Zwarte bladzijden in een dagboek

”Voor mij bestaat geen geluk.” De pen die Rie van Rossum vier jaar na haar huwelijk op het papier van haar dagboek zet, druipt van bitterheid. ”Ik heb het altijd wel geweten. Ik had nooit moeten trouwen. Was ik maar weer alleen - daartoe keert een mens tenslotte altijd weer terug.” Ondertussen publiceert de kinderboeken- en romanschrijfster het ene na het andere verhaal, dat door recensenten als ”fris”, ”fijn”, ”gevoelig” en ”teer” wordt getypeerd.

Maria Elisabeth van Rossum, op 28 maart 1903 geboren als oudste dochter van een sergeant, blijkt al op jonge leeftijd een echte boekenverslindster te zijn. Ze leert zichzelf lezen, want haar gezondheid laat aanvankelijk zoveel te wensen over dat ze niet regelmatig naar school kan gaan. Als ze nog maar zes jaar is, behoort de dikke Statenbijbel van haar opa al tot haar lievelingsliteratuur. Niet alleen de tekst, ook de tekeningen van Gustave Doré boeien haar mateloos. Veertig jaar later zal ze nóg de plaat uit Openbaring voor zich zien: ”En ik zag een anderen sterken engel, afkomende van den hemel, en een regenboog was boven zijn hoofd (...) en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en de linker op de aarde.” Ezechiël fascineert haar al evenzeer. ”Moeder, ik ben nu in ézugiel”, meldt ze op zekere dag. Decennia later gaat een schok van vreugde door haar heen, wanneer ze een negerkoor hoort jubelen: ”Ezekiel saw a wheel up in the middle of the air!” Door de kerstvertelling ”En haar muur was diamant” schemert ook iets van dat geboeid zijn door de heilige stad, waarvan de straten van goud en de poorten van paarlen zijn. Als het om zelf schrijven gaat, is Rie er al even vlot bij. Haar eerste ’publicatie’ verschijnt als ze negen jaar is. Het betreft een opstel over een hagelbui en wordt afgedrukt in het kinderhoekje van de Haagsche Courant.

Kloof

Rie van Rossum volgt een opleiding aan de zogeheten kweekschool en komt voor de klas te staan. In haar vrije tijd zet ze zich aan het schrijven. Ze levert korte verhalen aan het tijdschrift De Jonge Vrouw, oefent zich fanatiek in het schrijven van sprookjes en werkt in 1934 aan haar eerste roman: ”Kloof zonder brug”. Meteen na de verschijning daarvan bij Bosch & Keuning in Baarn blijkt het een groot succes te worden.

In deze roman over het wel en wee van een examenklas van een Christelijke Kweekschool beschrijft Rie een periode die loopt van mei tot mei. Hoewel ze meer dan één hoofdpersoon kiest, zal voor veel lezers Jan de Ridder de held van het verhaal zijn. Jan heeft een afkeer van het komende schoolmeesterschap en een grote passie voor muziek. Alleen zijn moeder en z’n oude pianoleraar begrijpen hem.

Groot en onoverbrugbaar blijkt de kloof tussen Jan en zijn vader, die maar niet kan begrijpen wat de jongen in de muziek ziet en die zijn enig kind graag met wat meer interesse zag studeren. Rie -schrijfster van het detail- haalt ook uitgebreid de klasgenoten van Jan voor het voetlicht. Daarmee wordt de roman een flink aantal markante personages rijker.

Kinderboek

Haar eerste kinderboek verschijnt slechts een jaar na ”Kloof zonder brug”. Het heet ”Jetje uit het huis” en beleeft eveneens diverse herdrukken. Rie van Rossum heeft haar genre gevonden. Vanaf dat moment zal ze zich voornamelijk bezighouden met het schrijven van romans en kinderboeken. ”Kloof zonder brug” krijgt een vervolg in ”Cinderella” en ”De tinnen soldaat”. Ook kinderboeken verschijnen nogal eens als serie, zoals die over Guusje uit de Goudsbloem, over Gijs en over Koen en Koosje. Zijn romans als ”Crinolientje” en ”Koosje Mansvelt” vaak goed geschreven, sfeervolle damesverhalen met veel romantiek en wat sentiment, ”Het scheepje naar Arcadia” en ”Een lied in een vreemd land” hebben ook in literair opzicht meer te bieden dan de gemiddelde roman. De titel van die laatste -in 1953 voor het eerst verschenen, in 1999 voor de vierde keer- is afgeleid van Psalm 137. Daar vraagt het volk van God in ballingschap zich af: ”Hoe zouden wij een lied zingen in een vreemd land?” Hoofdpersoon Niesje is als ziekelijk meisje in een liefdeloze omgeving ook als een balling in een vreemd land, maar ze zingt wel haar lied. Van Rossum beschrijft het tragische verhaal van Niesjes korte leventje op een bijzonder ingetogen manier. Meer dan anders doet ze, zoals ze het zelf in een brief verwoordt, haar best om ”al het lievige en zoetige uit te bannen.”

Evangelie

Critici hanteren in hun recensies van dit boek woorden als ”mild”, ”gevoelvol” en ”vol mededogen”. Die termen zijn vaker op het werk van Van Rossum van toepassing. Ook de schuchtere Doortje uit ”Kloof zonder brug” of de qua uiterlijk minder bedeelde Lena uit ”Cinderella” roepen bijvoorbeeld compassie bij de lezer op. Dit lijkt samen te gaan met het christelijke element dat vooral aanvankelijk in haar boeken te vinden is. D. van de Stoep schrijft in februari 1950 in Ontmoeting: ”Vat men niet alles in één zin samen, wanneer men zegt: Rie van Rossum staat in de naakte werkelijkheid van deze wereld en zij kent al de pijn en de moeite en het verdriet daarvan (denk aan ”De tinnen soldaat”), maar zij heeft het charisma, dat zij dit alles met een grotere en diepere en wijdere werkelijkheid doorlichten kan. Tot die andere werkelijkheid die in de onze indaalt rekent zij ook het Evangelie. Laat men zich herinneren dat dit het enige is dat zij op gezag van een Ander heeft aangenomen.” In datzelfde jaar echter valt er een zekere omslag in het werk van Van Rossum te bespeuren. Uit het manuscript van ”De gestolen roos”, dat ze die zomer inlevert, moet de corrector nogal wat grove woorden als donder en bliksem, maar ook enkele vloeken verwijderen. Uitgever Knotnerus schrijft daarover een brief en hij vervolgt: ”Ook de woorden ”waarachtig” en ”eeuwig” behoren niet bij de mens thuis. Maar goed, dat zijn van die kleine dingetjes waarvoor een ander kernachtig woord gemakkelijk te vinden is. () En dan al lezende zegt men bij zichzelf, Floor, die toch uit een Christelijk milieu komt, ik zou haast zeggen, voelt zij niet de noodzaak te vluchten in het gebed? Of moet er niet even in verwerkt worden dat zij door de omstandigheden of wat dan ook -ik ben geen auteur- helemaal afgestompt is van het geloof? En nu de laatste pagina. Het was Zondag geworden, mijn vrouw las mee. U zult toch niet verwachten dat -om het zo uit te drukken- ik met een doetje getrouwd ben. Zij komt uit Vlissingen, maar zou evengoed uit het Noorden afkomstig kunnen zijn. Kloek, nuchter, reëel, maar bij de laatste pagina bloosde zij toch.”

Hatelijkheden

Aldus de uitgever over een verandering in Van Rossums boeken, die parallel lijkt te lopen aan veranderingen in haar leven. In 1941 verlaat Rie van Rossum namelijk haar idyllisch huis ”’t Crayenest” in Heemstede om te trouwen met de tien jaar jongere, zwaarmoedige en eenzelvige Joh. P. R. Dijkstra en met hem in Huizum bij Leeuwarden te gaan wonen. Ze is 38 jaar. Twee jaar later krijgt het echtpaar een dochtertje, dat ze Marijke noemen. Rie blijft schrijven onder haar meisjesnaam. De contacten met medeauteurs, die ze vooral ontmoette op de Christelijke Letterkundige Kring, verwateren echter. Ook van sociale contacten in haar privé-leven is in de loop van de tijd nauwelijks sprake meer. Het huwelijk wordt gaandeweg een drama. Getuige haar dagboeken vliegen de hatelijkheden over en weer in huize Dijkstra. Gedurende vele jaren schrijft ze schriften vol over scheld- en vechtpartijen. Niet zelden is de jonge Marijke getuige van de vernederingen, het geschreeuw en de slagen die er vallen. Wat er ook gebeurt, het schrijven geeft Van Rossum niet op. Ze zet dat voort tot aan het einde van haar moeizame leven. Volgens haar zus, mevrouw C. E. van Rossum, is de schrijfster lang ziek geweest, ”maar eerst mochten wij het niet weten. Ze had een sterke wil. Die wilde ze overigens ook anderen opleggen. Terwijl ze op haar sterfbed lag, schreef ze nog. De pen is uit haar hand gegleden. Toen heeft ze gehuild. Maar daarna ging ze weer verder.”’ In de ochtend van 5 oktober 1973 overleed Rie van Rossum. Johan Dijkstra overleefde zijn vrouw nog zeven jaar. Boven de rouwkaart die hij en Marijke deden uitgaan, stond: ”Die aan het einde van zijn vroom bestaan / Het kwaad niet heugt dat anderen bedreven / Maar zeggen kan: ik heb mijn werk gedaan.”