Bijna twaalf? Dan twaalf stokslagen

Henri Dahlem voor het voormalige kindertehuis De Sprankel in Veldhoven, waar hij tot zijn vierde levensjaar heeft gewoond. beeld Bert Jansen

Als hij vier jaar is, komt Henri Dahlem (48) in een pleeggezin terecht. Pleegvader en -moeder zijn Jehovah’s getuigen. „Dan komt het wel goed met Henri”, zegt zijn stiefoma. Maar niets bleek minder waar.

De metersbrede boekenkast in de woonkamer van zijn appartement in Aalten puilt uit. In zijn jeugd mocht Dahlem geen boeken lezen en dat lijkt hij nu te compenseren. Ook op de salontafel liggen stapels boeken. Voornamelijk over theologie, geschiedenis, politiek en sport.

Ruim veertig jaar houdt Dahlem, van Nederlands-Indische komaf, zijn mond over zijn verleden. Niemand mag weten wat hem is overkomen in het pleeggezin waar hij veertien jaar heeft gewoond. Hij schaamt zich ervoor, is bang om niet geloofd te worden.

ANP-25793739Kinderen in jeugdzorg waren decennia onveilig

In 2018 besluit hij het stilzwijgen te verbreken en vertelt hij voor het eerst zijn levensgeschiedenis aan de commissie Geweld Jeugdzorg. Die doet op verzoek van de Tweede Kamer onderzoek naar niet-seksueel gerelateerd geweld in jeugdinstellingen en pleeggezinnen. Op zaterdag 15 juni presenteert de commissie in een besloten bijeenkomst haar bevindingen.

In het Reformatorisch Dagblad wil hij opnieuw zijn verhaal doen. „Zodat iedereen weet hoe moeilijk het is om te lijden onder fysiek en geestelijk geweld, wanneer gedreigd wordt met Bijbelteksten.” Maar vooral „om te laten zien dat ik door de genade van God mijn geloof heb behouden.”

Zakelijk, doorspekt met feiten, maar zonder merkbare emotie vertelt hij zijn levensgeschiedenis. Alleen als de nalatigheid van de kinderbescherming of de voogdijstichting ter sprake komt, wordt hij fel. Hij zwaait dan met rapportages die hij uit opdiept een zwarte aktetas die naast zijn fauteuil staat. „Die mensen hebben zitten slapen.”

Hersenbeschadiging

Het levensverhaal van Dahlem begint triest. Ruim zes weken na zijn geboorte wordt de kleine Henri in het ziekenhuis opgenomen, omdat hij ernstig is mishandeld door zijn moeder. Hij loopt hierdoor een hersenbeschadiging op.

Na drie maanden plaatst de kinderbescherming Dahlem en zijn oudere zus in kindertehuis De Sprankel in Veldhoven. „Ik had het daar prima naar mijn zin. Ik kon goed met de verzorgsters en de andere kinderen opschieten. Later hoorde ik dat een van de verzorgsters mij wilde opnemen in haar gezin, maar dat dit niet mocht van de directie.”

Als hij vier jaar is, verhuist de kinderbescherming Henri en zijn zus naar een pleeggezin in Tilburg. Zijn pleegouders zijn lid van het Wachttorengenootschap, oftewel Jehovah’s Getuigen, en hebben drie biologische dochters. „Mijn stiefoma was ook Jehovah’s getuige. Zij wilde dat ik geplaatst werd bij een gezin met dezelfde levensovertuiging. „Dan komt het wel goed met Henri”, zei ze.”

In het pleeggezin wordt hij gedwongen van zijn pleegouders te houden. „Ze vertelden ons dat wij dankbaar moesten zijn dat wij bij hen mochten wonen, want niemand anders wilde ons hebben. We moesten hen papa en mama noemen. Ook zagen ze het als een ingreep van Jehova dat mijn vader in 1975 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Dit had God gedaan om ervoor te zorgen dat wij bij hen zouden blijven.”

Liefde krijgen Henri en zijn zus nauwelijks. „Ik kreeg afgedankte kleren en als mijn pleegouders op vakantie gingen, dan werden wij gedumpt bij andere jehovah’s.”

Zijn moeder komt iedere vrijdagmiddag op bezoek en neemt vaak een autootje voor hem mee. „Ik had een koffer waarin ik deze auto’s bewaarde. Plotseling moest ik die van mijn pleegouders weggooien, omdat ik de autootjes van mijn moeder had gekregen. Zij was een ex-Jehovah’s getuige en volgens hen zaten er demonen in de koffer.”

Toneelspeler

Dahlem en zijn zus krijgen regelmatig slaag, „met de vlakke hand of met een stok.” Hij herinnert zich de keer dat zijn pleegmoeder had ontdekt dat hij de finale had gewonnen van een toneelwedstrijd voor carnaval. „Mijn pleegmoeder was leesmoeder op school. Mijn vriendje Coen, met wie ik het toneelstuk samendeed, vertelde haar in geuren en kleuren wat een goede toneelspeler ik was. Mijn pleegmoeder was laaiend. Ik moest ’s avonds mijn toneelact in het gezin opvoeren. Toen ik dat weigerde, sloeg mijn pleegmoeder mij in mijn gezicht. Mijn pleegvader sleurde mij mee naar de zolder. Daar moest ik op mijn buik gaan liggen. Hij gaf mij twaalf stokslagen, omdat ik in april twaalf jaar zou worden. De pijn vond ik niet het ergste. Wel de vernedering.”

In de puberteit prenten zijn pleegouders hem in dat hij ongehuwd moet blijven. „Ze zeiden dat geen enkele vrouw mij zou accepteren. Ik was alleen bruikbaar voor het Wachttorengenootschap en moest maar ongehuwd ouderling worden. Dit verhaal ging ik al jong geloven.”

Hij heeft interesse voor politiek en geschiedenis, maar het Wachttorengenootschap verbiedt hem hier boeken over te lezen. „Ik werd in de bibliotheek bespied door andere Jehovah’s getuigen.”

Dahlem gaat steeds meer dingen stiekem doen en leidt een dubbelleven. Zo raakt hij betrokken bij de antiapartheidsbeweging. „Toen ik op een avond thuiskwam met een Free Mandela-button op mijn jas, werd ik in mijn gezicht geslagen door mijn pleegvader. Ik ben toen naar de Koninkrijkszaal van de Jehovah’s Getuigen gefietst en heb daar alles verteld aan een ouderling. Daarna ben ik bij mijn geschiedenisleraar in huis gekomen. Deze man woonde in een fraterhuis.”

Na zijn vertrek uit het pleeggezin is hij nog een aantal jaren actief binnen het Wachttorengenootschap. In 1994 sluiten de Jehovah’s Getuigen hem uit, omdat hij politiek actief is en gaat stemmen, wat binnen het kerkgenootschap als een zonde wordt gezien. „Soms voel ik me nog schuldig over mijn afvalligheid. Ik heb veel aan de Jehovah’s Getuigen te danken. Van hen heb ik geleerd te organiseren en representatief gekleed te zijn: strak in het pak met een zwarte aktetas. Dat raak ik niet meer kwijt.”

Breuk

In 2010 breekt hij definitief met de Jehovah’s Getuigen. „Als je altijd bent opgevoed met het idee dat dit het enige ware geloof is, is het moeilijk om daar afstand van te nemen. Het sociaal en geestelijk isolement als gevolg van de uitsluiting valt me zwaar.”

Sinds hij zijn verhaal heeft gedaan aan de commissie gaat het niet goed met Dahlem. „Ik heb altijd hard gewerkt en stond voor anderen klaar. Letterlijk en figuurlijk strak in het pak. Na het gesprek met de commissie is mijn verleden als een boemerang teruggekomen. ’s Nachts kan ik niet slapen en heb ik herbelevingen. Ook heb ik lichamelijke klachten. Het lukt mij momenteel niet om te werken. Ik heb mij aangemeld voor traumatherapie. Hopelijk kan ik daar snel terecht.”

Boosheid voelt hij niet richting zijn pleegouders. Ze zijn allebei nog in leven, maar hij heeft geen contact met hen. „Ik koester geen wrok of verbittering. De Heer heeft mij altijd de kracht gegeven om elke vorm van lijden te kunnen dragen. Ik voel eerder medelijden.”

Wel neemt hij het de kinderbescherming en de Stichting Toeziende Voogdij kwalijk dat er geen gedegen onderzoek naar zijn pleegouders is gedaan. „Tijdens de veertien jaar dat ik bij hen woonde heeft mijn voogd nooit door het mooie plaatje heen kunnen prikken. De gemeenschap van Jehovah’s Getuigen en enkele leerkrachten van mijn basisschool waren op de hoogte van de situatie binnen ons gezin. Enkele ouderlingen hebben mijn pleegouders zelfs sterk afgeraden om mijn zus en mij op te nemen, omdat zij dat fysiek en geestelijk niet aan zouden kunnen. Maar niemand heeft ingegrepen. Dat vind ik onbegrijpelijk.”

Genade

Dahlem is nu aangesloten bij de Vergadering van Gelovigen, waar hij pastoraal werk verricht. „Alleen door de genade van God heb ik mijn geloof behouden. De woorden van de apostel Paulus uit 1 Korinthe 10:13 zijn mijn lijfspreuk. God heeft mij niet verzocht boven wat ik kon verdragen, maar met de verzoeking ook de uitkomst gegeven.”

Het Wachttorengenootschap zegt in een reactie „niet vrij te zijn om in te gaan op individuele kwesties.”

Woordvoerder Michel van Hilten verwijst voor het standpunt van het kerkgenootschap inzake de verzorging en opvoeding van kinderen naar de website van de Jehovah’s Getuigen.

Commissie Geweld Jeugdzorg kreeg 942 meldingen

Bij het meldpunt voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg zijn in totaal 942 meldingen binnengekomen. Dat meldt de Commissie Geweld Jeugdzorg op haar website. De commissie, onder leiding van prof. dr. Micha de Winter, hoogleraar maatschappelijke opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht, doet sinds 2016 onderzoek naar fysiek en psychisch geweld in de jeugdzorg en in pleeggezinnen vanaf de Tweede Wereldoorlog.

Uit de eerste bevindingen komt naar voren dat de meeste mishandelingen plaatshadden in de jaren zestig en zeventig bij de residentiële jeugdzorg en in de pleegzorg. Het ging vaak om een combinatie van psychisch en fysiek geweld. Zaterdag 15 juni presenteert de commissie officieel haar bevindingen.

De Universiteit Utrecht doet onderzoek naar seksueel misbruik binnen het genootschap van de Jehovah’s Getuigen. Deze commissie heeft eveneens een contactpunt opgericht en maakt dit najaar haar bevindingen bekend.

Henri Dahlem

Henri Bolte wordt geboren op 17 april 1971 in het Brabantse Goirle. Na ernstige mishandeling door zijn moeder plaatst de kinderbescherming hem als baby in kindertehuis De Sprankel in Veldhoven. Op zijn vierde verhuist hij met zijn zus naar een pleeggezin in Tilburg. Zijn pleegouders zijn Jehovah’s getuigen. In het gezin krijgt hij te maken met fysieke en psychische mishandeling. Op zijn zeventiende verlaat hij zijn pleegadres.

Na zijn middelbareschooltijd doet Bolte een opleiding tot pastoraal werker aan het Opleidingsinstituut voor Vrijzinnig Pastoraat (OVP) in Bilthoven. Vervolgens gaat hij aan het werk in de Nederlandse kerk in Berlijn. Daar zet hij zich in voor de belangbehartiging van Koerden. Sinds 2003 werkt hij voor verschillende cliëntenraden binnen de geestelijke gezondheidszorg, onder meer in Dordrecht en Arnhem.

In 2002 laat hij zijn naam officieel veranderen in Dahlem, een wijk van Berlijn, omdat zijn eigen familie geen contact meer met hem wil.

Kerkelijk bezoekt hij de samenkomsten van de Vergadering van Gelovigen. Daar verricht hij pastoraal werk. Dahlem woont in Aalten en is ongehuwd. Hij houdt van het doen van Bijbelstudie, toneel, hardlopen en politiek.