Barmhartige Samaritaan in een land van verdrukking

Heinrich Grüber (l.) en Martin Niemöller (r., naast zijn echtgenote) in Berlijn. De foto is genomen op oudejaarsdag 1951. beeld EPD / AKG Images

In Weimar was een groep gevangenen aangekomen vanuit kamp Sachsenhausen op weg naar Dachau. Voorop liepen een predikant en een priester. Stilletjes werden zij door reizigers gegroet, een spoorwegbeambte huilde.

Dicht bij de groep stonden een oude vrouw en een kleuter van vijf. Zojuist waren zij uit een trein gestapt. „Oma, wat zijn dat voor mannen?” was de nieuwsgierige vraag van het kleinkind. Oma pakte vlug de hand van het meisje en zei: „Kom, ga mee, het zijn misdadigers.” Daarop reageerde de predikant: „Nee, lief kind, wij zijn net zulke aardige mensen als jij en je oma.” Toen hij dit zei, sloeg een SS-bewaker hem hard met de kolf van zijn geweer. Maar in zijn gedachten klonk de profetie van Jesaja over Jezus: „Hij is onder de misdadigers gerekend.” Zelden heeft een Bijbelwoord hem meer getroost dan dit woord.

Wie was deze predikant? Heinrich Grüber.

Heinrich werd geboren op 24 juni 1891 in Stolberg (Aken). Zijn vader was leraar en zijn moeder was van Nederlandse afkomst. Van haar leerde hij de Nederlandse taal. Na een voorspoedige schoolloopbaan ging hij geschiedenis, filosofie en theologie studeren in Berlijn en Utrecht. In de laatste stad dacht hij erover om te promoveren op Adriaan van Haemstede, calvinistisch predikant te Antwerpen, Londen en Aken en schrijver van het martelarenboek. Ten slotte koos hij helemaal voor de studie theologie. In Wuppertal werd hij vicaris. Tevens verrichtte hij sociaal werk in Stolberg. Van jongs af trok zijn hart naar de sociaal zwakkeren en verdrukten om hen te helpen. Ook was hij actief in allerlei jeugdwerk.

In de Eerste Wereldoorlog vervulde Grüber zijn militaire dienstplicht en werd hij aalmoezenier. Met de domineesdochter Margarete Vits trouwde Heinrich in 1920. Het echtpaar kreeg drie kinderen.

In 1933 kwam Hitler aan de macht. Maar van hem en zijn ‘profeet’, de partijfilosoof Rosenberg, moest Grüber niets hebben. Daarom keerde hij zich tegen de sterilisatiewet, euthanasie en antisemitisme. Ook nam hij bewust afstand van de persoonlijkheidscultus rond Hitler en diens herbewapeningsplan. Het was dan ook geen wonder dat hij zich aansloot bij de Bekennende Kirche.

In 1934 werd Grüber predikant van de Jezuskerk in Berlijn-Kaulsdorf. Tegelijk was hij daar pastoraal en sociaal verantwoordelijk voor de Nederlandse gemeente.

Büro Grüber

Kort voor de Kristallnacht richtte hij Büro Grüber op. Deze in het klein begonnen organisatie kreeg een landelijk netwerk voor hulp aan vervolgde en gedoopte Joden die wilden emigreren. Er was een goede samenwerking met opperrabbijn dr. Leo Baeck. Ook met de Nederlandse minister van Onderwijs, Slotemaker de Bruine, was hierover contact toen Grüber in Nederland was.

Na de oorlog getuigde hij over november 1938: „Als aan de grond genageld door afgrijzen en ontzetting waren wij getuige van vernielzucht en moord. We waren verlamd, deden niets en voelden schuld en schaamte. Eigenlijk hadden wij een Bijbels protest moeten uitschreeuwen als eens ds. Paul Schneider in Buchenwald. Hij was toen de enige martelaar die de christelijke kerk in de nazitijd had. Wij hebben gezwegen en mogen nog leven, maar zijn we onschuldig? Hebben we nog niets begrepen van Kaïns vraag: Behoor ik mijns broeders beschermer te zijn?”

Kort voor Kerst 1940 werd Grüber gearresteerd door de Gestapo vanwege hulp aan Joden. Zijn bureau, dat bijna 2000 Joden had geholpen, werd opgeheven.

Eerst bracht men hem, op bevel van Heydrich, Himmlers rechterhand, in concentratiekamp Sachsenhausen, later in Dachau. Het bericht dat de leider van het Büro was gearresteerd, werd door de Amerikaanse president Roosevelt op een persconferentie gememoreerd. In Sachsenhausen gebeurde het volgende: Grüber moest een dag voor Pasen de kampstraat aanharken. Hij wist dat zijn ambtsbroeder Martin Niemöller ook over die straat zou lopen. Om hem te bemoedigen, schreef hij op de grond met grote letters: ”vivit” (Hij leeft).

Door een bewaker in Dachau werd Grüber in elkaar geslagen. Toen hij op de grond lag, trapte de wreedaard met zijn laars tanden uit zijn mond. In dit concentratiekamp werd eens de kleinste synode gehouden van de Bekennende Kirche over de vraag: „Zullen wij Hitler gehoorzamen als we ontslagen worden? Ja of nee?” Na gebed en raadpleging van Bijbel en belijdenisgeschriften besloten de predikanten tegen deze verzoeking „Nee” te zeggen.

In 1943 werd Grüber onverwacht vrijgelaten. In dit jaar werd ook zijn pastorie vernield bij een geallieerd bombardement. Een jaar later vond de mislukte aanslag op Hitler plaats. Hoe dacht Grüber hierover? „Ik keurde deze aanslag goed, omdat het de enige mogelijkheid was om deze politieke amokmaker te stoppen.”

Grüber overleefde het einde van de oorlog. In Berlijn hoorde hij een uitzending van Radio Oranje die verslag deed van de terugkeer van koningin Wilhelmina in Nederland. Grüber: „Wij schaamden ons als mannen niet voor onze tranen, toen uit duizenden monden het fiere Wilhelmus klonk.”

In 1945 werd hij leidinggevend predikant van de St. Mariakerk in Berlijn. Toen de Russen Berlijn hadden veroverd, verborg hij vrouwen en meisjes in zijn kerk tegen de verkrachtingswoede van de bezetters. Op de kerkdeur stond geschreven: ”Hier nix Frauen, hier Pope!”

Na de oorlog richtte Grüber een bureau op voor hulp aan slachtoffers van rassendiscriminatie en vluchtelingen. Tevens werd hij de voornaamste vertegenwoordiger van de Evangelische Kerk in Duitsland. De rechten van de kerk verdedigde hij tegenover de staat (DDR). Na een zeer arbeidzaam leven overleed Grüber in 1975 te Berlijn aan een hartaanval.

Preek

In Dachau was een speciale barak voor geestelijken. Men kon daar ’s avonds en ’s morgens een korte meditatieve bijeenkomst houden. In het vertrek van de predikanten werd op zondagmiddag een ‘kerkdienst’ gehouden. Toen Grüber eens preekte, was een groep SS-officieren aanwezig. Zijn tekst was Romeinen 1:16.

Enkele gedachten waren: „Broeders, dit woord is voor het eerst gesproken in de gemeente van Rome. In deze grote wereldstad met zijn verleidingen was een kleine, onbeduidende gemeente van Christus. Dit groepje christenen werd nauwelijks door de machtigen opgemerkt en door de wijzen bespot. Rome was een wereldmacht en Augustus was wereldheerser en had de vrede gebracht. Men sprak: „Rome is eeuwig.” In Rome leefde ook een Joodse gemeente. Zij waren trots op hun afkomst en hun ras.

De christenen konden zich niet beroemen op politieke macht of afkomst. De God voor Wie zij knielden, was onmachtig en veracht. Hoe kon een Timmermanszoon de Romeinen imponeren en een Kruisdrager de Joden? De één ergerde zich aan het kruis, de ander vond het de grootste dwaasheid. En toch schreef Paulus aan dat groepje christenen, die tegen de stroom van de tijdgeest in moesten roeien, zijn inhoudsvolle Romeinenbrief. Hij bemoedigde en troostte hen met een heerlijke belofte: „Ik schaam mij niet.” Misschien lachen wij vandaag om de mensen die toen spraken over het eeuwige Rome, omdat zij de tijd en de straat beheersten en Paulus een bedrieger noemden. Echter, de minderheidspositie waarin Paulus zich bevond, komt steeds terug en zijn verkondiging geldt voor alle tijden en plaatsen, omdat het Gods Woord is. Ook vandaag wil men liever overgaan tot de orde van de dag dan kruisdrager achter Jezus te zijn. (...)

Maar Gods Woord blijft actueel: „De poorten van de hel zullen Gods kerk niet overwinnen.” De Heilige Geest leert heden de kleine groep christenen eveneens te belijden: „Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus.”

Luther

Ook Luther leefde in een tijd dat Rome de werkplaats was van de antichrist. De paus, die ook in een eeuwig Rome geloofde, vroeg: „Wat wil die monnik?” En de machtige keizer, in wiens rijk de zon niet onderging, sprak: „Wat wil die onbeschaafde boerenknaap?” Maar Luther schonk ons opnieuw Gods Woord, dat Paulus verkondigde: „Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus.” Het front van Joden en Grieken, waar Luther tegen streed, was hetzelfde als in Paulus’ dagen: verheerlijking van ras (voorouders) en trots zijn op wijsheid en kracht. En naast deze machten staat een kleine groep christenen die weet heeft van het kruis.

Iedere kerk die onder dit kruis van Jezus staat, gaat moedig en getroost de weg van het kruis als de weg tot de overwinning.

Luther zei in een preek over Romeinen 1:16: „Jezus is overwinnaar over zonde, dood, duivel en hel. Hij kan midden in de dood redden die door de Geest in Hem geloven.” En nu worden Joden en Grieken tot die zaligheid geroepen. Er wordt niet gevraagd wie je vader of grootmoeder is. Jezus vraagt: „Wil je bij Mij horen, ja of nee?”

Vandaag zwijgen veel kerkmensen, omdat ze brood willen eten. Leidinggevenden zwijgen, omdat ze promotie willen maken. Alleen een kleine groep christenen zwijgt over het onrecht en de goddeloosheid niet, ondanks dat ze voor waanzinnig en dwaas worden uitgescholden en gevangengezet.

Miljoenen slavenzielen die eens in het oude Rome „Heil Augustus!” brulden en geestdriftig van het eeuwige Rome spraken, zijn gestorven en vergeten. Maar het woord in de catacomben gesproken en door verachte christenen gehoord, zal eeuwig blijven. Ook dit woord: „Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus!” Dat woord heeft toekomst als bevel en belofte, als schat en bescherming, als troost en moed van de kerk.

Het is nu tijd voor een oprecht getuigenis. Om, ondanks alle tegenstand, ongehinderd te spreken de goede belijdenis. En te midden van het razen onzer vijanden in het heidendom, loven en prijzen wij het Evangelie alom! Amen.”

Ontmoeting met Eichmann

„Op een avond was ik in het Reichssicherheitshauptambt om te pleiten voor mijn Joodse landgenoten. Meermalen was ik daar geweest vanuit mijn bureau en had daar steeds een man ontmoet bij wie al onze verzoeken afgeketst waren als op een blok ijs of marmer. Nu stond ik opnieuw voor hem. Hij vroeg mij waarom ik mij zo veel moeite getroostte om Joden te helpen. (...) „U heeft geen Jood in uw familie. Het is helemaal niet nodig dat u hen helpt. (...) Ik begrijp totaal niet waarom u dit werk doet.” Mijn antwoord was: „Kent u de weg tussen Jeruzalem en Jericho? Op die weg lag eens een overvallen en beroofde Jood. Hem passeerde een man die door ras noch religie iets met het slachtoffer te maken had: een Samaritaan. Deze man hielp hem. De les die deze geschiedenis ons leert is: Ga heen en doe ook zo!”

Eichmann schrok en was een ogenblik met stomheid geslagen. Ten slotte groette hij mij en ging weg. In 1961 zagen we elkaar weer bij zijn proces in Jeruzalem, waar ik tegen hem getuigde.”

Gereformeerde bruggenbouwer

Grüber was een gereformeerd theoloog die door genade, ook in de concentratiekampen, trachtte te praktiseren wat de Bijbel van hem eiste: „God liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf.” Hierbij was de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan richtinggevend, ook al kostte hem dat bijna zijn leven. De kerk diende ongehinderd haar profetisch getuigenis te spreken in een vijandige wereld. Na de Tweede Wereldoorlog trachtte hij als bruggenbouwer te fungeren tussen oost en west, waarbij hij veel (wereld)leiders ontmoette uit kerk en politiek. Energiek heeft hij gewerkt om het Duitse volk met Israël te verzoenen. Daarvoor kreeg hij in Jeruzalem de onderscheiding ”Rechtvaardige onder de volken”. Hij kreeg nog vele andere onderscheidingen en koningin Juliana benoemde dr. Grüber tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Ook werd zijn naam verbonden aan straten, scholen en verzorgingshuizen.

De diepste motivatie van deze protestantse theoloog en christen voor Israël lag in Paulus’ woorden: „Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus; want het is een kracht Gods die zalig maakt allen die geloven, eerst de Jood en ook de Griek.”