Bommel en zijn knipogen naar de Bijbel

Op de omslag van Driebergens boek heeft Bommel de Statenbijbel op schoot. In de Bommelboeken komt de Bijbel echter nergens voor.
3

Het is bij heer Bommel niet alleen kolderiek en winderigheid. Wie het buitenste laagje er af pelt, komt zelfs heuse diepgang tegen. Zonder de Statenvertaling zouden de Bommelverhalen heel anders klinken. Maar uiteindelijk is het allemaal vrijblijvend.

Dit is de Bommelkast, wijst Klaas Driebergen. Twee planken vol met uitgaven van de tekststrip door Marten Toonder (1912-2005). Verder de autobiografie van de schrijver en andere boeken over de ”Bommelsaga”. „Op de onderste planken staan de mappen met knipsels over Toonder en zijn werk.”

Driebergen (1979) leest de Bommelboekjes al sinds zijn dertiende. En hij raakte eraan verslingerd. Nog steeds schenkt hij koffie in Bommelbekers.

In 2007 rondde hij zijn studie Nederlands af met een scriptie over het thema Bommel en de Bijbel. Maar daarna had hij het gevoel nog niet alles te hebben gezegd. Hij kroop opnieuw door de 177 verhalen (met een „fijn kammetje”, zoals commissaris Bas zou zeggen) en schreef er een boek over, dat deze week verschijnt.

Voor de omslag maakte Wil Raymakers in de stijl van Toonder een prent waarop Bommel in zijn vertrouwde stoel in de Statenbijbel leest, ondertussen vermaand door de Zwarte Zwadderneel.

Niet iedereen zal waarderen dat Bommel Bijbellezend wordt afgebeeld, zegt Driebergen. Helemaal kloppen doet dat namelijk ook niet, want de Heilige Schrift komt in Bommels verhalen niet voor.

Een tijd geleden schreef Driebergen een artikel onder de titel ”Bommel op de mestvaalt”. Dat beschrijft hoe het verhaal ”De zelfkant” lijkt op het Bijbelboek Job. Toen Driebergen dat artikel trots aan zijn opa toonde (net als hijzelf gereformeerd vrijgemaakt), vond die dat maar gek. „Hij vond het blijkbaar niet passend elementen uit de Bijbel te verbinden aan een stripfiguur. En eerlijk gezegd kan ik me bij zijn reactie ook wel weer iets voorstellen.”

Toonder zelf kwam naar eigen zeggen van „niet erg steil hervormden huize” en was ook nog eens „afgegleden”, vastbesloten om zijn eigen weg te gaan.

Erg kerkelijk was het gezin niet. Wel ging Marten naar de zondagsschool. Driebergen: „Totdat hij daar over de kruisiging van Christus hoorde. Dat vond hij vreselijk. Daarna ging hij er niet meer naartoe.”

Is hij wel echt met de Bijbel opgevoed?

„Daar is moeilijk greep op te krijgen. Zijn opvoeding was zeker niet orthodox, zo is mijn indruk uit zijn autobiografie en zijn interviews. Buiten het opdreunen van een –voor hem onbegrijpelijk– gebedje bij het eten kreeg hij weinig mee.”

Als middelbare scholier las hij wel de Statenbijbel door. „Dat heeft wel een stempel op hem gedrukt. Hij heeft meermalen gezegd dat deze taal voor hem het mooiste Nederlands is. Hij hield van archaïsche taal.”

In levenbeschouwelijk opzicht bleef de schrijver-tekenaar levenslang zoeken. „Hij ging op catechisatie bij een voor die tijd redelijk vrijzinnige dominee. Maar hij verdiepte zich evenzeer in boeddhisme, taoïsme en theosofie. Omdat hij later in Ierland woonde, interesseerde ook de keltische mystiek hem. Ik denk dat hij een natuurgeloof aanhing.”

Hoe werkt dat door in zijn verhalen?

„Op diverse manieren. De liefde voor de natuur zie je terug in de vele plaatjes. En ook in de verhalen. De natuur is een kracht om rekening mee te houden. Hij zag de natuur als bezield en als goddelijk.”

Speelt godsdienst een rol in de Bommelsaga?

„Nee. Maar het zijn ook geen realistische verhalen. Het gaat over dieren in een mensenpakje. Er zijn meer menselijke zaken die nooit in de Bommelverhalen voorkomen, zoals de dood of seksualiteit.

Wel zie je aan enkele details dat het stadje Rommeldam op onze christelijke maatschappij is gebaseerd. Af en toe verschijnt er een kerktorentje op een plaatje, en eenmaal staat er een rij kerkgangers op de achtergrond. In de Bommelverhalen komt religie dus af en toe voor, maar in de marge.”

Wel genoeg voor een boek?

„Ja. Het werk zit boordevol met verwijzingen naar de Bijbel en het christendom. De knipogen naar Bijbelse uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld ontelbaar.”

Driebergen bladert in de proefdruk: „Hier zegt Bommel dat zijn inzicht niet langer onder een korenmaat mag liggen. Dat lijkt mij een uitdrukking die is ontleend aan de Bergrede, hoewel natuurlijk helemaal verhaspeld. Dat is typerend voor Toonder. Hij bladerde ook af en toe door de dikke Van Dale, speciaal om archaïsche woorden op te sporen.”

In uw artikel over ”De zelfkant” wijst u op parallellen met het boek Job. Zijn er meer van zulke voorbeelden?

„Diverse. In ”De knollengaard” uit 1954 gaat het over een tuin met vruchtbomen dat achter het Donkere Bomen Bos ligt. Daar staat onder meer een appelboom. De gaardenier waarschuwt dat appels vaak tot narigheid leiden. Later moet Bommel de ”appel der zelfkennis” eten. Volgens mij verwijst dat naar de zondeval.”

Rommeldam is een Nederlandse stad, met kerktorens. Schijnt ook ons ‘Hollandse calvinisme’ erin door?

„Waarschijnlijk in de figuur van de Zwarte Zwadderneel. Dat is een in het zwart geklede moralist die in vier verhalen voorkomt. Hij ziet eruit als een quaker, helemaal in het zwart gekleed en met een hoed. Hij draagt altijd een paraplu, want waar hij verschijnt, neemt hij regen en dus somberheid mee.

De Zwarte Zwadderneel is een boeteprediker die voortdurend anderen met opgeheven vinger wijst op hun hoogmoed, hovaardij en winderigheid. Maar overal waar hij verschijnt, brengt hij ellende en narigheid. Volgens mij is hij een karikatuur van het calvinisme.

Hij gebruikt taal die doordrenkt is van de tale Kanaäns. Toonder was niet alleen op de hoogte van de Statenvertaling, maar kende ook het jargon van het piëtisme. Veel termen vond ik terug in het boek ”De weg in woorden” van C. van de Ketterij.”

Misschien beschikte Toonder wel over dat boek.

„Toch niet. Ik vroeg me wel vaak af hoe hij dan wel aan die woorden kwam. In de jaren veertig en vijftig had hij vrienden in gereformeerde kring. Misschien was hij op die manier op de hoogte.

Toonder maakt overigens wel zijn eigen variant op deze taal. Niet alle archaïsche woorden komen uit de Bijbel of uit de tale Kanaäns. Neem het woord winderigheid. Dat is echt Toonders eigen variant op ijdelheid en het najagen van wind.”

De enige keer dat een calvinist in de verhalen opduikt, verschijnt hij dus in bespottelijke vorm?

„Inderdaad als karikatuur. Maar daar moet ik bij zeggen dat Toonder van alle beroepsgroepen een karikatuur maakt.”

Spot Toonder ook met het geloof zelf?

„In zekere zin wel. Al vraag ik me af of veel calvinisten zich erdoor aangevallen voelen. Het gaat natuurlijk gepaard met humor. Maar tussen die lichtvoetigheid klinkt wel de spot.

Toch vind ik de kritiek van Toonder niet zo nadrukkelijk als bij Jan Wolkers en Maarten ’t Hart. Dat is echt rauwe spot. Zo gaat het in de Bommelboeken niet. Maar het is ook niet oppervlakkig. Toen de verhalen verschenen, was er daarom best wel eens ergernis over.”

Wolkers en ’t Hart doen aan blasfemie. Komt dat bij Bommel voor?

Driebergen denkt na. „Toonder heeft dat verwijt wel gekregen na het verschijnen van ”De grote onthaler”. Dat is een oliesjeik die puur uit verveling een treinstation met een doolhof heeft aangelegd om van boven uit een toren te zien hoe mensen op allerlei beproevingen reageren. De schrijver heeft later wel gezegd dat hij in dat verhaal een bepaald godsbeeld heeft bekritiseerd. De grote onthaler is gewoon een sadist die zichzelf almacht, alwetendheid en alziendheid toedicht.

Ik denk dat Toonder in dit verhaal ook de leer van de voorzienigheid aan de kaak stelt.” Driebergen bladert in zijn boek en leest voor hoe hij in dat verband de Heidelbergse Catechismus aanhaalt. „Uit zondag 10 zou je kunnen afleiden dat God ook achter de kwade dingen in het leven zit. Toonder stelt dat onder kritiek.

Opvallend is het trouwens dat een jaar later, in 1978, het boek ”Een vlucht regenwulpen” van Maarten ’t Hart verscheen. Dat heeft zondag 10 zelfs als uitdrukkelijk motto meegekregen. Kennelijk speelde dat thema in die tijd.”

Is ”De grote onthaler” wat u betreft blasfemisch, in die zin dat het de heiligheid van God schendt?

„Ik denk van niet. Maar toen de strip voor het eerst in 1977 verscheen in NRC Handelsblad, kwamen er wel zulke brieven binnen. En het is onmiskenbaar dat er een bepaald christelijk godsbeeld wordt bespot.”

Veel auteurs willen bepaalde (christelijke) waarden als positief voorstellen, zoals naastenliefde. Gebeurt dat in de Bommelverhalen ook?

„Nee. Maar ik vermoed ook niet dat Toonder zijn verhalen opvoedend heeft bedoeld. Hij wilde geen boodschap in zijn boeken.

Wel worden de slechteriken, zoals tovenaars en aan lagerwal geraakte zakenlieden, ontmaskerd. Maar nooit worden ze gestraft. Ze komen met de schrik vrij. Die vrijblijvendheid zit er altijd in.

De kracht zit in de combinatie van diepgang en humor. Ik las Bommel aanvankelijk om het verhaal, maar gaandeweg ontdekte ik de knipogen. Het is echt een literaire strip.”


Boekgegevens

”Bommel en Bijbel. Bijbel en christendom in de verhalen van verhalen van Marten Toonder”, Klaas Driebergen, uitg. Aspekt, Soesterberg, 2012; ISBN 978 94 6153 220 6; 347 blz.; € 29,95.