Eva Vriend beschrijft geschiedenis van gezinszorg

Oldenzaal, ca. 1950. Beeld Katholiek Documentatiecentrum Nijmegen Katholiek Documentatiecentrum Nijmegen
8

De moeder van Eva Vriend was vóór haar huwelijk gezinsverzorgster. Later, toen ze ernstig ziek werd, moest ze zelf een beroep doen op deze vorm van zorg. Haar kinderen groeiden op met gezinsverzorgsters, jarenlang, eerst tijdens haar ziekte, later na haar overlijden. Reden voor haar dochter om zich te verdiepen in de geschiedenis van dat typisch 20e-eeuwse beroep.

Eva Vriend schreef een prachtig boek over een onderwerp waar niet elke historicus zomaar op komt. Elk jaar opnieuw verschijnen er tientallen, zo niet honderden boeken over de oorlogsgeschiedenis, politieke geschiedenis en cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Maar met de geschiedenis van het dagelijks leven is het veel soberder gesteld. Vandaar dat onderzoek naar de gezinszorg tot op heden een volstrekt onontgonnen gebied was.

Het beroep gezinsverzorgster kwam op in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, toen het land opnieuw opgebouwd moest worden en er een leger hulpverleensters werd ingezet om het dagelijks leven weer in het gareel te krijgen. Misschien zijn de vrouwen die met duizenden tegelijk de handen uit de mouwen staken om het gezinsleven een nieuwe impuls te geven uiteindelijk wel invloedrijker geweest dan alle kunstenaars en politici van hun tijd bij elkaar.

Zes weken lang bleef een gezinsverzorgster vroeger in een gezin. Ze kookte, deed de kinderen in bad, maakte het huis schoon, poetste het koper, zeemde de ramen, zorgde voor de was en de boodschappen. Maar ze had óók tijd voor een praatje met een zieke moeder, of voor een spelletje met de kinderen. Ze las voor, ze voedde op, ze bracht gezelligheid, rust, reinheid en regelmaat. In haar smetteloze, gestreken uniform belichaamde ze het jarenvijftig-ideaal van huiselijk geluk, met de moeder als middelpunt van het gezin. Gezinsverzorgster was dus niet bepaald een beroep voor feministen.

Eva Vriend vervlecht in haar boek het persoonlijke verhaal van haar moeder en de verhalen van de verschillende gezinsverzorgsters in haar ouderlijk huis heel mooi met de ‘grote’ geschiedenis van Nederland. Ze laat bijvoorbeeld zien hoe de opkomst van de gezinsverzorgster alles te maken heeft met de wederopbouw na de oorlog en het sociale stelsel dat steeds royaler opgetuigd werd. Ineens was er veel overheidsgeld beschikbaar om hulp aan gezinnen te betalen. Maar nog altijd werd de zorg ingericht langs de vertrouwde lijnen van de diverse zuilen: er waren gereformeerde, hervormde, rooms-katholieke en vrijzinnige opleidingen en hulporganisaties.

Later deinde het beroep mee op de golven van de verzorgingsstaat. De vroege jaren tachtig vormden het hoogtepunt: honderdduizenden vrouwen werkten toen in de gezinszorg. Maar de hulpvragen namen toe met de vergrijzing van de samenleving, al die zorg werd onbetaalbaar en er moest bezuinigd worden en gereorganiseerd.

Het was niet meer vanzelfsprekend dat een weduwnaar met bijna volwassen, thuiswonende kinderen zomaar gezinshulp kreeg. Gezinsverzorgsters konden ook niet langer hele dagen in een gezin aanwezig zijn; ze moesten efficiënter werken en meerdere adressen op een dag bedienen. De sociale kant van het beroep –een praatje maken, een kopje thee drinken– werd steeds meer wegbezuinigd.

Aan het eind van de twintigste eeuw hield het beroep van gezinsverzorgster eigenlijk op te bestaan. In plaats daarvan kwam er thuiszorg, waarbij onderscheid gemaakt werd tussen huishoudelijke en verzorgende taken, die door verschillende mensen werden uitgevoerd. En de hulpverlening bleef voortaan altijd beperkt tot hoogstens een paar uur per dag of per week.

Zo ging het ook bij Eva Vriend thuis: „In het najaar van 1988 besloot Yvonne [de gezinsverzorgster van dat moment, red.] te adviseren dat het genoeg was geweest. Die laatste twaalf uurtjes werden ook geschrapt. Afgelopen, basta. Wij kregen voortaan geen gezinsverzorging meer. ‘Jullie konden jezelf redden, toch?’”

Eva was toen veertien en haar vader vond haar te jong om zo vaak alleen binnen te zitten en alle maaltijden te koken. Dus hij regelde dat een van de vroegere gezinsverzorgsters –inmiddels niet langer in de zorg werkzaam– drie middagen per week zou komen „voor een extra zakcentje en extra gezelligheid.” Zo ging dat in de praktijk: veel mensen werden weer afhankelijker van hun eigen omgeving, familie, buren, vrienden, kennissen.

”De helpende hand” eindigt met een citaat van Huub Oosterhuis, dat op het graf van de moeder van de auteur staat: „Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen met een ander, gaat verloren./ Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, die zal weten dat hij leeft.” Daar voegt de schrijfster aan toe: „Ik bedenk dat die woorden van Oosterhuis niet alleen mijn moeders leven eren. Het zou ook het motto van de gezinsverzorging kunnen zijn.”


Een winkel erbij

In 1954 ben ik naar de opleiding voor gezinsverzorgsters gegaan: de Prinses Maria Louise school aan de Grote Kerkstraat 13 te Leeuwarden. Ik heb daar veel geleerd, zoals koken en verstellen van huishoudgoed en kleding, breien, sokken stoppen, wassen, verzorging van moeder en kind, huishoudelijk werk, maar ook geschiedenis en aardrijkskunde. Het was een prachtige opleiding en we hebben veel plezier gehad met z’n allen.

Mijn eerste gezin was in de gemeente Dantumadeel, een groot gezin: zes jongens en twee meisjes en een oude oma. Net als bij mij thuis. Ik was wel wat gewend. De moeder was ziek (de A-griep). Ze hadden een kruidenierswinkel, dus dat kwam er ook nog bij. Vanaf Rinsma State in Driesum, waar ik een kamer had, was het drie kwartier fietsen in weer en wind. Als ik aan het huishouden was en de winkelbel ging moest ik in de winkel helpen. Op een dag kwam er iemand in de winkel en die zei: „U hebt het wel erg druk, zal ik de was voor u doen?” Dat was fijn.

Als ik ’s morgens kwam, kreeg ieder een wasbeurt en als de jongste aan de beurt was, was de morgen al bijna voorbij. En dan zien wat voor eten er in huis was en koken, groente schoonmaken en vlees braden. Na het eten de afwas en dan het huishouden, opruimen en schoonmaken en een spelletje met de kinderen doen.

Later ben ik ook ‘uitgezonden’ naar Zeeland, waar de watersnoodramp rouw en verdriet had gebracht. Meehelpen aan de opbouw van de verwoeste huizen, behangplakken, schoonmaken, koken, zorgen, enzovoort.

Het was een fijne tijd, het omgaan met en zorgen voor mensen. Later, toen ik getrouwd was, heb ik nog veel bij gezinnen gewerkt. Het verzorgen zit me in het bloed.

Nu heb ik zelf één keer in de week een huishoudelijke hulp van thuiszorg Het Friese Land.

Janny van der Meulen-Flikkema (85), Zwaagwesteinde


Op een oliestel koken

Dankzij onze predikant ben ik ertoe gekomen om gezinsverzorgster te worden. Eerst heb ik een half jaar als helpster gewerkt, toen een half jaar intern de opleiding in Dordrecht gedaan. Daarna volgde een praktijkjaar. Tussen 1961 en 1970 heb ik als gezinsverzorgster gewerkt, met name in de Alblasserwaard.

Als de moeder van een gezin in het ziekenhuis was opgenomen had je veel verantwoordelijkheid. Ook financieel. Je moest de huishuur betalen (die thuis werd opgehaald), net als gas en licht. Ook de slager, de bakker en alle andere leveranciers kwamen aan de deur.

Het huishoudelijk werk was zwaarder dan nu. Soms had je geen wasmachine of moest je –in de dorpen– op een oliestel koken. Ik werkte in de stad Gorinchem, maar ook op boerderijen. Bij de burgemeester, maar ook bij mensen aan de zelfkant van de samenleving. Eén keer kwam ik zelfs onder de vlooien thuis.

Het mooiste was als je moeilijke gezinnen weer enigszins in het normale patroon kon krijgen. De mensen waren bijna altijd heel dankbaar, want als er een gezinsverzorgster moest komen was de nood soms best hoog.

De werkdag ging als volgt: ’s morgens om 8 uur beginnen, kinderen wassen en aankleden en naar school helpen, moeder verzorgen en ontbijt geven, de was en bedden doen, om 10 uur koffie drinken, stoffen en zuigen, kinderen ophalen uit school (soms), eten en ze weer naar school brengen, strijken, boodschappen doen, eten klaarzetten of koken en kleding maken.

Het was druk, soms ook zwaar, maar het gaf veel voldoening. Leiding geven aan pubers ging toen ook niet altijd vanzelf. Maar echt grote problemen met kinderen heb ik niet gehad. Wel met huwelijksproblemen en psychische problemen. Eén keer per week kwam er een maatschappelijk werkster. Daar kon je je zorgen aan kwijt.

Nog altijd denk ik met veel genoegen aan die tijd terug.

Aagje Baaij-de Ruiter (72), Hardinxveld-Giessendam


Broodkorsten leren eten

Van 1991 tot 1994 heb ik de opleiding mdgo-vz aan het Saldenuscollege in Amersfoort gevolgd. Op school werd niet altijd zo positief over de gezinsverzorging gesproken. Je zou veel huishoudelijk werk moeten doen. Maar tijdens mijn stage in de gezinsverzorging kwam ik erachter dat ik toch het liefst hier zou willen werken. Het huishoudelijk werk nam ik voor lief; gezinsverzorging omvatte veel meer! Je moest ook mensen verzorgen, voor kinderen zorgen, zorgen dat een huishouden kon blijven draaien. Het belangrijkste voor mij was en is dat ik zo mensen kan helpen om langer thuis te blijven wonen.

Ik vind het bijzonder om te zien hoe dankbaar mensen kunnen zijn als je iets voor hen doet. En deze baan past bij mij. Ik houd wel van de vrijheid, alleen op pad gaan naar cliënten is voor mij echt geen straf. Het is altijd weer een verrassing wat je achter een nieuwe voordeur aantreft.

Van 1994 tot eind 1995 heb ik in Veenendaal gewerkt, daarna in Barneveld. Een werkdag zag er in het begin zo uit: ’s morgens eerst iemand wassen en aankleden en daarna huishoudelijk werk in een gezin of bij oudere of gehandicapte mensen. In 2003 werden bij ons het huishoudelijk werk en de verzorging gesplitst. Het was gewoon niet meer te combineren en de verzorgenden waren ook te duur voor het huishoudelijk werk. Inmiddels ben ik verpleegkundige (niveau 4), doe ik alleen nog verpleging en verzorging en heet de gezinsverzorging thuiszorg.

Eén voorval staat me nog wel bij. Ik at met twee kinderen en het jongetje van ongeveer 4 jaar wilde de korsten van zijn brood niet eten. Ik zei dat hij dat wel moest, „want daar word je groot en sterk van.” De volgende dag zei hij tegen mij: „Ik moet van jou korstjes eten hè, want daar krijg je spierballen van!” En hij at ze zo op.

Brenda van Roekel-van Riessen (40), Ede


Boekgegevens

De helpende hand, Eva Vriend
uitg. Balans, Amsterdam, 2016; ISBN 978 94 600 3100 7; 248 blz.; € 18,95.