Bremer kerkenraad: Bid voor ds. Latzel

De Sint-Martinikerk in Bremen. Op de voorgrond de rivier de Wezer. beeld RD
2

De kerkenraad van de Sint-Martinigemeente in het Duitse Bremen heeft zondag opgeroepen tot gebed voor zijn predikant, ds. Olaf Latzel, en de gemeente.

„We bevinden ons in een moeilijke discussie”, zei kerkenraadslid Jürgen Fischer in een verklaring na afloop van de dienst, waarin ds. Latzel zelf nog voorging.

De predikant kreeg donderdag van het openbaar ministerie (OM) van de deelstaat Bremen te horen dat hij was aangeklaagd wegens „volksopruiing.” Aanleiding vormden uitlatingen van hem tijdens een huwelijksseminar in oktober over homoactivisten die het op hem en zijn gemeente voorzien hebben. Na een dienstgesprek met de Bremer Evangelische Kerk (BEK), vrijdag, gaat ds. Latzel zes weken met –ongepland– verlof.

Ook zondag stond er weer een homoactiviste, met regenboogkleuren op haar ontblote borsten, voor de deur van de Sint-Martinikerk, in het centrum van Bremen, zo meldde nieuwsdienst Idea. Tegenover Radio Bremen spraken tal van gemeenteleden hun steun uit voor hun predikant.

Schandaal

„Het schandaal van Bremen” noemt Idearedacteur ds. David Wengenrot uit Dortmund de gang van zaken rond ds. Latzel in een commentaar op de website van de protestantse nieuwsdienst. Wengenrot is predikant binnen de Evangelische Kerk van Westfalen en gepromoveerd jurist. Hieronder volgt zijn volledige bijdrage:

Rond Olaf Latzel scheiden zich de geesten. Om die reden is hij winst voor de (in doorsnee liberale, red.) Evangelische Kerk. Niemand moet zijn consequent conservatieve standpunten delen en zijn soms krasse formuleringen goedvinden. Maar de rond de 400 mensen die iedere zondag in de Bremer Sint-Martinikerk bijeenkomen, doen dat blijkbaar wel, evenals de 20.000 (!) meekijkers via YouTube.

Of zou het helemaal niet echt gemeend zijn als evangelische (protestantse, red.) kerkleiders in feestelijke redes de verscheidenheid en vrijheid roemen die het protestantisme zo zouden kenmerken? De Bremer Evangelische Kerk (BEK) –waaronder de Sint-Martinigemeente valt, red.– maakt er in elk geval geen geheim van dat zij de lastige pastor liever vandaag dan morgen zou kwijtraken. Het is dan ook duidelijk hoe welkom haar de aanklacht van het openbaar ministerie tegen hem is.

Daarbij komt dat deze aanklacht juridisch gezien een schandaal is. De argumentatie van het openbaar ministerie staat bol van de juridische missers. De beschuldiging van volksopruiing is absurd, want daarbij gaat het om uitingen die „erop gericht zijn de openbare vrede te verstoren.” Geen kerkdienstbezoeker, seminardeelnemer of internetgebruiker heeft na het beluisteren van een Latzel-preek echter vernielingen gepleegd of mensen aangevallen. Omgekeerd werden erediensten van de Martinigemeente verstoord, werd haar kerkgebouw met antichristelijke leuzen besmeurd en Latzel met de dood bedreigd. Dat de officieren van Justitie hem verwijten de openbare vrede in gevaar te brengen, is in één woord cynisch. En het grenst aan rechtsverdraaiing, hoe Latzel uitspraken toegedicht worden die hij helemaal niet gedaan heeft. Zo heet het in de persmededeling van het openbaar ministerie dat hij „homoseksuelen generaliserend als misdadigers heeft getypeerd.” Dat valt echter uit de door hem gebruikte woorden „Overal lopen deze misdadigers van deze Christopher-Street-Day (homoactivisten, red.) rond” helemaal niet af te leiden. Uit de context van zijn uitlating blijkt dat Latzel niet „generaliserend” over homoseksuelen sprak, maar over de activisten die hem en zijn gemeente hebben aangevallen.

Dat betekent niet dat men de uitspraken moet goedkeuren. Ze waren overtrokken, ongelukkig en onacceptabel – maar strafbaar waren ze niet. Latzel heeft zich publiekelijk verontschuldigd. Het is pijnlijk en treurig, hoe de Bremer Kerk zich achter het openbaar ministerie verschanst – om in geen geval de gedachte toe te laten dat zijn uitlatingen, gezien alle vijandelijkheden tegen hem, in menselijk opzicht eenvoudigweg te begrijpen waren. Of heeft menselijk begrip in de Bremer Kerk dezelfde zuiver theoretische betekenis als verscheidenheid en vrijheid?