godsdienstigheid is een gave van God die ons uit de hemel is geschonken met de Heilige Geest als Leermeester.”

Niemand kan op eigen kracht de weg naar God terugvinden vanwege de zondeval, zo stelt Comenius. Maar hij noemt het „schandelijk en goddeloos” en een duidelijk teken van ondankbaarheid, „als wij steeds terugkomen op de ellende van onze zonde, en de werking van de genade vergeten. Als wij steeds praten over de verkeerde dingen die de oude Adam in ons teweegbrengt, dan zullen we nooit ervaren wat de nieuwe Adam, Christus, in ons kan doen.” Wanneer de mens het gevoel heeft dat God hem eeuwig genadig is, dan is de vreugde in God de hoogste graad van vreugde in dit leven.

Onderwijs

Comenius zegt diepe dingen over het onderwijs. De scholen zijn er niet alleen om het bijbrengen van kennis, maar ook om het moreel gedrag te verbeteren en het geloof te versterken. Het onderwijs mag niet blijven steken in oppervlakkigheid en uiterlijk vertoon, maar moet leiden tot „ware kennis, integer moreel gedrag en oprecht geloof.”

Comenius verwacht veel van het kind dat nog ontvankelijk is voor de christelijke boodschap van liefde en vergeving. Het zit niet zo vast aan verkeerde gewoonten zoals volwassenen. Daarom moet alles ingezet worden op de zorgvuldige opvoeding van de jeugd. „De mogelijkheden om oude bomen te verplaatsen of vruchten te doen voortbrengen, zijn niet groot. Zo heeft God het plan om door middel van jonge mensen met de wereld een nieuw begin te maken.”

Voorbereiding

Als mensen goed georganiseerde en bloeiende kerken, staten en gezinnen willen hebben, zo benadrukt Comenius, dan moeten zij eerst met zorg aandacht besteden aan onze scholen. Dan worden deze „ware werkplaatsen van humaniteit en kweekplaatsen voor het vormgeven aan kerken, staten en gezinnen.” Scholen moeten zo worden georganiseerd dat zij „instellingen worden van een zorgvuldige en omvattende geestelijke vorming.” Kinderen moeten de vrije tijd gebruiken voor „het lezen van de Bijbel en andere goede boeken.”

Dit leven is slechts een voorbereiding op het ware en eeuwige leven. „De laatste bestemming van de mens is de eeuwige zaligheid, die bestaat uit zijn eenheid met God.” Die laatste bestemming is trouwens niet alleen de hemel, zo lezen we elders. Kinderen moeten geleerd worden „dat er twee bestemmingen zijn die de mensen na dit leven te wachten staan: een gelukkig leven met God, en een ellendig leven in de hel.”

Pansofie

Comenius raakte in zijn tijd vooral bekend vanwege zijn alomvattende filosofie, die hij „pansofie” (pan betekent alles) noemde. De pansofie maakte studie van de hele werkelijkheid in haar verscheidenheid en samenhang, teneinde de verworven inzichten toe te passen in praktisch handelen om de wereld te verbeteren. Het uiteindelijke doel was om de vrede tussen mensen en naties te bevorderen. God is de oorsprong, de grond en het middelpunt van de wereld in relatie tot haar samenhang en orde. De mens is als ”middelaar” tussen God en wereld geroepen tot een zorgvuldig beheer van de wereld.

Comenius was zijn tijd vooruit door actieve inzet voor de vrede tussen volkeren en de heilzame kracht van de religie in dezen. Religie is helaas in plaats van een ankerplaats van liefde en troost een labyrint geworden waar gelovigen elkaar bestrijden en haten. Geen wonder dat velen een goddelijk bestel verwerpen en tot atheïsme vervallen, zo merkte hij toen al op.

Zijn pleidooi voor de eenheid van de werkelijkheid werkte heilzaam door in de visie op wetenschap; het doorbreekt de huidige versnippering van wetenschap in allerlei deeldisciplines. Dat kennis ondergeschikt is aan morele en geestelijke vorming verdiept het inzicht in de totale mens en zijn relatie tot God en de wereld. Comenius was misschien een utopist in zijn dromen, maar wel iemand die midden in de wereld stond en geen genoegen nam met de verscheurdheid.