Bonder werd kluizenaar

Ds. E. H. Wolbers werd „vader Jacob.” - Foto RD RD

Ooit vertoefde ik een aantal dagen in een Grieks-orthodox klooster, in Syrië, op de top van een berg. Vijf monniken boden er een gastvrij onthaal met eenvoudige maar voedzame maaltijden. Al spoedig werd mij duidelijk dat het kloosterleven, als ik dat al beoogd zou hebben, aan mij niet was besteed.

Mijn monnikscel werd verwarmd door een onwelriekende petroleumkachel. De dikke gestikte deken was zo glad dat hij nu eens linksom dan weer rechtsom van mij afgleed. En het vergde halsbrekende toeren om heelhuids van de toiletpot af te komen.

Een luide bel wekte mij en de vaste bewoners om 5.00 uur voor de morgenwijding. Met grote toewijding volvoerden de geestelijken de hun opgedragen liturgische verrichtingen, die mijn begrip alleen al vanwege de taal te boven gingen, al had ik soms wel enig vermoeden. De verering van iconen, soms met een heilige kus, was mij vreemd. Nochtans trof mij de devotie.

En ik heb blijvende herinneringen aan een oude patriarch, met een eerbiedwaardige baard en eenvoudige sandalen, die me ’s avonds bij een snorrende potkachel vroeg of ik wederomgeboren was. Er ontspon zich een geestelijk gesprek, waarin hij me deel­genoot maakte van een authentieke Paulusbekering in hartje New York. Daarna had zijn leven een radicale wending genomen, met als eind­resultaat het klooster.

Dit alles komt mij in gedachten na lezing van een boek van Koert ter Veen, ”Athos – monnikeneiland” (uitg. Aspekt, Soesterberg 2001), waarop ik werd geattendeerd door een bevriend predikant, die er een merkwaardige en opmerkenswaardige persoon in aantrof. Een predikant die monnik werd.

Kluizenaar

Athos is een Grieks schiereiland, genoemd naar ene Athanasius, die er in de tiende eeuw het eerste klooster stichtte en er na een hoogleraarschap in Constantinopel zelf kluizenaar werd. Het werd in 972 een monnikenrepubliek, verboden voor vrouwen, zoals (nota bene!) Maria, „de Moeder Gods”, het zelf zou hebben verordineerd.

Op Athos bevinden zich twintig orthodoxe kloosters. Een ervan heeft de voor zichzelf sprekende naam Simonopetra. Daar ontmoette Ter Veen op zijn kloostertocht „vader” Jacob.

Hij onthult, ik mag wel zeggen tot mijn grote verbazing, dat deze weleerwaarde „een vroegere dominee van de Gereformeerde Bond” was. Ik heb altijd gedacht wel zo ongeveer ‘alles’ te weten van wat er de laatste decennia in de kring van de Bond is omgegaan. Maar een dominee die Grieks-orthodox monnik werd?

De auteur schrijft over de man dat hij vrouw en kinderen vaarwel zegde en zich op zijn vijftigste bij genoemd klooster meldde. Hij werd eerst door de abt voor drie maanden naar Thessaloniki gestuurd, om de Griekse taal te leren. Daarna was hij zes jaar noviet en trad hij toe tot de kloostergemeenschap. Hij nam de naam Jacob aan, een „voorbeeldnaam”, symbolisch voor de Bijbelheilige op wie hij wilde lijken.

Hij bekende overigens dat het voor een protestant gemakkelijker is om orthodox te worden dan voor een rooms-katholiek, en wel vanwege de gedegen Bijbelkennis.

De orthodoxe geestelijken verdiepen zich niet alleen in de Bijbel, maar ook in het leven en de geschriften van de kluizenaarsvaders, ofwel de woestijnheiligen. „De opdracht van de mens”, zegt vader Jacob, „is ernaar te streven te gelijken op God.”

Men moet zich daarvoor „onderdompelen” in gebed, „zodat de geest zich bevrijdt van elk beeld.” Zijn streven was erop gericht 24 uur per dag te bidden. Tot de hartstochten van de mens behoren ook voedsel en slaap, die men dus zo veel mogelijk moet vermijden.

De monnik ging nog een stap verder. Hij werd zelf kluizenaar en bewoonde daartoe een kluisje van 4 bij 5 meter op de top van de berg. Hij overleed op 9 september 2000, nog geen zestig jaar oud. Het karige voedsel had zijn gezondheid kennelijk ondermijnd. In Grieks-orthodoxe terminologie heet sterven overigens „geboren worden voor de eeuwigheid.” De kluizenaar had nog wel een keer Nederland bezocht om „schoon schip” te maken met zijn familie.

Uiteraard was ik brandend nieuwsgierig naar de naam van de predikant achter de kluizenaar. Het kostte me vele uren van telefonische en digitale omzwervingen. De auteur van het boek was overleden, de uitgever wist van niets en niemand.

Onder leiding van Jan Abels echter had Ter Veen de tochten over het monnikeneiland gemaakt. Daarom had hij zijn boek opgedragen aan Abels en vader Jacob. En zo kwam ik uiteindelijk bij Abels terecht, die van huis uit gereformeerd is, maar ook overging tot de orthodoxie, in zijn geval de Russisch-Orthodoxe Kerk. Zijn kerkenraad in Delft stuurde zijn doopbewijs op naar de orthodoxe kerk in Delft. „Vader Adriaan” aldaar zei nog nooit „zo’n keurige en aardige brief” van een kerkenraad te hebben ontvangen.

Doop

Wie vader Jacob dan wel was? Abels onthulde me het geheim en bracht ook een kleine correctie aan. Van huis uit behoorde „Jacob” tot de Gereformeerde Bond. Evert Hendrik Wolbers was zijn naam, geboren in 1944 in Putten, kandidaat in 1972 na een vicariaat bij ds. S. Meijers in Ermelo, vervolgens predikant in Kerkdriel (1972-1977), Terneuzen (1977-1983) en in Uithoorn (1983-1987).

Dan de kerkelijke overgang. Hij werd op 31 oktober (!) in zee gedoopt, met de naam van de profeet Elia. En toen kwamen het klooster en de kluis. Een Bonder van oorsprong die uiteindelijk kluizenaar werd op een berg in Griekenland. Zo iemand kom je niet iedere dag tegen.