Vervolgd door je eigen familie

Straatbeeld in Gambia. In het betrekkelijk tolerante West-Afrikaanse land komt vervolging van christenen voor. beeld Lex Rietman
6

Verstoting, afnemen van kinderen, bedreigingen en fysiek geweld, soms met fatale afloop. Ook in het betrekkelijk tolerante Gambia komt vervolging van christenen voor. En de wet heeft er weinig greep op.

Ze is achttien, heeft mooie rapportcijfers en ziet geen toekomst. Sinds Fatoumata Njie uit het West-Afrikaanse Gambia zich vorig jaar tot het christendom bekeerde, leeft ze in voortdurende angst. Angst voor haar moeder, die „christenen haat” en nog niet weet dat Fatoumata de islam vaarwel heeft gezegd. En angst voor die jongen uit een klas hoger, die haar bij elke toevallige ontmoeting in het schoolgebouw „met gemene ogen” aankijkt en die tegen Fatoumata’s vrienden heeft gezegd dat ze haar zouden moeten „afslachten of stenigen” omdat ze christen geworden is. Pas op voor die jongen, waarschuwen haar vrienden.

Een gesprek met Fatoumata is een ontnuchterende ervaring. Gambia staat immers bekend als een land met een voor Afrikaanse begrippen hoge mate van verdraagzaamheid op godsdienstig gebied. Die faam is voor een deel terecht. Vriendschappen tussen moslims –90 procent van de bevolking– en leden van de christelijke minderheid zijn heel normaal. Op de school van Fatoumata, een soort vwo-opleiding in de hoofdstad Banjul, gaan de imam en de predikant op een hartelijke manier met elkaar om. Zij geven de keuzevakken islam en christendom. Ook onder de docenten van de andere vakken zijn zowel moslims als christenen. De school draagt een mentaliteit van tolerantie uit.

Maar onder de oppervlakte broeien de tegenstellingen. Die openbaren zich vooral in de familiesfeer. Want een gemengde vriendschap is één ding, maar een „afvallige” in je eigen familie is iets heel anders. Fatoumata Njie weet daar alles van.

In religieus opzicht komt ze uit een gemengd gezin, wat niet zo vaak voorkomt in Gambia. Haar stiefvader is christen, haar moeder, broers en zussen zijn moslim. We spreken elkaar in de afzondering van een lerarenkamertje van de Gambia Senior Secondary School. „Mijn echte vader is nooit met mijn moeder getrouwd”, zegt Fatoumata. Waarom trouwde haar moeder met haar stiefvader, terwijl ze christenen haat? „Uit frustratie, omdat niemand met haar wilde trouwen. En om het geld, want mijn stiefvader was toen rijk. Vijf jaar geleden werd mijn stiefvader blind en nu wil mijn moeder van hem scheiden. Ze scheldt hem uit omdat hij christen is en zorgt niet voor hem.”

Een jaar geleden ging Fatoumata voor het eerst met haar stiefvader naar de kerk. Binnen het gezin weet alleen haar tweelingzus ervan. Fatoumata verstopt een Bijbel onder haar bed. En als haar moeder erachter komt? „Dan vermoordt ze me”, zegt ze zachtjes huilend. Ze wekt niet de indruk dat ze overdrijft.

Moslimland

„De Gambiaanse samenleving lijkt tolerant, maar de werkelijkheid is anders”, zegt Frank Asamoah. Hij is christen, komt uit Ghana en is het hoofd van de sectie natuurwetenschappen en van de examencommissie op de school van Fatoumata. Zijn hoge positie bevestigt de cultuur van verdraagzaamheid op deze opleiding. Soms zijn er uitzonderingen op die verdraagzaamheid, zegt hij. Dan gaat het om ex-moslims die zich tot het christendom hebben bekeerd.

„Gambia is een echt moslimland”, zegt Asamoah. „Ik laat mijn leerlingen korte stukjes schrijven over het christendom. Sommigen vertellen me hun problemen. En als ik kan helpen, doe ik dat.”

Asamoah vertelt hoe Fatoumata hem op een zeker moment om een Bijbel vroeg. Ze had ook hulp nodig omdat ze bang was voor de jongen die haar bedreigde. „Ik heb die jongen gewaarschuwd dat ik de politie inschakel zodra hij te ver gaat.”

Verstoten

Mariama Jallow (21) is een oud-leerling van Asamoah. Ze is de dochter van een imam en was tot november 2017 naar eigen zeggen een „heel fervente” moslima. Een paar boekjes over het christendom die ze van „mister Frank” had gekregen, maakten haar nieuwsgierig naar de Bijbel. Ze besloot naar de kerk te gaan. Toen ze dat haar beste vriendin vertelde, verbrak deze de vriendschap.

Een halfjaar geleden kwamen ook Mariama’s ouders erachter dat ze christen was geworden. Ze werd op slag verstoten door haar familie. Haar oudste broer bedreigde haar. „Je hebt geluk dat moord in dit land verboden is, anders zou je niet meer leven”, zei hij. Sindsdien heeft Mariama binnen haar familie alleen nog contact met een zus die haar steunt.

„Ik heb geluk dat ik financiële hulp heb van mister Frank”, zegt Mariama. „Veel anderen in mijn situatie hebben niet zo iemand. Daarom zijn er heel wat heimelijke christenen.”

Asamoah verleende Mariama onderdak en betaalde het schoolgeld en de boeken in haar laatste jaar op de middelbare school. Hij regelde ook een studiebeurs zodat ze in september kan beginnen aan haar universitaire studie sociale gezondheidskunde. Haar droom is om economisch en sociaal zelfstandig te worden. „Ik wil anderen helpen, en niet zelf om hulp vragen.”

Fula

Mariama behoort tot de Fula-stam. Deze etnische groep is een islamitisch bastion in West-Afrika, zegt Lamin Ceesay (36). Lamin, zelf ook een Fula, leek voorbestemd voor een glanzende loopbaan als imam. In 2005 studeerde hij af aan de Arabische school. Hij kende de Koran uit zijn hoofd en behaalde op twee na de beste eindexamencijfers van het land. Er lag een volledige studiebeurs voor hem klaar om zich in Libië of Egypte verder in de Koran te verdiepen. Hij verheugde zich op het vooruitzicht.

Maar voordat het zo ver zou komen, werd de oudste broer van Lamin christen. Groot alarm in de familie, en het was Lamins taak om zijn broer te bewegen terug te keren naar de islam. Lamin ging de Bijbel in het Arabisch lezen om zijn bekeerde broer op fouten in de christelijke leer te wijzen. Maar dat had een onverwacht resultaat. Het was juist Lamin die overtuigd raakte van „de waarheid over Christus”, zoals hijzelf zegt. Ook hij keerde de islam de rug toe.

Lamin zocht zijn toevlucht bij een opvangcentrum voor christelijke ex-moslims in een stad in Zuidwest-Gambia. Daar woont hij nog steeds. Inmiddels maakt hij er deel uit van de leiding.

In zijn huisje op het terrein van het centrum vertelt hij zijn verhaal. „Ik heb heftige vervolging meegemaakt”, zegt Lamin. Zijn familie kwam er snel achter waar hij zat. „Mijn moeder en een van mijn broers kwamen me hier ophalen. Ze dwongen me terug te keren naar ons dorp in het noorden.”

Lamin is boomlang en heeft op de Arabische school de zwarte band in vechtsporten behaald. Maar zijn moeder sloeg hem, en dan mag je in zijn cultuur niets terugdoen.

Drie dagen heeft hij in het dorp opgesloten gezeten in een kamertje op het terrein van zijn familie. Toen wist hij door een raam te ontsnappen en keerde terug naar het opvanghuis. Op straat werd Lamin soms met de dood bedreigd, naar aanleiding van een debat dat zijn kerk organiseerde tussen christenen en moslims.

Het contact met zijn familieleden heeft Lamin nooit verbroken. Hij ondersteunde hen zo veel hij kon. Bij belangrijke aangelegenheden als bruiloften of begrafenissen keerde hij terug naar het dorp, ook al zaten ze daar niet op hem te wachten.

Uiteindelijk accepteerde Lamins vader zijn keus. Maar zijn moeder heeft er nog steeds geen vrede mee. Vorige week aan de telefoon las ze hem weer eens de les: „Laat dat christendom toch achter je. Zoek een vrouw en ga trouwen.”

Toch is Lamin nog betrekkelijk goed af. Zijn oudste broer heeft het slechter getroffen en vooral diens eveneens christelijke vrouw. Haar familie ontvoerde haar en daagde haar voor een islamitische rechtbank. Het tribunaal ontbond het huwelijk en stuurde de vrouw terug naar haar islamitische ouders, met de vier kinderen en alle bezittingen van het echtpaar.

Twee jaar daarna trouwde de broer van Lamin opnieuw met een christelijke vrouw. „Nu is hij bezig om te verhuizen”, zegt Lamin. „Hij wil weg uit de compound van de familie, want mijn moeder heeft hem met de dood bedreigd. Toen hij een keer aan het bidden was in zijn huis, sloeg mijn moeder hem met een grote stok op het hoofd. De stok brak en mijn broer hield er een schedelbreuk aan over. Als je moeder, je eigen mensen zoiets kunnen doen, waartoe zullen anderen dan in staat zijn? In de islam geloven ze dat je regelrecht naar de hemel gaat als je een ongelovige doodt. Dat heb ik geleerd toen ik een moslim was.”

Slachtoffers

Er bestaan geen harde cijfers over het aantal slachtoffers van christenvervolging in Gambia. Volgens de evangelische voorganger Bakary Jatta is ongeveer 10 procent van de 2 miljoen Gambianen christen. Van hen is zo’n 10 procent ex-moslim. Dat zou het aantal potentiële slachtoffers op 20.000 brengen.

Maar lang niet altijd is de reactie van de familie zo heftig als bij Lamin en zijn broer. In het geval van de 49-jarige Jatta, die moslim was tot zijn twintigste, was zijn vader vooral diep teleurgesteld. Hij was een tijd niet langer welkom in zijn geboorteplaats Gunjur. Van geweld tegen hem was echter geen sprake. Na een jaar accepteerde zijn vader de keus van Jatta.

Daar staat tegenover dat extreme gevallen van wraak tegen ex-moslims vaak bedekt blijven. „Mensen dagen hun familieleden nu eenmaal niet graag voor de rechter”, zegt Jatta. Daardoor is er veel straffeloosheid.

Ook Lamin Ceesay heeft dat van nabij meegemaakt. „Twee jaar geleden werd een jonge vrouw die een tijdje bij ons in het opvangcentrum had gezeten door haar familie doodgeslagen”, zegt Ceesay. Aangifte heeft hij niet gedaan. „Als zo iemand in handen van de familie is, sta je machteloos. De familie zegt dan: onze dochter was ziek, ze stierf omdat het de wil van God was. De politie doet dan niets. Meestal komt de vervolging van christelijke ex-moslims van de eigen familie. Dat maakt dat de reikwijdte van de wet heel beperkt is.”

Intussen traint ds. Jatta jonge mensen uit heel Gambia hoe ze het best het Evangelie kunnen verspreiden. Hij heeft twee sleutelwoorden: geduld en verdraagzaamheid.

De namen Fatoumata Njie en Lamin Ceesay zijn op verzoek van de betrokkenen om veiligheidsredenen gefingeerd.