Augustinus en Ambrosius: een ontmoeting in Milaan met grote gevolgen

De Dom van Milaan. beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
3

De dom van Milaan. Dagelijks staan er rijen toeristen voor de grootste gotische kathedraal van Europa, een bijzonder gebouw in wit marmer. Wie kan, neemt de trap naar boven, voor een wandeling over de volle lengte van het dak. Tussen de talloze gotische spitsen, altijd garant voor een droomuitzicht over stad en wijde omtrek, tot soms de Alpen toe.

Veel minder mensen ontdekken de afdaling onder de dom. Toch speelde zich hier iets af wat nog altijd onze wereld raakt. De ondergrondse ruimten met opgravingen staan simpel aangekondigd als een „archeologisch gebied”, niet erg uitnodigend. Weinig of niets verraadt een plaats van wereldhistorische betekenis met gevolgen voor de hele westerse cultuur.

Uitputtingsslag

Het is de zondagochtend van Pasen, 25 april 387. Vroeg in de morgen, tegen zonsopgang, loopt een groep dopelingen in witte kleren psalmen zingend naar de basiliek. Het is hartje Milaan, al een eeuw hoofdstad van het Romeinse Rijk.

Onder hen is Augustinus, retor aan het keizerlijke hof. Ook zijn zestienjarige zoon Adeodatus en zijn jeugdvriend Alypius lopen mee. Het is de ommekeer in Augustinus’ leven.

Alle drie zijn ze zojuist gedoopt door bisschop Ambrosius. Door resolute onderdompeling, drie keer achtereen, in de grote doopvont. In de naam van de Drie-eenheid, die Ambrosius hartstochtelijk verdedigt tegen de arianen, onder wie de keizer zelf.

Dit keer wacht de keizer hen met Pasen dan ook niet op in de basiliek, al is dat wel de gewoonte. Precies een jaar eerder heeft hij zijn keizerlijke garde de kerk laten omsingelen om die op te eisen voor de arianen, terwijl binnen de Milanezen massaal de kant kiezen van hun bisschop. De uitputtingsslag wordt gewonnen door Ambrosius. Het is een van zijn confrontaties met drie opeenvolgende keizers. Die hij allemaal wint.

Onderaardse ruimten

Terwijl de keizer noodgedwongen buiten Milaan kerkt, leidt Ambrosius zijn dopelingen. Vanuit het baptisterium, een doopkapel van 20 meter doorsnee, een achthoekige stompe toren zoals je die overal nog ziet in Italië. Het heilige der heiligen, noemt Ambrosius het.

In de Tweede Wereldoorlog zijn de resten onder het Domplein ontdekt bij graafwerk voor een schuilkelder. Inmiddels kun je ze bezoeken, samen met die van Ambrosius’ nieuwe basiliek, een kerk die plaats bood aan wel 3000 mensen en niet veel kleiner was dan de huidige dom.

In de onderaardse ruimten kun je nu de wandeling opnieuw maken: van het bad waarin Ambrosius Augustinus onderdompelde, naar de basiliek waar ze die ochtend zingend binnenliepen. Een plaats met een zeldzame historische sensatie.

Ook in een paar andere kerken in Milaan waan je je dicht bij Ambrosius. Voor de San Lorenzo staat een bronzen beeld van keizer Constantijn, de keizer die in 313 het christendom tot wettige godsdienst verhief: het Edict van Milaan. In de vierde eeuw was dit de paleiskerk. Het gebouw is onverminderd imponerend.

Nog minder toeristen vinden de weg naar de San Simpliciano, de sobere bakstenen basiliek die Ambrosius liet bouwen aan de uitvalsweg naar Trier – de noordelijke Romeinse hoofdstad waar hijzelf was geboren. Langs welke weg de keizer Milaan ook binnenkwam, bij elke poort moest hij langs een kerk waar Ambrosius de scepter zwaaide.

Mummieachtig

Een viertal Russisch-orthodoxe geestelijken buigt zich over het graf. Ze doen hetzelfde als veel bezoekers hier: bidden, maar ook foto’s nemen. Ook hier wacht een kleine historische sensatie.

In de crypte, pal onder het koor met z’n gouden Karolingische sarcofaag, ligt de mummie van Ambrosius. Oog in oog met Ambrosius zelf, 1600 jaar na zijn dood. In onze ogen is het een macaber gezicht.

De basiliek van Sint-Ambrosius is meer dan welke kerk ook met Ambrosius’ naam verbonden. Hier werd hij in 397 naar eigen wens begraven, tien jaar na zijn ontmoeting met Augustinus.

Maar echt begraven werd hij nooit: zijn mummieachtige skelet steekt uit een middeleeuwse bisschopsmantel, een mijter op de schedel en een kromstaf in de hand. Aan weerszijden ligt een vroegchristelijke martelaar. Gehuld in rode koningskleden, met een kroon en gouden palmtak. Mummieachtige skeletten, net als Ambrosius.

Want martelaren gaan ons voor in de opstanding – dat is het idee. Net als de gestorven kerkvader roepen ze ons op tot bekering. De mummie van Ambrosius, die ons zo aan de onherroepelijke dood herinnert, is een getuige van de opstanding.

Tolle lege

Ambrosius is 48 als hij Augustinus, dan 33 jaar oud, doopt. Hun ontmoeting komt onverwacht. Want Augustinus is naar Milaan gekomen met een heel gevolg, als succesvolle carrièreman, benoemd als retor van de keizerlijke hoofdstad. Van Ambrosius, de populistische bisschop die de keizer trotseert, moet hij niet veel hebben.

Augustinus is een echte Afrikaan, herkenbaar aan zijn Afrikaanse accent. Zijn biograaf Peter Brown vergelijkt hem met rijke Russen die ooit naar Parijs trokken om er Franser dan de Fransen te zijn.

Tot de scène in de tuin. Het verhaal is overbekend, maar blijft intrigeren. In zijn tuin in Milaan, in of rond het keizerlijk paleis, hoort Augustinus in heftige tweestrijd een kinderstem zingen. „Tolle lege, tolle lege”, neem en lees. Of misschien: raap op en verzamel. Of het een spelletje is of een oogstliedje dat hij niet herkent – Augustinus zelf hoort iets anders.

Hij loopt weer naar binnen en leest verder in de Romeinenbrief. Zijn oog valt op de oproep van Paulus om niet te blijven hangen in brasserijen en drinkgelagen, wellust en losbandigheid, twist en nijd. Maar in het volle licht te wandelen. En Jezus Christus aan te doen.

Een paar maanden later meldt hij zich als dopeling bij Ambrosius.

Door de dood heen

Het is een ontmoeting met grote gevolgen. Je laten dopen geldt als een ingrijpende breuk met de wereld. Ambrosius prent dat zijn dopelingen ook in en laat hen symbolisch door de dood heen gaan. Keizer Constantijn is niet de enige die tot zijn sterfbed wacht voordat hij zich laat dopen: de meeste christenen schrikken ervoor terug.

Ook voor Augustinus is het een radicale ommekeer. Hij laat zijn carrière aan het hof varen en keert definitief terug naar Afrika. Daar zoekt hij de stilte, maar wordt hij met algemene goedkeuring tot bisschop benoemd. De rest van zijn leven dient hij zijn gemeente in de havenstad Hippo Regius, in vergelijking met Milaan een afgelegen provinciestad.

Zijn bekering is het begin van een explosie aan geschriften die zijn leven lang aanhoudt. Pas aan het eind duikt plotseling de naam van Ambrosius weer op, al jaren eerder overleden. Contact is er na Milaan nooit meer geweest. Diens secretaris Paulinus vraagt hem een biografie te schrijven.

Alsnog eert hij Ambrosius als lichtend voorbeeld. En zo is de cirkel rond.


Dromer en denker

De historische ontmoeting van de twee kerkvaders is het onderwerp van een nieuw boek van de Amerikaanse Augustinuskenner Gary Wills. In ”Font of Life” (nog niet in het Nederlands vertaald) tekent hij fijntjes hun verschillende karakters.

Al krijgt Augustinus maandenlang intensief catechese van Ambrosius, er blijft een gepaste afstand. Augustinus keert terug naar Afrika, maar nooit zal hij Ambrosius nog schrijven. Pas laat in zijn leven, als hijzelf als bisschop voor soortgelijke keuzes komt te staan, beroept hij zich plotseling op Ambrosius als richtingwijzend voorbeeld.

Het is iets van doener tegenover denker, organisator versus zoeker, vermoedt Wills. Tegelijk ziet hij een wereldhistorische betekenis in hun ontmoeting: er tekenen zich de contouren in af van de hele westerse kerk.

Ambrosius en Augustinus vormen samen een soort lichaam en ziel. Ambrosius verovert voor de kerk een eigen positie tegenover de keizer en maakt de geloofsbelijdenis van Nicea het absolute centrum. Augustinus is de hartstochtelijke denker die vragen stelt die ons tot op de dag van vandaag raken.

Weinig data zijn daarom zo betekenisvol als de vroege paasochtend van 387. Wanneer Ambrosius Augustinus driemaal stevig onderdompelt.


Ambrosius? Muziek!

”Wat heb ik mijn tranen de vrije loop gelaten bij je hymnes en liederen, ontroerd door het zingen van je gemeente!” Dit zal Augustinus later schrijven in zijn ”Belijdenissen”. Hij heeft het over Ambrosius, de bisschop die hem heeft gedoopt. Inderdaad: nog altijd kennen we Ambrosius van zijn muziek.

Ambrosius leerde zijn kerkvolk in Milaan zingen op de oosterse, Syrische manier. Opwindende melodieën waren dat, vond men. Zo liet hij eindeloos de psalmen zingen terwijl de keizerlijke garde –Goten vooral, noorderlingen uit de huiveringwekkende wereld voorbij de Alpen– zijn basiliek omsingelde om die op te eisen voor de ariaanse keizer.

Monica, de moeder van Augustinus, was volop betrokken bij deze beweging en zong mee. Het kwetste haar toen een van Augustinus’ metgezellen op het toilet die exotische manier van psalmzingen jodelend na-aapte, weten we van haar zoon.

Muziek. De hele middeleeuwen werd Ambrosius’ naam ermee verbonden en veel liederen werden aan hem toegeschreven. Traditioneel geldt het ”Te Deum” als het lied dat Ambrosius componeerde toen hij Augustinus doopte.

Gelukkig helpt de werkelijkheid een handje mee. Er is daadwerkelijk een dozijn liederen van Ambrosius bewaard gebleven. Een aantal wordt nog altijd gezongen en staat tot in het liedboek toe.


Dankzij de oorlog

Wie het oude centrum van Milaan binnenwandelt, het gebied rond de dom, stuit op veel modern glas en beton, hoogbouw ook. Ze vormen een zichtbare herinnering aan de oorlogsjaren, toen Milaan zwaar werd gebombardeerd. Ongetwijfeld zijn ze ook de reden dat de stad, met z’n vroegchristelijke kerken en veel renaissance, toch wat minder in tel is bij toeristen. Milaan is een zakenstad, heet het dan.

Met Milaan als feitelijke hoofdstad bleef Mussolini tot het eind doorregeren als vazal van Hitler, nadat Rome de kant van de geallieerden had gekozen. Hier in Milaan had hij zijn fascistische beweging ook opgericht in 1919. In de laatste oorlogsdagen werd zijn lichaam, samen met die van enkele andere fascisten, hier ondersteboven opgehangen op een troosteloos plein, Piazzale Loreto.

Het baptisterium waar Ambrosius Augustinus doopte, werd in 1943 ontdekt toen er onder het Domplein haastig werd gegraven voor de aanleg van een schuilkelder. Het keizerlijk paleis en andere oudheden werden ontdekt als gevolg van de bombardementen, waarbij delen van de oude stad werden blootgelegd.

Veel tastbare herinneringen aan zijn gloriejaren als hoofdstad van het Romeinse Rijk dankt Milaan zo aan de laatste oorlog.