Attiya Gamri rust pas als Vlakte van Ninevé christelijke oase is

Attiya Gamri. beeld RD, Henk Visscher

Waar tot vorige week Islamitische Staat de scepter zwaaide, luiden nu weer de kerkklokken. Kippenvel, krijgt Attiya Gamri daarvan. Maar het is niet genoeg, dat weet ze zeker. Pas als christenen hun eigen provincie hebben in Irak, kunnen ze verder zonder angst voor een nieuwe genocide. „Veiligheid staat nu op nummer één.”

Haar kleine handjes die aan het touw trokken, zodat de emmer vanuit de put naar boven kwam. Het is een van de beelden die Attiya Gamri (44) tevoorschijn kan roepen als ze terugdenkt aan haar jeugd in Arbo, een dorpje van pakweg 250 inwoners in het zuidoosten van Turkije. Alle inwoners waren christelijk, om precies te zijn: Syrisch-orthodox. Assyriërs, noemden ze zichzelf – een oeroud christelijk eilandje in een islamitische, Koerdische zee.

„Er was geen elektriciteit, geen water, geen riolering. Ik hielp als meisje dus mee om water te halen”, zegt Gamri aan de tafel in haar huis in Haarlem.

Als ze erover begint te praten, buitelen de herinneringen over elkaar heen. „Mijn moeder ging vaak naar Midyat om haar producten te verkopen. Dan mocht ik mee. We verkochten onder meer zelfgemaakte kaas, boter en yoghurt. Ik zie nog voor me hoe we die spullen op ons ezeltje laadden.”

Nog niet zo heel lang geleden was ze er weer terug. In Midyat, waar de oudste christelijke kloosters ter wereld staan, en in haar geboortedorpje Arbo. Eén inwoner telt Arbo nu – iemand die ooit net als zij de wijk had genomen, maar is teruggekeerd. De andere bewoners zijn allemaal vertrokken in de jaren zeventig, tachtig en negentig. Ze wonen, zoals zo veel Assyrische christenen, in Zweden, Duitsland en Nederland. Dáár konden de „christen-Turken”, zoals ze in die tijd van Turkse gastarbeiders vaak genoemd werden, destijds een vluchtelingenstatus krijgen. Met dank aan het kabinet-Den Uyl.

Dat die vluchtelingenstatus nodig was, begrijpt Gamri als geen ander. Het hangt samen met die vroege herinneringen, met die tochtjes met haar moeder naar Midyat. „Om daar te komen, moesten we langs Koerdische dorpen. Altijd werden we daar bespogen en vaak ook met stenen bekogeld. Een trauma wil ik het niet noemen, maar daar beginnen mijn nare herinneringen. Meisjes werden soms opgeëist door Koerdische grootgrondbezitters. Dat gebeurde ook in mijn eigen familie. Mijn oma van moeders kant moest trouwen met de zoon van een moellah. Midden in de nacht heeft de hele familie destijds het dorp verlaten om dat te voorkomen.”

Anderen troffen het nog een stuk slechter, weet Gamri. „Sommigen werden vermoord. Ik voelde als kind de angst, als de soldaten het dorp binnenkwamen. Het is angst die we al generatieslang met ons meedragen. Angst voor de Koerden aan de ene kant en de Turken aan de andere kant. Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders goed aan ons hebben uitgelegd wat er precies gaande was, maar de angst vergeet je niet. Als je ouders al bang zijn, voel je je als kind niet meer veilig. Ook daarom heb ik de streek opnieuw bezocht, een paar jaar geleden. Ik wilde weten hoe het er nu is; hoe de Koerden daar nu op christenen reageren.”

En?

„Het is er misschien nog wel extremer en fundamentalistischer dan toen. Er is nog steeds weinig respect voor andersdenkenden. Alsof de tijd er heeft stilgestaan.”

Terwijl Koerden in Syrië en Irak toch een veilig toevluchtsoord bieden voor christenen die onder IS te lijden hebben.

„Daar ben ik het helemaal niet mee eens. De christenen worden onder de Koerden niet langer onthoofd op straat; hun dochters worden niet ontvoerd. Dat is waar. Maar op tal van andere punten doen de Koerden het helemaal niet zo goed. Wij zijn tweederangsburgers. Onze taal wordt er niet erkend, ons land wordt onteigend.”

Waarom zijn zo velen dan naar Koerdisch gebied gevlucht?

„Voor het moment hebben ze er een veilig heenkomen gevonden, maar ze blijven er niet. Waarom niet? Omdat ze zich gediscrimineerd voelen. En dat terwijl ze er horen. Iedere Assyriër in Irak heeft zijn wortels in het noorden, in de Vlakte van Ninevé bij Mosul. Velen zijn ooit voor werk vertrokken naar Bagdad en Basra, maar kwamen terug omdat ze in het noorden thuishoren.”

Deze weken wordt het noorden dorp voor dorp weer terugveroverd op IS. De eerste kerkklokken luiden weer in de Iraakse Biblebelt. Wat doet dat met u?

„Ik merk dat ik steeds weer emotioneel word als ik beelden zie uit plaatsen als Bartella en Qaraqosh. Vanouds zijn dit christelijke plaatsen, en nu komt er weer lucht. Dat is hard nodig. Het aantal christenen in Irak is erg klein geworden; vooral tussen 2004 en 2006 was er een gigantische leegloop, na de val van Saddam Hussein. De achterliggende jaren leek dat ook met het kerngebied van het christendom te gebeuren, op de Vlakte van Ninevé. Als daar geen christenen meer zijn, knippen we onze wortels door. Hopelijk gebeurt dat niet. Tegelijk houd ik mijn hart vast voor het geweld dat er misschien gaat ontstaan. Er is nauwelijks bescherming op dit moment.”

Wat moet er gebeuren om dat te ver­beteren?

„Ik zie maar één oplossing: dat christenen een eigen provincie krijgen op de Vlakte van Ninevé. In feite is die provincie er al. Assyriërs en andere minderheden als de shabaks en jezidi’s wonen daar al. We vragen niets vreemds, we vragen eigen provinciaal bestuur, zodat de mensen daar het recht krijgen om onder meer hun eigen regionale politie te ontwikkelen. Want daar gaat het om: dat ze hun eigen veiligheid kunnen waarborgen.”

Veel westerse regeringen zeggen: Dat kan geen oplossing zijn. Je creëert dan een christelijk getto.

„Dat vind ik heel erg tegenstrijdig. Want waarom vinden diezelfde regeringen dan wel dat de Koerden in hun eigen getto moeten leven? Dat vinden we allemaal heel normaal, maar als het over de Assyriërs en de jezidi’s gaat, gelden er opeens andere maatstaven. De vraag is simpel: vind je het rechtvaardig dat de Friezen zichzelf mogen besturen, of vind je dat ze door de Groningers overheerst moeten worden?”

Het punt is: steeds verdere opdeling van een land als Irak, is dat heilzaam?

„Die opdeling is er nu al. Je hebt soennitische, sjiitische en Koerdische gedeeltes. En je hebt het gedeelte waar de christenen en jezidi’s wonen, die als enige geen eigen bestuur hebben. Omdat het geen moslims zijn, denk ik.”

Het mooie van christenen is dat ze volgens de Bergrede het zout van de aarde zijn – en dus verspreid leven. Dat is niet realistisch?

„Op dit moment niet, want eerst moet er veiligheid zijn. Als je dochters worden verkracht, als je kerken worden opgeblazen, dan is veiligheid het eerste wat telt. Daar zijn alle christenen in Irak het over eens.”

Toch is patriarch Louis Sako van de grootste kerk in Irak, de Chaldeeuws-Katholieke Kerk, tegen de oplossing van een eigen provincie. Hij pleit voor een democratisch Irak.

„Ik denk dat hij zich niet voor de provincie durft uit te spreken. Ik denk dat hij onder druk gezet wordt door Koerdische en Arabische leiders. Het zou hem sieren als hij zou zeggen dat hij zijn geloof niet in vrijheid kan belijden, en dat hij de oplossing daarvoor aan de politiek overlaat. Kijk naar zijn eigen kerk: die is de achterliggende jaren voor 80 procent leeggelopen. Als hij zegt dat de enige oplossing een democratisch Irak is, dan zeg ik: Beste man, je eigen kerken worden opgeblazen. Hoe kun je dan over democratie praten?”

„Onze christelijke identiteit ligt niet allereerst in het zijn van Assyriër of Chaldeeër, maar in het laten horen van een christelijk getuigenis”, stelt Sako. Terecht punt?

„Voor ons staat het christendom op nummer één. Vergeet niet: onze omgeving heeft ons continu afgeslacht omdat we christen zijn. Maar zoals ik christen ben, ben ik tegelijk Assyriër. Dat botst niet met elkaar. Je taal, je monumenten, je geschiedenis: dat alles heeft ook met cultuur te maken.”

Vanuit een westerse blik bezien lijkt cultuur soms belangrijker te zijn dan geloof in de traditionele Iraakse kerken.

„Ik herken dat. Dat komt ook omdat een deel van de gemeenschap nooit de Bijbel heeft gelezen – sommigen kunnen dat niet eens. Wat ze weten, weten ze uit de monde­linge overlevering. Daar moeten we echt een slag in maken.”

Heeft u die slag zelf gemaakt?

„Mijn ouders waren analfabete mensen, dus ik heb het zelf moeten doen. Als ik nu de kinderbijbel lees met mijn oudste dochter, denk ik: Dit heb ik dus heel erg gemist in mijn leven. De Bijbel als basis, als vertrekpunt nemen. In onze gemeenschap was het andersom. Pas als er een concrete aanleiding was, bijvoorbeeld een sterfgeval, ging je naar de priester.”

Wat voor rol speelt geloof voor u?

„Het klinkt heel erg populistisch, maar ik ben fan van Jezus. Hij heeft de wereld positief veranderd. Hij was er voor vrouwen, voor zieken, blinden, melaatsen. En dat in een regio die heel gewelddadig was.”

In reformatorische kerken is de kern dat 
Hij gekomen is om te verlossen van zonde en schuld.

„Dat is ook heel belangrijk voor me. En dan vooral ook zelf bereid zijn om anderen te vergeven, een tweede kans te geven. Sommige Assyriërs zeggen: Ik haat Koerden. Maar vergeven is wezenlijk.”

Dat klinkt heel sociaal allemaal. Is dat ook de reden dat u bij de PvdA terecht bent gekomen?

„Ja. De internationale solidariteit van de PvdA, en haar opkomen voor onderdrukten vond en vind ik heel belangrijk. Bij de ChristenUnie zie ik die waarden overigens ook terug. Als er twintig jaar geleden een ChristenUnie was geweest in Oldenzaal, had ik daar misschien wel voor gekozen.”

Intussen zit u stevig in de partij. U bent zelfs voorzitter van de groep Vrouwen in de PvdA, de vroegere Rooie Vrouwen.

„In mijn eigen gemeenschap staan vrouwen vaak op achterstand. Zeker in het verleden was dat zo. Dat soort zaken wil ik aanpakken. Binnen de PvdA is daar volop ruimte voor.”

Er zijn vast mensen die de combinatie wat wonderlijk vinden: een ”rooie vrouw” die tegelijk uit een orthodoxe geloofsgemeenschap komt.

Ze lacht uitbundig. „Dat is moeilijk, hè? Ik hoor het vaker, ook in eigen kring. Dat je je bij die partij thuisvoelt, zeggen mensen dan. Ik denk dat het grootste deel van mijn gemeenschap op het CDA stemt. Maar ik probeer intussen wel de ruimte te pakken binnen de PvdA om te praten over de allergie die er is richting belijdende christenen, terwijl die allergie afwezig is als het gaat over belijdende moslims. En natuurlijk ook om de positie van christenen in het Midden-Oosten onder de aandacht te brengen.”

Uw geloof leidt blijkbaar onontkoombaar steeds weer naar uw inspanningen voor Irak.

„Zeker. De drive om een beetje veiligheid te creëren voor christenen in het Midden-Oosten komt bij God vandaan. Als Hij niet steeds energie gaf, had ik al drie keer een burn-out gehad. Daarom heb ik ook geloof dat het echt een keer gaat komen, die eigen provincie. Daar ben ik heilig van overtuigd. Want het gaat niet gebeuren dat onze levens­aders worden doorgesneden.”

----

Levensloop Attiya Gamri

Attiya Gamri werd op 4 februari 1972 geboren in een christelijk, Assyrisch gezin van elf kinderen, van wie er drie vroeg overleden. Ze woonde in het zuidoosten van Turkije. In 1981 kwam ze met haar ouders, broers en zussen als vluchteling naar Twente, waar veel Assyrische christenen wonen. Ze werd Statenlid voor de PvdA en is een van de boegbeelden van de Assyrische gemeenschap. Vorige maand werd ze gekozen als eerste voorzitter van de onlangs opgerichte Assyrische Europese Federatie, die een half miljoen Assyrische christenen in Europa wil vertegenwoordigen. Gamri woont met haar man en twee dochters in Haarlem.