CGK willen landelijk één lijn trekken met tucht

Synode CGK 2016
Synode CGK. beeld RD

De generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), woensdag bijeen in Nunspeet, wil landelijk één lijn te trekken ten aanzien van de tucht. Het uitoefenen van tucht berust in concrete pastorale situaties bij een plaatselijke kerkenraad, maar deze is daarbij wel gehouden loyaal te zijn aan wat de generale synode in het algemeen ten aanzien van dergelijke situaties heeft uitgesproken. De classis ziet erop toe dat hieraan uitvoering wordt gegeven.

De concrete aanleiding tot de bespreking was de vraag hoe om te gaan met leden die een homoseksuele relatie zijn aangegaan. Wat in de ene gemeente tuchtwaardig is, is dat in de andere gemeente niet.

Tijdens een vorige bespreking over het onderdeel van de tucht, meenden enkele afgevaardigden meenden zelfs twee verschillende lijnen te ontdekken van omgaan met de tucht: de strenge lijn van de commissie, die het besluitsvoorstel van de deputaten kerkorde en kerkrecht voorbereidde, en de meer soepele lijn van deputaten. Daarbij zou de strenge lijn uitgaan van de binding aan de landelijke besluiten en de deputaten zouden uitgaan van de vrijheid van de plaatselijke gemeente. Deze vermeende tegenstelling en enkele passages in het deputatenrapport waarover de commissie zijn verontrusting had uitgesproken, vormden de aanleiding om als commissie opnieuw met deputaten in gesprek te gaan.

De commissie had het gevoel dat de benadering van deputaten lijkt te zijn: een plaatselijke gemeente ziet het anders dan de landelijke uitspraak en gaat er dan ook anders mee om. Deputaten hebben de commissie echter verzekerd dat zij niet „independentistisch” zijn maar voluit „presbyteriaal en synodaal” willen denken.

Gezamenlijk onderstrepen deputaten en de commissie dat de uitvoering van de tucht bij de kerkenraad ligt, maar dat de kerkenraad zich ook dient te conformeren aan de besluiten van de bredere vergaderingen in het kerkverband (behoudens recht van appel).

Adviseur prof. dr. H. J. Selderhuis vindt dat de kerk niet de kant uit moet gaan van een tegenstelling tussen plaatselijk en bovenplaatselijk. „We hebben een kerkmodel waarin we afgesproken hebben dat de plaatselijke gemeente in zaken die van groot gewicht zijn, een deel van haar gezag afdraagt aan het kerkverband. Het gaat hier niet over kerkrechtelijke kwesties, maar over zonde, over het eeuwig behoud van het individu, dat is de diepe nood achter deze discussie.”

Adviseur prof. dr. A. Huijgen: „Bij de tucht gaat het om de kenmerk van de ware kerk. Dat zet de discussie tussen plaatselijk en bovenplaatselijk in een heel ander licht.”

Ds. H. Polinder (Urk) vroeg zich af wat een classis kan doen als een gemeente toch een eigen weg gaat. Ds. W. N. Middelkoop (Urk) erkende een legitieme verscheidenheid binnen de CGK als het middelmatige zaken betreft. Maar wat als het gaat om zaken die tegen Schrift en belijdenis ingaan?

Commissierapporteur dr. J. W. van Pelt bleef met een „onbestemd gevoel” zitten. Waarom hebben deputaten zich niet concreter over zaken uitgesproken die tot verschil leiden, zoals homoseksualiteit, de vrouw in het ambt en huwelijk na echtscheiding. Vandaar dat de commissie pleit voor verder onderzoek naar de concrete knelpunten.

Deputaatvoorzitter ds. D. Quant: „Als de synode besluit dat iets zonde is, dan zegt onze kerkorde dat de besluiten moeten worden uitgevoerd. De kerkenraad is gehouden daarover tucht uit te oefenen. Dat ligt wat anders bij onderwerpen waarover je een bepaald oordeel kunt hebben, voor of tegen.”

De synode nam nog geen besluit. Het onderwerp komt later terug.