Alardin, een snel uitgedoofde vlam

In 1688 werd Kaspar Alardin bevestigd tot predikant in de Grote of Sint Eusebiuskerk te Arnhem. Arnhem zou zijn laatste gemeente zijn. Foto RD RD

Kaspar Alardin was „een snel uitgedoofde vlam.” Hij was pas 23 jaar toen hij predikant werd, en pas 34 jaar toen hij overleed. „Een predikant moet al predikende sterven.” Dat was zijn devies. En hij heeft er zich ook aan gehouden. Enkele uren voor zijn dood dicteerde hij vanaf zijn ziekbed zijn laatste preek. De preek is nooit afgekomen.

KASPAR ALARDIN 1658-1692

Kasparus Alardin werd in 1658 geboren in de Noord-Duitse Hanzestad Bremen. Zijn gezondheid was zwak. Al jong klaagde hij over zijn maag en over andere zwakheden. Reeds in zijn jeugd hoopten zijn godvrezende ouders dat de Heere hem wilde gebruiken in Zijn dienst. Hun wens ging spoedig in vervulling.

Op zijn 23e levensjaar werd Alardin bevestigd tot predikant. De eerste gemeente die hij diende, was het havenstadje Sluis in Vlaanderen. In Sluis stonden eerder Jodocus van Lodenstein (van 1650 tot 1653) en Jacobus Koelman (van 1662 tot 1675). Volgens ds. K. Exalto, die in zijn boek ”De kracht der religie. Tien schetsen van gereformeerde oude schrijvers uit de 17e en 18e eeuw” (1976) een hoofdstuk wijdt aan een van de publicaties van Alardin, was Sluis een gemeente die juist vele moeilijkheden achter de rug had. Koelman was hier -ten onrechte- in diskrediet geraakt, omdat hij de landelijke overheid niet gehoorzaam was ten aanzien van de viering van de feestdagen, vanwege zijn opvattingen over de vastgestelde formulieren voor doop en avondmaal, en over enkele gevallen van kerkelijke censuur. Uiteindelijk werd Koelman zelfs uit de stad verbannen. „Sluis was dan ook eigenlijk een te zware last op de zo tengere jonge schouders van deze jongeman.”

Ook in andere opzichten was de periode in Sluis voor Alardin een moeilijke tijd. Eerst overleed zijn moeder, vervolgens een zuster, daarna verdronken zijn vader, zijn broer en een nicht tijdens een boottocht op zee.

In Sluis ontviel hem ook zijn vrouw, Magdalena Momma. Ze overleed op 28-jarige leeftijd in het kraambed, samen met het geboren zoontje. Alardins oudere ambtsbroeder uit Sluis, David Montanus, schreef bij die gelegenheid een rouwgedicht: „Rachels lijck-zang, op ’t droevig overlijden van d’eerbare, deugt-rijcke, wel-begaefde juffrouw, juffr. Magdalena Momma, huysvrouwe van d’eerwaerde, godsalige, wel-geleerde heer Casparus Alardin, getrouwe ziel-versorger in de gemeynte Jesu Christi tot Sluys in Vlaenderen.”

Alardins echtgenote was volgens Montanus „christelijk in de Heere ontslapen.” In diepe droefheid wenste Alardin zijn vrouw wel te volgen, maar de gemeente van Sluis „hield hem door gebêên Beneen.”

Arnhem
Op 1 mei 1685 werd Kaspar Alardin bevestigd tot predikant in Wezel, een Duitse stad die nauw aan de Nederlanden verbonden was. Drie jaar later vertrok hij naar de Grote of Sint-Eusebiuskerk te Arnhem. Een onbekend gebleven biograaf schrijft: „Het heeft de Heere beliefd om hem niet lang op één plaats te laten, opdat meer dan één gemeente zich in zijn licht, dat niet lang zou schijnen, zou verheugen, en hij zijn kroon uit zielen van meer dan één gemeente vlechten mocht.”

Arnhem zou zijn laatste gemeente worden. Hoewel hij nog maar dertig jaar oud was, voelde hij zich reeds geheel versleten. In een van zijn nagelaten preken schrijft Alardin over de zwakheid van het menselijk lichaam: „Veeltyts is het lighaam ook meenigerhande siecktens ende swachkeden onderworpen, dewelcke de ziele allerhinderlickst zijn in den dienst van God. Kranckheden zijn groote hinderpaalen, want wanneer de mensch eens onderworpen is eenige siecktens, soo kan een Hooftpijn, ’t Colyk, een Koorts, ’t Podagra of andere toevallen de ziel veel terughouden in den dienst des Heeren.”

In Arnhem heeft hij niet veel kerkdiensten meer geleid. Toen dat niet meer ging, schreef hij zijn preken met de hand uit. En toen dat ook niet meer ging, dicteerde hij ze vanaf zijn ziekbed.

Psalm 1
De vlam brandde snel, maar was ook snel uitgedoofd. Enig licht is nog blijven schijnen, dankzij een paar geschriften die Alardin heeft nagelaten.

Kort na zijn dood werd zijn boek ”De Geluksaligheyt van den Weg der Rechtveerdige, alsmede de Fonteyne des Leeven” (1692) uitgegeven. Dit boek bevat twaalf preken, waarvan de eerste vijf gaan over Psalm 1. De weg van de rechtvaardigen is, zegt Alardin, een weg van heiligheid, niet vanuit wettische ijver, maar vanuit het ware geloof, in navolging van Christus, Die aan de eis van de wet heeft voldaan. Door het werk van de Heilige Geest krijgen zondaren lust tot een heilig leven. Dat gaat zelfs zo ver, schrijft Alardin, dat ze op heiligheid verliefd worden, „omdat Christus Zelf een volmaackt Patroon van Heyligheyt ende Godsaligheyt is.”

In 1732 verscheen van dit boek een zesde druk. Zijn vriend en ambtsbroeder, de Zeeuwse predikant Wilhelmus Anslaer (een schoonzoon van Coccejus), schreef daarin een opdracht aan Alardins laatste gemeente, Arnhem. Daarin kwamen ook enkele biografische gevens over Alardin voor.

Theedrinken
Van de hand van Kaspar Alardin verscheen ook ”Vergeestelijkt en Hemels thee-gebruyk, ofte beknopte overbrenging van de thee, geestelyk op Christus Jesus toegepast, tot demping van wereldsche en ijdele discoursen onder het theedrinken”. In dit fors allegoriserende boekje, waarvan in 1877 nog een vijfde druk verscheen, haalt Alardin meer dan honderd Schriftplaatsen aan, aan de hand waarvan hij vergelijkingen maakt tussen theedrinken en het volbrachte werk van Christus. Een van de voorbeelden: „Het eerste treksel van de thee is het krachtigste en het lieflijkste. Dus zien wij dat het ook doorgaans gaat met het gebruik van Christus; in het begin van de verkering is het geloof, de liefde en de ijver des mensen veel ernstiger, krachtiger en vaardiger als daarna; enige tijd meer verstreken zijnde, begint de ziel al te verslappen en te vertragen; het is of Jezus zo beminnelijk en Zijn dienst zo verkwikkelijk voor haar niet meer is.”

Hier is het oogmerk goed, echter deze wijze van vergeestelijken doet aan de eerbied voor de Zaligmaker tekort.

Soldaat en schipper
Nadat hij afscheid had genomen van zijn gemeente, werd Alardin in de vroege morgen van 15 augustus 1692 op 34-jarige leeftijd van zijn aardse post afgelost. Toen vond plaats wat hij zelf ergens had opgeschreven: de dood schuift het gordijn weg, waardoor de ziel der gelovige verlost wordt van het zwakke lichaam, waarna zij God aanschouwen mag.

In het boek ”De kracht der religie” schrijft ds. Exalto dat Alardin een groot uitzien kende om de heerlijkheid Gods te aanschouwen.

„Om het te zeggen in een paar beelden die hij zelf heeft gebruikt: Hij wachtte als een soldaat op het bevel van zijn overste om zijn tent op te breken en in vrede naar huis terug te keren. Als een schipper die alles in orde had gebracht, wachtte hij verlangend naar een gunstige wind om het anker te lichten, om de touwen los te werpen, en af te steken naar diepere wateren.”