Bisschop Melito van Sardis vertelt over opgestane Koning

beeld Getty Images/iStockphoto
3

De oudst bekende homilie over het lijden en sterven van Jezus werpt licht op de rol van Pasen in de Vroege Kerk. Bisschop Melito van Sardis noemt Jezus zonder reserves God en verwijt het Joodse volk Hem te hebben vermoord.

De woorden van het geheimenis zijn verklaard; hoe het schaap werd geslacht en het volk werd gered. Met die woorden begint Melito zijn homilie. „Begrijp dit, mijn geliefden: het geheimenis van het Pascha is nieuw en oud, eeuwig en van dit moment, vergankelijk en onvergankelijk, sterfelijk en onsterfelijk.”

Al direct wijst de bisschop van Sardis –een van de zeven gemeenten in Klein-Azië– zijn gehoor erop dat het gedode lam in Egypte symbool stond voor iets veel groters: „Want het offer van het schaap en de komst van het lam tot de slachtbank en de uitgevaardigde wetten leidden allemaal tot Christus en werden volbracht in Hem, om Wie alles gebeurde in de oude wetten en nog meer in het nieuwe Evangelie. (…) Want Hij Die als Zoon was geboren en als lam ter slachting werd geleid, Die als schaap werd geofferd en als mens werd begraven, stond op uit de dood als God, want Hij is zowel God als mens.”

„Hij is het Pascha dat ons verlossing bracht”, jubelt Melito dan ook uit in ”Peri Pascha” (”Over het Pascha”), de oudst bewaard gebleven paashomilie. De bisschop wijst als het ware met zijn vinger naar boven en komt woorden tekort om te zeggen dat Jezus hét Paaslam is Dat werd geslacht. „Hij is het Die geduldig veel dingen in veel mensen verdroeg: Die werd gedood in Abel, als een offer werd gebonden in Izak, in Jakob werd verbannen en in Jozef werd verkocht; Die in Mozes aan de kant werd geschoven en in het lam werd geofferd; Die werd opgejaagd in David en in de profeten werd onteerd.”

Even daarvoor heeft Melito in zijn homilie, een informele ”nadere verklaring” over een godsdienstig onderwerp, uiteengezet hoe het Godslam al in de tijd van Mozes en de profeten Zijn schaduw vooruitwierp. Naar aanleiding van Exodus 12 –over het bloed aan de deurpost– vertelt hij zijn gehoor over het lam en het Lam en over het bloed en het Bloed, maar ook over het bloed dat aan Israëls handen kleeft door de dood van het Lam.

Papyrus

Melito van Sardis leeft in de tweede eeuw na Christus. Over het leven van de kerkvader, die bisschop was in de gemeente Sardis waaraan de apostel Johannes zich in het Bijbelboek Openbaring richt, is weinig bekend. Melito zou de eerste bisschop zijn geweest van Sardis, een multiculturele stad in Klein-Azië met maar een kleine christelijke gemeenschap. Dat Hiëronymus van Stridon en Tertullianus hem een profeet noemen, heeft wellicht te maken met de manier waarop Melito het Evangelie verkondigt: hij verdedigt de geloofsleer met verve. Ruim anderhalve eeuw na Melito’s dood schrijft bisschop Eusebius dat Melito zeer onderlegd was. Zo zou hij veel hebben geschreven over de kerk, de schepping, de doop, de lichamelijkheid en menswording van Christus en Zijn lijden. Zijn ”Peri Pascha” staat te boek als de oudst bekende preek.

Toch betekent dat niet dat de verklaring over Pasen al eeuwenlang bekend is. Pas vanaf 1932 werd een reeks handschriften ontdekt waaruit in dit artikel ruim wordt geciteerd. Onderzoekers vonden in twee collecties een papyrus uit de vierde eeuw, waarna met behulp van een andere papyrus en verschillende fragmenten in het Koptisch, Syrisch en Georgisch de tekst kon worden gereconstrueerd. In de homilie vallen niet alleen de heldere lijn van het Oude naar het Nieuwe Testament en de volmondige erkenning van Jezus als Heere op, ook de duidelijke taal spreekt boekdelen. Melito grossiert in poëtische herhalingen, waardoor de volle nadruk valt op Christus en Zijn verzoenend werk. Het staccato waarmee de tijding van Goede Vrijdag en Pasen aan de man wordt gebracht, onderstreept de boodschap en laat niets aan duidelijkheid te wensen over.

Joodse gebruiken

Opvallend aan Melito is dat hij voor een groot deel de Joodse gebruiken volgt. Als quartodecimaan viert hij het paasfeest op dezelfde datum als de Joden: de 14e dag van de maand nisan (quartodecimaan betekent veertienen). Zijn strikte naleving van de Joodse gebruiken geeft sommige kerkhistorici aanleiding om te denken dat Melito zelf een Jood was. Uit zijn homilie blijkt bovendien hoeveel kennis hij heeft van het Pascha. Toch spreekt de bisschop zich ook nadrukkelijk uit tegen de Joden. Zo gaat hij vurig in tegen de Joden, die volgens hem verantwoordelijk zijn voor de dood van Christus en daarmee een straf van God over zich hebben afgeroepen.

„Staat er niet voor uw voordeel geschreven: „Vergiet geen onschuldig bloed, opdat u geen vreselijke dood sterft?”” roept Melito uit. „Toch zegt Israël: „Ik doodde de Heere!” (…) O wetteloos Israël, waarom beging u deze buitengewone misdaad en gaf u uw Heere –uw Meester, uw Formeerder, uw Maker, Hem Die u vereerde, Hem Die u uw naam gaf– over aan nieuw lijden?”

Het is de bisschop duidelijk dat de dood van Jezus niet ongestraft kán blijven: „Daarom is het feest van de ongezuurde broden u bitter geworden. (…) Bitter zijn de spijkers waaraan u een punt maakte. (…) Bitter is de gal die u hebt bereid. (…) Bitter zijn uw handen, die rood van bloed kleurden toen u uw Heere doodde in het midden van Jeruzalem.”

Hoorders van niet-Joodse afkomst worden tot getuige geroepen: „Zie toe, alle naties! Er vond een buitengewone moord plaats in het midden van Jeruzalem – de stad die aan Gods wet was toegewijd, de stad van de Hebreeën, de stad van de profeten, de stad die rechtvaardig werd genoemd. Wie werd er vermoord? En wie was de moordenaar? Ik schaam me het antwoord te moeten geven.”

Uit het vervolg van de preek blijkt dat de vergelding voor de dood van Gods Zoon al heeft plaatsgevonden. De gevolgen van die straffen neemt Melito om zich heen waar. In de tijd waarin hij leeft, hebben het politieke en religieuze leven in het Beloofde Land immers flinke klappen te verduren gekregen. De gelijkenis met de dood in Egypte is bovendien treffend. „U [Israël] beweende de Heere niet, maar weende wel om uw eerstgeborenen. (…) U keerde de Heere uw rug toe, en werd niet door Hem gevonden. U wierp de Heere op de grond, maar werd zelf ook op de grond geworpen en ligt daar dood.”

Stijl

Toch laten de passages niet per definitie zien dat de bisschop van Sardis een antisemiet was, zoals in later tijden is beweerd. Melito lijkt er eerder op uit het Joodse volk te confronteren met een onrechtvaardige daad die des te ernstiger blijkt omdat ze God Zelf aan het kruis spijkerden. Dat hij daarbij geen blad voor de mond neemt, kan worden verklaard uit het feit dat het christendom het als nieuwe godsdienst op moest nemen tegen het grotere, oudere en meer gezaghebbende jodendom.

Ook de stijl die Melito in zijn preek hanteert speelt een rol. In de Joodse Haggada, het boekje waaruit Joden aan de vooravond van het Pascha lezen, wordt eveneens de diepte van het lijden van het Joodse volk uitgebreid beschreven, om daarna tot een hoogtepunt te komen. Hoe zwarter de nacht is, des te helderder licht de dag. Die verteltechniek is ook zichtbaar in ”Peri Pascha”. Na de tirade over de gebeurtenissen op Goede Vrijdag schakelt Melito zonder omwegen over naar Pasen, dat daar onvermijdelijk op moest volgen: „Toen de Heere, Die Zichzelf had bekleed met een menselijke gedaante, had geleden omwille van de lijdende, was gebonden omwille van de gebondene, was veroordeeld omwille van de veroordeelde en was begraven omwille van de begravene, stond Hij op uit de dood en riep Hij met luider stem: „Wie is hij die met Mij twist? Laat hij zich tegenover Mij stellen. Ik bevrijdde de verdoemde, Ik gaf de dode het leven. (…) Ik, zegt Hij, ben de Christus. Ik ben het Die de dood vernietigde, de vijand overwon en de hel vertrad onder Mijn voeten. (…) Kom daarom o mensheid, u die bent bedrukt door de zonden, en ontvang vergeving van uw zonden. Ik ben uw vergeving, Ik ben het Pascha van uw heil, Ik ben het Lam Dat voor u is geslacht, Ik ben uw Borg, Ik ben uw Licht, Ik ben uw Redder, Ik ben uw Wederopstanding, Ik ben uw Koning, Ik leid u naar de hemel, Ik zal u tonen aan de eeuwige Vader, Ik zal u verhogen met Mijn rechterhand.”

Zo eindigt een reeks eeuwenoude papyrussnippers, verspreid over meerdere continenten en alleen bekend van fragmenten in meerdere talen, met de volmondige belijdenis: Jezus is Koning en Heere – een boodschap die bijna 2000 jaar later nog even actueel is: „Het Peri Pascha van Melito. Vrede aan de auteur, aan ieder die dit leest en aan ieder die de Heere liefheeft in eenvoudigheid des harten.”