Aantal christenen in Irak daalt hard, maar er zijn lichtpuntjes

Een Syrische man bekijkt de ruïne van de Tal Nasri-kerk in de Khaburvallei, in het noordoosten van Syrië, 2019. De kerk werd verwoest door IS-strijders. beeld EPA, Murtaja Lateef

De christelijke minderheid in het Midden-Oosten is na diverse oorlogen uitgedund, en dat proces gaat nog door. Christenen die achterblijven, willen echter juist meer in de samenleving staan.

Het aantal christenen in Irak bedroeg in 2003 ongeveer 1,5 miljoen. Nu zijn dat er nog maar 250.000 à 300.000. Het aantal christenen in Syrië –voor de burgeroorlog 8 procent van de bevolking– is naar schatting binnen tien jaar gehalveerd.

Prof. dr. Herman Teule gaf eind vorige week enkele cijfers. De emeritus hoogleraar oosters christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Katholieke Universiteit Leuven sprak tijdens een studiemiddag op uitnodiging van de Katholieke Vereniging voor Oecumene Athanasius en Willibrord over godsdienstvrijheid in het Midden-Oosten. De plaats was goed gekozen: de Catharinakerk in ’s Hertogenbosch, die in gebruik is bij onder andere de Armeens Apostolische Kerk.

Golfoorlog

Teule zoomde in op Irak, een land met een Arabisch gedeelte en een Koerdisch gebied, dat in 1932 onafhankelijk werd. De belangrijkste christelijke kerken waren de Assyrische Kerk en de Chaldeeuwse Kerk, die beide al eeuwenlang in dat gebied gevestigd waren. In hun kerken werd geen Arabisch, maar Assyrisch en Chaldeeuws gesproken.

De Eerste Golfoorlog, die eindigde in 1991, had positieve gevolgen voor de christenen in Koerdistan, aldus de hoogleraar. Zij hadden de Koerdische regering geholpen en kregen een aantal zetels in het parlement van het zelfstandig geworden Koerdistan. „Er kwamen christelijke ministers in de regering. Het Assyrisch werd erkend als taal voor het christelijk onderwijs. Twaalf jaar lang speelden christenen een prominente rol in de Koerdische politiek.”

Na de Tweede Golfoorlog (2003), die leidde tot de val van Saddam Hoessein, werd Koerdistan weer van Irak. De christen Sargis Aghajan werd minister van Financiën en maakte Koerdistan tot een vluchtplaats voor geloofsgenoten uit het zuiden.

Het ging al voor de komst van Islamitische Staat (IS) in 2014 in Irak verkeerd met het aantal christenen, zei Teule. Dat had vooral te maken met de voortdurende aanslagen, waardoor christenen –en moslims– weg wilden uit het land. Christenen waren welkom in Koerdistan. „Delen van deze regio werden gechristianiseerd. Er werden ruim honderd christelijke dorpen gesticht.”

Plannen om in de Vlakte van Ninevé in Noord-Irak te komen tot een christelijke provincie werden echter doorkruist door de invallen van IS. Na het vertrek van de terreurgroep is het een politieke chaos geworden, meent Teule. „Christenen willen weg uit Irak. Het is gebleken dat vestiging in Koerdistan ook geen oplossing is. Ik zie de toekomst van het christendom in Irak somber in.”

Lichtpuntjes

De lichtpuntjes die prof. Teule vooral tijdens de vragenbeantwoording opsomde, waren des te opvallender. Hij wees op de heroriëntering van christelijke kerken in Bagdad en andere grote steden van Irak. Ze houden hun diensten niet meer in het Chaldeeuws of het Assyrisch, maar in het Arabisch – om zo midden in de samenleving te staan.

Het is volgens Teule een koerswijziging dat de kerken niet langer zoeken naar bescherming in een eigen regio of vragen om westerse hulp. „Als christenen in het Midden-Oosten naar het westen kijken, marginaliseren ze zelf en worden ze een vreemde in eigen huis.”

De hoogleraar noemde verder het initiatief om in Irbil, de Koerdische hoofdstad, een katholieke universiteit van de grond te krijgen. Daar zou ook bezinning op de christelijke geschiedenis ten opzichte van de maatschappij moeten plaatsvinden.

Een ander idee komt vanuit Bagdad, waar kerkelijke leiders zich bezighouden met de training van jonge mensen om hen kennis bij te brengen van de christelijke traditie en van de westerse theologie.

Bloemlezing

Een derde plan is afkomstig uit Kirkuk, een stad met een christelijk verleden, waar nu nog maar weinig christenen wonen. Kerkelijke leiders hebben een bloemlezing gemaakt met oude christelijke teksten uit de 8e, 9e en 10e eeuw en die uitgedeeld aan de islamitische geestelijken in hun stad, waarna ze erover in gesprek gingen.

Teule: „De imams hadden geen kennis van dat christelijke verleden. Daarnaast wisten ze niet dat er belangrijke oude christelijke teksten in het Arabisch bestonden en evenmin dat daar vroeger een vruchtbare dialoog tussen beide religies plaatsvond. Een nieuwe dialoog vandaag de dag is van groot belang.”