„Christenen niet massaal vervolgd in Romeinse Rijk”

Dr. Renske Janssen. beeld Lars van den Brink

Christenen bedreigden in het Romeinse Rijk de rust en stabiliteit, maar ze werden niet massaal vervolgd. „Keizers waren vaak niet bijzonder proactief en waren afhankelijk van lokale bestuurders”, stelt promovenda Renske Janssen.

In haar proefschrift ”Religio Illicita? Roman Legal Interactions with Early Christianity in Context”, waarop zij twee weken geleden in Leiden promoveerde, bracht zij 250 jaar juridische omgang van christenen met de Romeinse overheid in kaart. Dr. Janssen (1992) is als classica en historica verbonden aan de Universiteit Leiden.

”Religio Illicita” betekent letterlijk: onwettige religie. Het is geen technische term binnen het Romeins recht, maar de term werd in latere periodes met het christendom in verband gebracht. Pas in de vierde eeuw, met keizer Constantijn de Grote, kreeg het christendom een wettige status.

Vroege christenen waren ingebed in de bestuurlijke en juridische systemen van het Romeinse keizerrijk. De keizer kon zijn immense rijk niet alleen besturen, aldus Janssen. „Hij was in sterke mate afhankelijk van de gouverneurs die namens hem de verschillende provinciën bestuurden én van de bevolking van die provinciën, in het bijzonder de lokale elites. De overgeleverde keizerlijke maatregelen legden een bijzondere nadruk op het handhaven van de openbare orde en het belang van de correcte juridische procedures.”

Romeinse gouverneurs raakten meestal door verzoeken van de lokale bevolking betrokken bij interacties met christenen, en waren in dit opzicht zelden proactief. „Zij moesten een afweging maken tussen de argumenten en wensen van de lokale bevolking, hun eigen zorgen omtrent de openbare orde én de visie van de keizer. Keizers vertrouwden op hun gouverneurs en lokale bestuurders, die ook weer de plaatselijke bevolking te vriend moesten houden.”

Waarzeggers

Janssen onderzocht ook de positie van waarzeggers. „Je ziet dezelfde mechanismen als in de maatregelen tegen de christenen. Er volgden pas maatregelen als de rust en de stabiliteit van de samenleving in het geding kwamen.”

Omdat Joden een eigen gemeenschap vormden, met eigen structuren en een hiërarchie, was het voor hen makkelijker met de Romeinse autoriteiten in gesprek te komen. Janssen: „Het probleem voor de Romeinen was dat de christenen zich niet georganiseerd hadden en dus niet zo zichtbaar waren, zoals Joodse gemeenschappen. Ze hadden hoogstens een lokale bisschop, maar die was niet herkenbaar voor de Romeinse overheid.”

Dus grosso modo viel de vervolging eigenlijk wel mee, in ieder geval niet massaal?

„Ik gebruik de term vervolging niet omdat die niet beantwoordt aan de juridische gang van zaken. En wat is massaal? We weten niet hoeveel martelaren er geweest zijn. Het beeld klopt in ieder geval niet dat er een structurele vervolging van christenen door keizers was. Er waren wel acties tegen christenen, maar die waren vooral een zaak van de lokale bevolking in plaats van de Romeinse autoriteiten.”

Maar hoe zit het dan met het spreekwoordelijk wrede optreden van Nero?

„Nero is misschien een lastige zaak, maar zijn acties bleven beperkt tot Rome. Bij de grootschalige acties van Diocletianus, keizer van 284 tot 305, tegen christenen waren er ook lokale bestuurders die deze probeerden te temperen. Over het algemeen waren de keizers vooral bedacht op correcte procedures.”

Janssen denkt dat de maatregelen tegen christenen ook mede terug te voeren zijn op een angst voor alles wat anders is. „Christenen zouden zich schuldig maken aan kannibalisme en incest, wat te maken had met hun visie op het avondmaal. Zij werden ervan beschuldigd dat zij atheïst waren omdat zij zich niet hielden aan de goden van het Romeinse Rijk. De wereld was in die tijd vol met goden, die ook gunstig gestemd moesten worden ter wille van het welzijn van het individu en het rijk. Christelijke apologeten probeerden daarom tegenover de Romeinse autoriteiten aan te tonen dat christenen wel degelijk thuishoorden in het Romeinse Rijk en presenteerden hun geloofsovertuigingen in Romeinse termen. Zeker in de eerste twee eeuwen lijkt dit niet goed gewerkt te hebben, mede omdat christenen zich veel minder op ondubbelzinnig positieve maatregelen uit het verleden konden beroepen dan andere religieuze groepen in de Romeinse wereld.”