Aanraking met christelijk geloof tijdens onderduik was blijvend

Aart Klompmaker uit Arnhem bij het graf van zijn ouders in Bennekom. beeld RD, Anton Dommerholt
3

Tijdens en na hun onderduik in de Tweede Wereldoorlog gingen enkele honderden Joodse kinderen en tieners over tot het christelijk geloof. Mogelijk de helft keerde terug naar de synagoge. Maar er waren er ook die het geloof behielden. Een van hen was Victorina Roosje Klompmaker-Jacobs.

Op de grafsteen van Victorina Roosje Klompmaker-Jacobs op de begraafplaats in Bennekom staan een davidsster en een kruis. „Mijn moeder heeft het christendom leren kennen, maar haar Joodse wortels nooit verloochend”, zegt zoon Aart Klompmaker.

De Joodse vrouw trouwde na de oorlog met Bart Klompmaker uit Oldebroek. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Michel, Aart en Victor. Moeder overleed in 2017 op 88-jarige leeftijd. Zoon Aart (64), die zelf is aangesloten bij het Leger des Heils, vertelt over de overgang van zijn moeder naar het christelijk geloof.

In de woning van de familie Klompmaker in Arnhem zijn nog enkele tastbare herinneringen aan vroeger te vinden, onder andere de klok van haar grootmoeder uit Elburg, een stenen potje van het onderduikadres in Oldebroek en een boekje met foto’s van moeder. De eerste foto’s zijn uit de tijd toen Roosje een klein meisje was en ze bij haar moeder op schoot zat.

Gaskamers

Van de vijf personen die op de eerste foto staan –Roosje, vader, moeder, zus Esther en broer Abraham– was zij de enige die de oorlog overleefde. De anderen zijn omgekomen in de gaskamers van de nazi’s, haar ouders op 11 februari 1944 in Auschwitz. „Roosje is in 1943 met toestemming van haar ouders, door het verzet geholpen aan een onderduikadres. Ze was toen veertien. Mogelijk was zij de enige omdat zij nog geen persoonsbewijs nodig had en dus makkelijker kon onderduiken”, zegt Klompmaker.

Roosje kwam terecht in het Veluwse dorp Oldebroek, waar in de oorlog meer dan honderd Joodse onderduikers zaten. Dat aantal had te maken met een preek van ds. Otto Veening, die in het verzet zat en de kerkgangers tijdens een preek opriep tot actief verzet. „Wie de preek goed begrepen heeft, kan mij straks in de consistoriekamer spreken of mij later thuis opzoeken”, zei hij. Binnen veertien dagen had de predikant voor zestig onderduikers een adres.

Roosje kwam terecht bij boer Jan Spronk van de Vierhuizenweg. „Hij ging niet naar de kerk vanwege een kwestie in het verleden, maar was diepgelovig. Hij geloofde vanuit zijn hart dat hij iets moest doen voor het Joodse volk. Spronk had al drie Joden in huis maar er kon er nog wel een bij. Dat was moedig, als je bedenkt dat op ontdekking ervan de doodstraf stond.”

Spronk liet zijn geloof op allerlei manieren blijken, zegt Klompmaker. „Iedere dag las hij uit de Bijbel. Mijn moeder was verbaasd de teksten die ze vroeger vanuit het Hebreeuws in het Nederlands moest vertalen, nu gewoon te horen lezen door een eenvoudige boer. Dikwijls zat hij in stilte te bidden. Mijn moeder werd vervuld met een „heilige jaloezie”, zoals ze vaak zei. De ontmoeting met hem was cruciaal in haar leven door de liefde die hij uitstraalde en door dat wat hij las uit het Oude Testament. Het is aannemelijk dat haar latere overgang naar het christelijk geloof hier zijn wortels heeft.”

Verkering

Roosje kon hier niet blijven en kwam op diverse andere onderduikplaatsen terecht. Ze overleefde de oorlog. Bij de bevrijding ging ze naar het huis van haar oma in Elburg, die ook vergast bleek te zijn. Ze besefte dat ze alleen was overgebleven en heeft haar tranen de vrije loop gelaten. Het Joodse meisje besloot in Oldebroek te blijven wonen. Ze kreeg een administratieve baan bij de melkfabriek. Later kreeg ze verkering met boerenzoon Bart Klompmaker en ging met hem mee naar de vrije evangelische gemeente in Oldebroek. Ze trouwden in 1950 en verhuisden naar Bennekom. Daar was het paar een van de drijvende krachten achter de oprichting van een vrije evangelische gemeente. Ze is er altijd naar de kerk blijven gaan.

„Het geloof van mijn moeder was zichtbaar in haar leven”, zegt Klompmaker. „Toen ze ouder werd en niet zo veel meer kon, lagen de Bijbel en een puzzelboekje altijd onder handbereik. Ze las er dagelijks in en bad elke dag voor haar kinderen en kleinkinderen. Toen mijn jongste zoon eens een brommerongeluk kreeg en zei dat hij er goed vanaf gekomen was, zei ze: „Ja, maar ik bid ook elke dag voor je.””

Het Evangelie werkte door in haar leven, weet Klompmaker. „Mijn moeder heeft haar geloof uitgedragen. Hoewel ze zo veel had moeten verwerken door de gebeurtenissen in de oorlog, liet ze daarvan niets blijken. Integendeel, ze stond altijd voor anderen in de buurt klaar en hielp hen zo veel ze kon. Ze vergaf de Duitsers en ging na verloop van tijd zelfs naar Duitsland met vakantie. Die vergevingsgezindheid van haar had te maken met haar geloof. Maar toch had ze het af en toe over die rotmoffen, want wat haar is aangedaan heeft blijvende littekens veroorzaakt. Zo zijn wij als kinderen nooit als familie met de trein gegaan. Na de oorlog heeft ze geen enkele treinreis meer kunnen maken.”

Daarnaast bleef ze haar Joodse wortels koesteren. „Ze bad altijd voor Israël. In haar kerkelijke gemeente vierde ze het paasfeest, maar ze onderwees de andere gemeenteleden in het pesachfeest.”

Victorina Roosje Klompmaker-Jacobs stierf in 2017. Op haar rouwkaart stond de tekst uit Jesaja 12:2: „Zie, God is mijn heil. Ik vertrouw en vrees niet want mijn sterkte en mijn psalm is de Here Here, en Hij is mij tot heil geweest.” Op haar grafsteen staan davidsster en kruis door elkaar. Klompmaker: „Het symboliseert dat mijn moeder het christendom heeft leren kennen en dat ze Joods gebleven is. Zo heeft haar oudste zoon Michel, volgens de Joodse traditie kaddisj –het gebed voor een dode– gezegd bij haar begrafenis.”

serie

Ondergedoken

Driedelige serie over Joodse onderduikers die (enige tijd) overgingen tot het christelijk geloof. Deel 3 (slot): Victorina Roosje Klompmaker-Jacobs.