RD-redacteur Mark Wallet en freelance-fotograaf Niek Stam reisden eind februari naar de Centraal-Afrikaanse Republiek. In het hart van Afrika woedt een slepende strijd tussen moslims en christenen. Milities trekken plunderend en moordend door het land, uit op invloed en geldelijk gewin. In de hoofdstad Bangui wordt het gewone leven hervat, maar blijkt de woede en angst vlak onder de oppervlakte te zitten. De vlam kan zomaar in de pan slaan: dan is de spanning ineens om te snijden en lopen de ziekenhuis vol gewonden en doden. Een reis langs vluchtelingenkampen, omsingelde moslimburgers en geestelijken die verwoede pogingen vrede te stichten.
Iedere dag krijgt Ibrahim Abakar (39) uit een Centraal-Afrikaanse Republiek een telefoontje. “Ik ga jou doden”, zegt een stem aan de andere kant van de lijn.
Soms lijkt het leven even zijn gewone gang te hernemen in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). In het bruisende centrum van de stad prijzen straatventers hun waar met luide stem aan, handelaren duwen hun karren voort
en van de terrassen klinkt gelach.
In het weekend vult bovendien geregeld luid getoeter de straten, de aankondiging van een rij vrolijk versierde auto’s. De geestelijken van de grote kathedraal, aan de rand van de stad, hebben het er druk mee nu: het ene na het andere stelletje
stapt in de huwelijksboot. Het kon afgelopen weekend weer, voor het eerst, na maanden van geweld.
Maar het is slechts de schijn van het ogenblik. Want het is niet rustig in Bangui. Door de straten rollen met grote regelmaat de voertuigen van het Franse leger en de Afrikaanse Unie. Er zijn gevechten: dan hier, dan daar. ’s Avonds en ’s
nachts geldt nog steeds de avondklok.
In het ziekenhuis van Bangui komt dinsdagavond Zaku zijn dode broer brengen: getroffen in een spervuur van Afrikaanse Unie-soldaten in een gevecht met islamitische Sélékarebellen. Met een pakketje kleren in de handen gaat hij voor naar de troosteloze
ruimte waar het slachtoffer met een brandslang wordt schoongewassen. Fiaq Musa heette hij, 25 jaar en vader van een zoontje, vol getroffen in de borst. Een medewerker van het mortuarium schijnt met een kaarsje bij.
Buiten het gebouw liggen witte zakken met dertien slachtoffers van eerder geweld. Die avond zullen er in Bangui nog acht doden vallen bij gevechten in verschillende wijken. En nog veel meer gewonden. Met vaste regelmaat draaien auto’s van
het Internationale Rode Kruis het ziekenhuisterrein op om ze af te leveren.
“In een troosteloze ruimte wordt het slachtoffer met een brandslang schoongewassen”
Onderhuids kruipt de angst in Bangui. Mensen zijn bang. Zoals Abakar, een moslim. Hij woont in PK5, een wijk waar vanouds zowel moslims als christenen wonen. De christelijke anti-balakamilities hebben in de wijk dood en verderf gezaaid. Langs
de weg staan de uitgebrande en verwoeste winkels van moslims. Duizenden moslims zijn daarop op de vlucht geslagen. De stad uit, het land uit.
“Mijn twee kinderen van acht en twaalf jaar oud zijn vermoord”, zegt Abakar. Waarom? Hij haalt zijn schouders op, hij kan er geen antwoord op geven. Hij woont nog in PK5, maar verblijft met enkele honderden medegelovigen ’s nachts in de moskee.
Slapen doet hij daar overigens niet veel. Hij wijst richting zijn borst. “Mijn hart is onrustig”, zegt hij.
Het monster van de angst heeft tienduizenden mensen bijeengedreven in twee kampen bij de luchthaven in Bangui. In het ene zitten christenen die zich bedreigd voelen, in het andere moslims die het land willen verlaten.
Het islamitische kamp biedt een surrealistische, filmische aanblik: een enorme hangar met vliegtuigen en helikopters en daar tussen, erin en eronder enkele duizenden ontheemden. Ze komen vanouds uit Kameroen, Tsjaad, Benin. Die landen sturen
geregeld vliegtuigen om hun volksgenoten thuis te brengen.
Een van de ontheemden bij de hangar is Ohmar Djibrin, 31, half Tsjadisch, half Centraal-Afrikaans. Hij denkt er niet aan om naar huis terug te keren. Hij wijst richting de weg: “We kunnen nog geen vijf meter van dit kamp af. Onmogelijk.” De
mannen naast hem op het matje, buiten op de grond, knikken. Ze maken een gebaar langs hun nek: “Anti-balaka.”
Aan de andere kant van de luchthaven zitten enkele tienduizenden christenen. Sommige bewoners verblijven er al maanden. “In mijn wijk huizen nog steeds Sélékarebellen”, zegt Sava Valentin (50), die met zijn familie is neergestreken onder de
vleugels van een verlaten Cessnavliegtuigje op het terrein. “Wij kunnen nog lang niet terug.”
Abakar uit PK5 zit niet in een kamp. Hij is geboren in Maridi, Zuid-Sudan, en daar is het nu ook oorlog. “Zuid-Sudan komt mij niet ophalen”, bezweert hij, terwijl hij een hulpeloos gebaar maakt. “Maar ik wil weg. Het maakt me niet uit waarheen.”
Hij kijkt naar de straat, waar het gonst van bedrijvigheid, en vertelt van een man die hem iedere dag belt met de boodschap hem te doden. “Ik weet niet wie hij is”, zegt hij. “Alleen dat hij bij de anti-balaka hoort.”
Moslims en christenen wonen al jaar en dag samen in de CAR. Dat gaf soms spanningen: de noordelijke moslims voelen zich allang verwaarloosd. Zuiderlingen beschouwen hen als Arabieren die eigenlijk in buurland Tsjaad thuis horen. Maar in veel
plaatsen, zoals Bangui, woonden christenen en moslims zonder noemenswaardige problemen bij elkaar. Interreligieuze huwelijken waren geen uitzondering.
Niemand had dan ook kunnen bevroeden dat de situatie zo zou escaleren. In zeer korte tijd is het tij volledig gekeerd en denken veel Centraal-Afrikanen niet meer aan land van christenen en moslims. Tieners in een kamp rond de Sint Jozefkerk
in de wijk Mukasa van Bangui reageren als door een wesp gestoken op de vraag of samenleven ooit nog mogelijk is: “Nee, nooit”, roepen ze door elkaar. “Zelfs in de klas kun je nog geen moslim naast je hebben”, zegt de 16-jarige Yakolo serieus.
“Ze zijn niet te vertrouwen.”
Maart 2013: Rebellenleider Michel Djotodia grijpt de macht en verdrijft de zittende president François Bozizé. Djotodia staat aan het hoofd van de Sélékamilitie: een voornamelijk islamitische groep met veel leden uit Tsjaad en de Sudanese
regio Darfur.
2013: Sélékarebellen trekken plunderend en moordend door het land, waarbij christenen specifiek doelwit zijn. De christenen slaan terug via de zogenoemde antibalaka-eenheden: zelfverdedigingsgroepen. Zij betalen de Séléka met gelijke
munt terug, moslimburgers zijn hun leven niet zeker.
Januari 2014: Djotodia treedt af en wordt opgevolgd door de burgemeester van de hoofdstad Bangui: Catherine Samba-Panza. Het geweld gaat echter onverminderd door.
Februari-maart 2014: Tienduizenden moslims vluchten weg uit het land. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty spreken de angst uit voor etnische zuivering.
Of dit conflict om religie draait? De Rooms-katholieke aartsbisschop, Dieudonné Nzapalainga, schudt resoluut zijn hoofd. Hij kijkt imam Oumar-Kobine Layama aan, het hoofd van de islamitische gemeenschap. “We hebben de leiders van beide rebellengroepen
geregeld gesproken. Maar nooit spraken ze over God en nooit ging het over religieuze zaken.”
De beide geestelijken zitten gebroederlijk aan tafel op het terras van Nzapalainga. De imam woont momenteel op het terrein van de aartsbisschop, een eindje buiten de stad: een mooi teken van verzoening. Samen met de evangelische voorganger
Nicolas Guerekoyame-Gbangou reisden de leidslieden al maanden geleden het land rond om de bevolking tot kalmte en vrede op te roepen.
“Het is onmogelijk je op het kruis te beroepen en tegelijk de ander te doden en te haten”
De geestelijken zijn ervan overtuigd dat christenen en moslims in het land in vrede en respect samen moeten leren leven. “De mensheid is begonnen met twee mensen”, voert de imam aan. “Er zijn bij de schepping geen verschillende soorten mensen
geschapen die apart van elkaar moesten zien te leven.”
Nzapalainga knikt en wijst op het motto dat hij bij de aanvaarding van zijn ambt omarmde: “Naar het beeld van God schiep hij hen.” Het zegt hem in de huidige situatie dat elk mens iets van God met zich draagt, of hij nu een christen of een
moslim is. “En het betekent ook dat als ik naar God kijk, ik naar mijn broeder moet kijken. De huidige gevechten zijn niet van God, maar van de duivel: die laat altijd van de ander wegkijken.”
De anti-balaka-eenheden beschouwt hij dan ook niet als christelijk. Hij wijst op het kruis dat om zijn nek hangt. “Het is onmogelijk je op dit kruis te beroepen en tegelijk de ander te doden en haten. Het kruis is het teken van de genade van
Jezus Christus. Hij ging zondaars niet te lijf, maar riep ze op tot een nieuw leven. De anti-balaka dragen geen kruis, maar zijn omhangen met amuletten.”
“Het is hier niet als in Nigeria”, zegt de imam. “We hebben als moslims en christenen altijd goed samengeleefd. Maar er is nu veel stukgemaakt.” Nzapalainga: “We moeten het land nu samen weer opbouwen, alleen gaat het niet.” De imam knikt.
“Dit land is ons gezamenlijk huis.”
De mooie woorden van de geestelijken lijken echter stuk te slaan op de harde realiteit. “Het is goed dat de aartsbisschop dergelijke dingen zegt. Dat is zijn werk”, reageert de katholieke Valentin. “Maar het is niet realistisch. Voor verzoening
is het nu te laat.”
“De aartsbisschop heeft de anti-balaka ondersteund”, verzekert Djibrin. De imam ontkomt al evenmin aan verdachtmakingen: hij zou christen zijn geweest en niet te vertrouwen. “Die man vertegenwoordigt ons niet”, benadrukt Djidda Ahmar Khalil
(38). “We geloven hem niet.”
“Het is niet realistisch wat de aartsbisschop zegt. Voor verzoening is het nu te laat”
De geestelijken beamen dat hun missie nog niet het gewenste effect heeft gehad. “Helaas hebben we het geweld niet kunnen stoppen”, beaamt Nzapalainga. Maar daarom wil hij nog niet bij de pakken neerzitten. “Het geloof leert mij om nooit de hoop te verliezen. Ik stel mijn vertrouwen op God. Hij roept ons op deze weg te gaan.” De imam knikt. “Wij hebben dezelfde visie, dezelfde motivatie”, zegt hij.
Hoewel het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek zich langs de scheidslijn van moslims en christenen voltrekt, is het in zijn oorsprong geen religieus conflict. De wortels van de onlusten liggen in politieke redenen, macht en geld.
Een factor is ook (onder)ontwikkeling. Moslims in het noorden zijn jarenlang achtergesteld. In het hele land is het onderwijs pover en de gezondheidszorg minimaal.
Grote delen van de rebellenbewegingen bestaan uit militanten die simpelweg willen profiteren van de chaos en die puur op gewin uit zijn. Het neemt niet weg dat rebellen van de islamitische Séléka systematisch huizen van christenen en
kerken hebben aangevallen. Daarmee is veel kwaad bloed gezet en is de cyclus van geweld begonnen.
Christelijke anti-balaka -letterlijk anti-kapmes- zetten de verdediging in.Een complicerende factor is de inmenging vanuit de regio. Buurlanden als Tsjaad zijn geïnteresseerd in de natuurlijke hulpbronnen in de CAR. Analisten wijzen erop
dat ze belang hebben bij de chaos en de opstandelingen wellicht een handje hebben geholpen. Ook in de CAR zelf klinkt dat verwijt regelmatig.
Zonder Tsjadische steun zou het regime van de voorlaatste president, François Bozizé, nooit zijn gevallen. Het grootste deel van de Sélékarebellen bestaat bovendien niet uit Centraal-Afrikanen, maar uit Tsjadische en Sudanese militanten.
Inmiddels zouden er van de oorspronkelijke 130.000 moslims in Bangui nog maar 900 over zijn. De rest is gevlucht.
BANGUI. Rond een moskee in Bangui leven moslims in angst. Ze zijn omsingeld door vijandig gezinde anti-balakarebellen, die geregeld granaten gooien richting het gebedshuis. Veel van de ontheemden zijn vel over been: er is ernstig gebrek aan eten, maar ze kunnen geen kant op.
Er valt enkel wat gefilterd licht in de ruimte achter de moskee van PK12, een wijk van de Centraal-Afrikaanse hoofdstad Bangui. In een hoek ligt Zakarias, 13 jaar. Hij is vel over bot en kan slechts met moeite overeind komen. Hij heeft tuberculose.
Naast hem ligt een meisje, al even ziek.
Een vader heeft het ventje niet meer, die is vermoord in de onlusten van de laatste maanden. Wat maakt Zakarias nog mee van de situatie rond de moskee? Er leven enkele honderden vluchtelingen rond het gebedshuis. De ouderen en kinderen slapen
in de moskee. De rest buiten.
Iedereen leeft hier in angst. De weg langs de moskee is aan twee zijden afgegrendeld door Franse militairen; ’s nachts komen de Afrikaanse Unie-troepen de moskee bewaken. Maar het biedt onvoldoende veiligheid. De wijk is omsingeld door militanten
van de anti-balaka. Ze slaan toe, dagelijks, met granaten of met kogels.
“Er sterven hier elke dag mensen door aanslagen. Alsof we dieren zijn”
“Gisteren nog”, wijst Djonamadji Abakar naar een boom. “Toen viel daar een granaat.” Op de plaats zitten nu een paar vrouwen en kinderen op een mat. “We zitten hier voortdurend in spanning. Elke minuut”, zegt hij. Er sterven volgens hem iedere
dag mensen door de aanslagen. “Alsof we dieren zijn.”
Langs de kant van de weg staan de koffers hoog opgetast, soms afgedekt met wat stukken zeil en plastic. “Iedereen wil hier weg”, zegt Abakar. “Er is nauwelijks eten meer en ook geen medicijnen.”
De ontheemde moslims voelen zich opgesloten. Achter de Franse wegversperringen wonen de christenen. En daar zijn ook de anti-balaka. Die zullen hen niet doorlaten. Bij eerdere konvooien met vluchtelingen zijn mensen bruut van de vrachtwagens
getrokken en op straat gelyncht.
“We willen niet weg. Hier ben ik geboren, dit is mijn land.”
“Ik ben niet boos op de christenen”, zegt imam Isawoud Abdoulaye. “Maar ik constateer dat ze in dit land geen niet-christenen meer willen.” Hij zegt niet te weten waarom. Dat het met de wreedheden van de islamitische Sélékarebellen tegen christenen
te maken heeft, gelooft hij niet. “De problemen bestonden al voor Séléka”, zegt hij. “Wij werden allang beschouwd als onechte inwoners van de CAR.”
Abakar heeft er een hard hoofd in dat de moslims binnen afzienbare tijd weer in vrede samen zullen leven met de christenen in de CAR. “We kunnen hier nu niet blijven. Maar als het weer werkelijk vrede is, zullen we terugkeren.”
Noodhulporganisaties als Artsen zonder Grenzen en Unicef proberen hulp te bieden aan de mensen rond de moskee. Maar ook dat stuit gemakkelijk op problemen. Unicef probeerde diverse malen voedsel naar de moskee te brengen, maar het transport
kwam het christelijke deel van de wijk niet door.
Het huis van Innocent Addumbaye (36) uit de Centraal-Afrikaanse Republiek is verwoest door islamitische rebellen. Hij kiest echter niet voor wraak, maar voor het gesprek.
Het is zondagmorgen in Bangui. De kerkgangers staan op, buigen het hoofd en bidden om vrede. De voorbede in de protestantse kerk Christ-Roi is intens deze zondag. Het gebed geldt niet alleen de situatie in eigen land, maar ook in het naburige
Zuid-Sudan. „Geef dat we zullen leven uit de liefde van Jezus Christus”, smeekt een man in de kerk.
Het is een gebed dat zo vaak klinkt, in zo veel kerken op de wereld. In een stad waar moslims in doodsangst leven vanwege het vuur van de christelijke wraak, klinkt het echter als een anomalie. Liefde is niet het eerste waar veel moslims in
de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) nu aan denken als het over christenen gaat.
Bij christenen denken ze aan de antibalaka-eenheden die tijdens wraakacties in Bangui kinderen op tafels hebben gelegd en als lappen vlees in stukken hebben gehakt. Of aan al die burgers die zeggen dat er voor moslims geen ruimte meer is in
dit land.
“Bij christenen denken veel moslims aan milities die kinderen in stukken hakken”
Dit gebed op zondagmorgen horen de moslims niet. Dit gebed horen ook veel christenen niet. Het is eigenlijk geen vraag of de ‘christelijke’ antibalakastrijders dergelijke gebeden ooit uitspreken, het is eerder de vraag of ze ooit een kerk vanbinnen
zien. De labels christelijk en islamitisch zijn in de CAR sociale categorieën die gemakkelijk lege hulzen blijven.
„Het is weer de religie hè”, verzucht een buitenlandse journalist op een terras in Bangui. Maar de preek van deze zondag in Christ-Roi laat aan duidelijkheid weinig te raden over. Haat en geweld gaan niet samen met het aanroepen van Jezus’
naam, houdt de predikant zijn gehoor voor. Hij citeert Mattheüs 5, waar Jezus het aloude verbod op moord aanscherpt tot een verbod om een ander voor dwaas uit te schelden, en past dit toe op de verhouding tussen christenen tegenover moslims.
„Dergelijke preken zijn belangrijk”, zegt gastvoorganger Jean-Pierre Betindsi na afloop van de dienst. „Het is nodig om op te roepen tot matiging van emoties.”
Ds. Jean Serefio, de vaste predikant van de gemeente, verklaart dat anti-islamitische sentimenten onder christenen sterk kunnen zijn. „Er is ongekend veel geweld geweest, mensen zijn vermoord, kerken zijn verwoest. We zullen moeten leren
weer normaal samen te leven. Mensen kampen bovendien met traumatische ervaringen.”
Betindsi: „Het zit in de Afrikaanse cultuur om dingen uit te praten. Ik ben er zeker van dat we hier uit zullen komen.” Hij ziet daarin een belangrijke rol weggelegd voor de kerk. Uiteindelijk gaat het volgens hem om minderheden van moslims
en christenen die kwaad willen. „We hebben altijd goed samengeleefd.”
“Het gebed om vrede in de kerk Christ-Roi is intens”
In Christ-Roi zitten deze zondagmorgen veel mensen in keurige, fleurige, zondagse kleding. Het is moeilijk in hen een doorsnee te zien van de stad als geheel, waar de gevoelens en emoties sissen en koken op de vruchtbare bodem van torenhoge
werkloosheid, wrok en almaar stijgende voedselprijzen.
„We moeten dicht bij huis beginnen”, zegt Serefio. „Het begint ermee dat we moslims als schepsels te zien, net als wij.”
De kerk spreekt niet alleen, maar voegt in de CAR op veel plaatsen ook de daad bij het woord. Tienduizenden ontheemden zijn opgevangen rond kerkgebouwen. Onder hen zijn veel christenen, die nog altijd in angst leven voor de islamitische Sélékarebellen.
Sommige kerken zijn echter bijna geheel gevuld met moslims.
Bij de Sint-Jozefkerk in Bangui zitten beide groepen. „Moslims zijn hier welkom als iedereen”, zegt pater Albert Tungumale-Baba van de Sint-Jozefkerk in Bangui. Hij glimlacht. „Zoals de protestanten. We houden met hen zelfs twee keer per
maand gezamenlijke gebedsdiensten om vrede. Dan mag ook een protestant in onze kerk de Bijbel lezen en uitleggen.”
De aanwezigheid van een kleine groep moslims in het kamp heeft volgens de pater nog niet tot grote problemen geleid, al heeft een christelijk gezin er een keer antibalaka bij geroepen om een geschil uit te vechten. „Ik heb hun echter duidelijk
gemaakt dat we de problemen hier prima zelf kunnen oplossen”, zegt Tungumale.
Hij zit voor zijn kleine studievertrek op het chaotische terrein rond de kerk. Vrouwen zijn aan het koken, kinderen rennen in het rond: er leven zo’n 20.000 personen op het terrein rond zijn woning. Het lijkt hem niet te deren. ”Wees welkom
aan de tafel van pater Albert”, staat er op het kleedje over zijn tafel: een geschenk van een vriendin bij zijn priesterwijding.
Tungumale hoopt dat moslims en christenen in het hele land weer samen zullen kunnen leven, maar is met name bezorgd over de buitenlandse inmenging. „Dat is een oud probleem”, zegt hij. Hij wijst op de Libische oud-leider Gaddafi, die het
land volgens hem al wilde islamiseren en inkapselen. „De Arabische landen zullen moeten stoppen om geld te geven aan de rebellen. Ze zullen moeten accepteren dat dit een land van christenen en moslims is.”
Te midden van alle verscheurdheid en verdeeldheid zijn er ook hoopvolle initiatieven. Zo proberen de christelijke Innocent Addumbaye (36) en de islamitische Mohamed Bomassa (23) beide bevolkingsgroepen bij elkaar te brengen. Ze doen dit door
het maken van radioprogramma’s, maar ook door met groepen christelijke en islamitische jongeren in gesprek te gaan. Het initiatief wordt onder meer ondersteund door Cordaid.
Of ze al een gemengde groep bij elkaar hebben kunnen krijgen? „Dat ligt nog te gevoelig”, zegt Bomassa. „Maar ik verwacht dat het in de nabije toekomst wel mogelijk is.” Addumbaye knikt. „We hebben goede afzonderlijke gesprekken gehad met
christelijke en islamitische jongeren. We merken het effect daarvan.”
Adddumbaye en Bomassa zijn neergestreken onder een boom op het terrein van de Sint-Marcuskerk – waar zich eveneens duizenden vluchtelingen bevinden. „Ik ben hier vandaag voor het eerst samen met Addumbaye op christelijk grondgebied”, zegt
Bomassa hoopvol. Addumbaye: „Maar jij hebt je hoofd geschoren om niet te erg op te vallen.” Bomassa lacht. „Als ik met baard en tulband over straat ging lopen, liep ik veel meer gevaar.”
Beiden zijn er echter van overtuigd dat de grote meerderheid van de bevolking gewoon vrede wil. Ze spreken consequent van „minderheden” die onrust willen. „Er zijn een paar zeer agressieve milities actief”, zegt Addumbaye. „Die representeren
de bevolking niet.”
“Mijn huis is verwoest. Maar het geloof leert mij te vergeven”
Dat er in het verleden al meerdere initiatieven zijn geweest om de kou tussen islamitische noorderlingen en christelijke zuiderlingen in de CAR uit de lucht te halen, weten ze. Dat die niet tot het gewenste resultaat hebben geleid ook; hoe
zouden ze dat niet weten? Waarom dit project dan wel kans van slagen heeft, te midden van uitzonderlijk geweld?
„Mijn eigen huis is verwoest door islamitische rebellen”, zegt Addumbaye. „Ik had woedend kunnen worden, maar mijn geloof leert mij om te vergeven. Daarom doe ik dit.” Bomassa: „Ik had een winkel die is geplunderd en verwoest. Ook voor mij
biedt het geloof echter de kracht om de vrede te zoeken. We zijn in dit land allemaal religieus en daar zit een enorme kracht in.”
Op het terrein van het protestantse seminarie in Bangui (Fateb) verblijven iedere nacht honderden christenen. Ze durven niet thuis te slapen uit angst voor aanvallen. Aan het einde van de middag is het een drukte van belang op het terrein.
„Het is nog veel voller geweest”, zegt dominee Rodonne Siribi, die het humanitaire werk bij Fateb onder zijn hoede heeft. „Mensen sliepen zij aan zij.”
Een groot deel van de theologische opleiding is wegens de veiligheidssituatie verplaatst naar Kameroen. De opleiding trekt geregeld docenten aan uit de Verenigde Staten en Europa, maar het was niet meer verantwoord hen naar Bangui
te laten komen.
De Nederlandse stichting Evangelische Toerusting Afrika en Azië (EvTA) onderhoudt intensieve contacten met de faculteit en faciliteert uitzendingen.
In samenwerking met de Britse afdeling van ontwikkelingsorganisatie Tear heeft Siribi een programma opgestart om de ontheemden te voorzien van voedsel. In enkele lokalen van het seminarie staan op een middag tassen vol rijst, zout
en andere basisbehoeften.
„Ieder gezin krijgt de helft van de aanbevolen hoeveelheid”, zegt Siribi. „Het is niet zo veel als we zouden willen geven, maar het helpt de mensen op weg.”
In de Centraal-Afrikaanse Republiek voltrekt zich met het conflict tussen moslims en christenen een humanitaire ramp. Het eten raakt op en de ziektes slaan toe.
Weggevlucht zijn ze, de mensen in de kampen vol ontheemden rond de luchthaven van Bangui. Weg van de moordende milities, weg van onder de hoornen vol onrecht, plunderzin en moordlust, die al maanden over de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR)
worden uitgegoten.
Weg, regelrecht in de smoezelige armen van de kampen. Het zijn armen die bescherming bieden, een bepaalde mate van medische zorg en voedselzekerheid. Maar ze zijn ook vol met tal van nieuwe problemen.
„Het leven is moeilijk hier”, zegt Amkur, een pientere vrouw in één van de kampen bij de luchthaven. Ze had een goede baan. Nota bene: kort geleden nog. Maar ze zit nu in een besmeurd tentenkamp. Er is tekort aan alles: medicijnen, toiletten,
voedsel. En er is gebrek aan rust om te slapen. Amkur blikt het islamitische kamp rond. „Er zitten hier Tsjadiërs, Nigerianen, Malinezen, alles door elkaar. Ook dat geeft problemen.”
“Als het regent, wil je hier niet zijn”
Als het regenseizoen straks begint, veranderen de morsige paadjes tussen de hutjes en tenten bovendien in modderpoelen. Parasieten zullen opduiken om de opeengepakte ontheemden te plagen. Malaria is nu al een groot probleem en de eerste doodsoorzaak
in de kampen. Dat wordt dan nog veel erger, vrezen hulporganisaties. En boven de regenwolken loert het monster van de cholera.
„Als het regent, wil je hier niet zijn”, vat Martine Flokstra, noodhulpcoördinator van Artsen zonder Grenzen in Bangui, de situatie bondig samen. Veel van de ontheemden hebben echter geen keus. Ze hebben geen huis meer: verwoest. Of ze durven
simpelweg niet weg. Het wemelt nog van de milities in het land en de bescherming schiet te kort.
Het is nu nog bloedheet en droog in de kampen. Dat kan echter zomaar veranderen: het regenseizoen in de CAR begint in de regel tussen maart en mei en duurt tot en met oktober.
De humanitaire ramp in de CAR is intussen vergelijkbaar met die in Haïti na de aardbeving van 2010. Ruim 700.000 mensen zijn op de vlucht geslagen, op een totale bevolking van 4,5 miljoen inwoners.
Een van de meest pragende behoeften van al die mensen is schoon water, zegt Flokstra. In de kampen krijgen de ontheemden op dit moment 4 liter water per persoon per dag, maar dat is veel te weinig om van te drinken, te wassen en te koken.
De minimumnorm ligt op 15 liter. Een Nederlander gebruikt dagelijks gemiddeld 120 liter water.
“Er zijn gebieden in het land waar vrijwel geen hulpverlener zit”
Langs de Oubanguirivier heeft Artsen zonder Grenzen een waterzuiveringsinstallatie opgezet, waar dagelijks 600.000 liter wordt gezuiverd. Maar genoeg is het niet. Een probleem is ook dat er er te weinig vrachtwagens in het land zijn om het water
te transporteren.
De wereldwijde noodhulporganisatie werkt op dit moment met 250 man internationale staf en 2000 lokale mensen in de CAR. „Dat is een zware bezetting”, beaamt Flokstra. „Maar het is keihard nodig.” Ze ziet „iets van verbetering in de situatie”,
maar benadrukt tegelijk de behoefte aan meer organisaties en hulpverleners. „Er zijn gebieden in de CAR waar vrijwel geen hulpverlener zit.”
Tekenend voor de situatie in de CAR is dat Artsen zonder Grenzen al sinds 1997 in het land actief is. „Voor een noodhulporganisatie is dat zeer uitzonderlijk”, zegt Flokstra. „Het betekent dat er al jaren een noodsituatie is in dit land. De
huidige crisis komt daar bovenop.”
“Het voedsel is volstrekt onbetaalbaar geworden”
Ook buiten de kampen laat de crisis in de CAR zich inmiddels in volle hevigheid voelen. De ziekenhuizen van Bangui kunnen het aantal patiënten nauwelijks aan. Op de binnenplaatsen zijn tenten neergezet, waarbinnen de bedden strak in het gelid
staan. Alles ligt vol. Ondervoeding is een nijpend probleem aan het worden, leggen de artsen en verpleegkundigen uit.
Voor een van de ziekenzalen zit Micheline met haar 11 maanden oude nichtje Joyel op schoot. Het meisje is broodmager en heeft witte plekken over haar lichaampje. „We hebben alleen wat melk om aan haar te geven”, verklaart haar tante.
Gaspard Touadora, die met zijn dochtertje in het ziekenhuis aan het wachten is, zegt dat de voedselprijzen in de stad meer dan verdubbeld zijn. „Het is voor de gewone mensen volstrekt onbetaalbaar geworden.” Hij wijst er op dat in de publieke
functies al maanden geen salarissen meer zijn uitbetaald. „Dat geeft dus een dubbel probleem.”
Wat niet te zien is, zijn de traumatische ervaringen die mensen met zich dragen. Touadora vertelt hoe hij de wildernis in is gevlucht, toen de islamitische Sélékarebellen in december moordend door Bangui trokken. „Het was er een verschrikking,
maar we konden nergens anders heen”, zegt hij. „We zaten er met veel mensen en hadden nauwelijks te eten. We sliepen in de openlucht te midden van het ongedierte.”
Een verpleegkundige, moeder van vijf kinderen, laat tussen neus en lippen door weten dat haar man is vermoord door Sélékastrijders. Er lijkt in Bangui bijna niemand rond te lopen die niet dergelijke verhalen kan vertellen.
Voor uitgebreide documentaire van VICE news over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (in Engels):
Colofon
Onrust in de Centraal-Afrikaanse Republiek
is een uitgave van het Reformatorisch Dagblad.
Tekst: Mark Wallet, beeld: Niek Stam
productie en techniek: Ton Hoeflaak
© 2014 Reformatorisch Dagblad