Winnende verhaal schrijfwedstrijd Driestar

Het voormalige Driestarinternaat met uit de ramen hangende studenten. beeld Driestar hogeschool

Woesjj… Rakelings vloog het projectiel langs het hoofd van de psychologiedocent die, onderuitgezakt achter zijn bureau, laconiek grijnsde. De vulpen sloeg in op het bord achter hem, waarna deze, na even rondtollen, tussen het krijtstof tot stilstand kwam. Die vulpen bedoel ik.

Een daverende klap volgde toen de tweedejaars PA-studente haar tafel omvergooide en met grote stappen wegbeende uit de klas – en ze had héél lange benen. Het gipsen lokalenwandje sidderde toen de deur achter haar dichtsloeg. Ziezo. Dat lucht op.

„Saul nu zocht met de spies David aan de wand te spitten”, schoot het door Marius’ hoofd. Inderdaad, het tafereel deed bijna oudtestamentisch aan. Een associatie die wel paste bij docent Florijn. Met zijn bijna mythische reputatie leek hij zich allerlei eigenaardigheden te kunnen veroorloven. Niet elke student kon zijn ongebreideld cynisme echter waarderen. Zeker niet een aanstaande juf die, ergens tussen postpuberteit en preadolescentie, onvoldoende relativeringsvermogen had om zulk excentriek gedrag op waarde te schatten.

Even maar heerste er een stille spanning in het lokaal. Ogenschijnlijk niet van zijn stuk gebracht, vervolgde de docent z’n betoog over de Russisch-Joodse psycholoog Vygotsky.

Toch had het voorval hem niet helemaal onberoerd gelaten, zo bleek even later te midden van zijn tirade tegen het verfoeide gedachtegoed van de Zone van de Naaste Ontwikkeling. Tegen een student: „Ga jij eens even kijken waar ze uithangt…”

Donderslag

Ontmythologisering. Dat was voor Marius het enigszins ontluisterende gevoel sinds hij, nu bijna twee jaar geleden, vanuit de Zeeuwse polder zijn intrek had genomen driehoog in het jongensinternaat aan de Ronsseweg in Gouda.

De wens onderwijzer te worden was enkele jaren daarvoor als een donderslag ingeslagen. Maar zoals het een donderslag betaamt was deze inmiddels afgezwakt tot een twijfelende echo. De politieacademie in Lochem lonkte ook, maar dat leek in meerdere opzichten toch een brug te ver. En zo was Marius samen met zijn ouders, beiden strak in het zondagse pak, op een mooie junimorgen in de groene Simca naar Gouda getogen – wat nog best een onderneming was. Mr. Hage (de juristentitel deed onbedoeld vertrouwelijk aan in deze onderwijsomgeving) nam de eenvoudige boer’nmensen eens minzaam op en probeerde de laatste twijfels weg te nemen door vaderlijk te bezweren: „Hier word je mens gemaakt.”

Na het intakegesprek volgde een rondleiding door het internaat. Immers, daar zou zich de komende drie jaar een belangrijk deel van dit menswordingsproces afspelen. Op gedempte toon wees internaatsvader Meijer de verschillende vertrekken aan. Het had iets van een rondgang door een laboratorium, waarbij je achter elke deur een geheimzinnig proces vermoedde. Alleen betrof het hier geen chemische maar psychologische processen – althans naar het naïeve beeld dat Marius zich van de opleiding had gevormd.

„Ssst.” De gids klopte zacht op een deur en zette die vervolgens op een kier. Dat vergunde een blik in een driepersoons studeerslaapkamer. Drie ruggen, gestoken in geruite spencers, bogen zich over studieboeken en lesschema’s. Wat een toewijding, wat een discipline. In Engelse kostschoolsfeer werd hier een nieuwe generatie christelijke leidslieden gekweekt. Al was het woord kweekschool inmiddels vervangen door het statusverhogende ”pedagogische academie”. Voor wie de roeping tot het predikantschap te hoog gegrepen was, kwam dit er toch wel het dichtste bij. Als zone van de naaste ontwikkeling…

De wereld gaat open

De PA, dat moest het dus maar worden. En zo trok Marius op de eerste maandagochtend na de zomervakantie over de laatste Zeeuwse dijk, om er pas vrijdagsavonds achter terug te keren. Ondanks het verwachtingspatroon van een gedisciplineerd kostschoolbestaan (wat achteraf nogal bleek mee te vallen…), verschafte dit nieuwe weekritme hem een tot dan toe onbekend gevoel van vrijheid. Zijn ouders hadden besloten dat hij na de lagere school de vierjarige mavo zou volgen in het naburige dorp, ondanks het hogere studieadvies. Veiligheid en controleerbaarheid waren daarbij de leidende motieven geweest. Die keuze had ook een keerzijde gehad. De uitstekende leerprestaties –een zeven gold voor hem als onvoldoende– waren er mede oorzaak van geweest dat hij als buitenbeentje werd gezien. De vervolgstap, de ”havo-top” aan het christelijk lyceum in de provinciestad, was in dit opzicht al een verademing geweest. En nu zou Marius dan zijn persoonlijke ”big step for a man” gaan zetten.

In de vroege ochtend stopte de Opel Rekord van een bloembollenhandelaar voor het ouderlijk huis. Er zat al een drietal studenten op de achterbank, opgepikt in andere dorpen. De man genoot er zichtbaar van om zijn wekelijkse rit naar de bloemenveiling te combineren met deze gratis Driestar-pendeldienst.

Het viaduct aan het eind van het dorp was snel bereikt. Marius wierp een laatste blik over de polder. De zomer liep zowat ten einde, en de golvende gerstevelden waren geschoren tot een stoppellandschap. Een blauwe tractor trok een rode pick-up over het land, die op regelmatige afstand een strobaal uitbraakte. Verderop, aan het kruispunt van wegen, prijkte het torentje van het kapucijnenklooster. Een curieuze, roomse enclave in het grotendeels protestantse Zuid-Beveland. Het lag daar als een vooruitgeschoven post van het katholieke Noord-Brabant. En daar, in de schuin tegenoverliggende hoek van het kruispunt, lag het boerenbedoeninkje van Marius’ ouders. De langgerekte appelboomgaard, waar de ”coxen” en ”goldenliesjes” hingen te rijpen. Nee, een boer of fruitteler ging aan Marius niet verloren. Alle schoolvakanties, en alle gelegenheden daartussendoor, had hij doorgebracht met frambozen- of appelpluk, en eindeloos onkruid wieden op de uien- of bietenvelden. „Je hebt tenslotte al het hele jaar vakantie”, had z’n vader aangevoerd. Maar Marius’ hart lag er niet. „Hij weet het verschil niet eens tussen juun en petaten.” Al zat er een kern van waarheid in, zo’n smalende opmerking werkte ook al niet bevorderlijk.

Nee, Marius’ aspiraties lagen duidelijk in een andere wereld, een wereld die maar mondjesmaat openging in de besloten setting van zijn geboortegrond. Van de vorige generatie had slechts een beperkt aantal dorpsbewoners gestudeerd, al waren de dagen voorbij dat dit alleen gold voor rijke boerenzoons.

Zijn eigen ome David vormde daarvan het bewijs. Meneer Kuyt, directeur van de pas opgerichte Driestar in het nabijgelegen Krabbendijke, speurde destijds dorp en polder af naar kandidaat-meesters en -juffen. En zo was ome David hoogstpersoonlijk door Kuyt aan z’n haren uit de klei getrokken. De emancipatie van de kleine luyden, zeg maar. Wie gestudeerd had, kon rekenen op gezag.

Eens, na de warme middagmaaltijd, kwam een intrigerende vraag op vanuit de Bijbellezing. Het ging over de schepping van Eva: „En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw.” Zou dat betekenen dat een man één rib minder heeft dan een vrouw? Marius had het een wat komische veronderstelling gevonden, maar als dertienjarige snotneus „weet je daar niks van.” Dus dan maar per omgaande ome David gebeld…

Jantjie

„Ik hoop voor je dat je Hage voor cuma krijgt. En Florijn voor psychologie.” Marius schrok op uit zijn mijmeringen. De auto draaide de snelweg op die sinds een aantal jaren het Zeeuwse land had opengelegd. Rechts nog een laatste glimp van de Westerschelde. Een containerschip gleed voorbij, hoog uittorenend boven de rode daken van de huizen aan de voet van de dijk. Het hele gehucht zou makkelijk enkele keren in het gevaarte passen. Uren had Marius doorgebracht aan de vaargeul, turend naar de top van zijn werphengel. Passerende schepen uit verre landen, Rusland, China, Argentinië, op weg naar de haven van Antwerpen. Als drijvende beloftes van vrijheid en bevrijding. Nieuwe werelden, zo dichtbij en toch zo onbereikbaar. Het zou nog een half mensenleven duren voordat Marius die grote wereld zou verkennen. Gouda eerst.

„En Koppejan voor Nederlands”, klonk het opnieuw van de achterbank. „En Jantje van de Berge voor tekenen.” Merkwaardig dat laatstgenoemde, geboren en getogen in Zeeland, nog steeds met zijn voornaam werd aangeduid. Geheel in stijl als diminutief: Jantjie van den Berhe. Dat ”-tjie” had hij niet te danken aan zijn statuur, al gaf die alle aanleiding daartoe. Nee, het was een onuitroeibaar kwaad in het Zeeuwse spraakgebruik om elkaar, zo niet van scheld- en bijnamen, dan toch van verkleinnamen te voorzien. Marinus werd Merientjie, Johannes Jewannesie en Saksie stond voor Izak. Komisch genoeg liep er zelfs een ”Reusjie” rond.

Sommige bijnamen waren redelijk goedmoedig, zoals ”Dove Keessie”. Gelukkig kon hij het zelf niet horen. Andere bijnamen waren ronduit venijnig of kwetsend. Marius zelf was in dit opzicht trouwens evenmin ongeschonden uit de strijd gekomen. Hij had er als puber zwaar onder geleden.

Nee, de overstap naar Gouda was zeker geen vlucht. Maar wel een welkom perspectief.

De mythe voorbij

Het waren zogezegd mannen van name. Generaties nieuwe onderwijzers hadden aan hun voeten gezeten. Ze werden, met meer of minder succes, nagevolgd. Of nagebootst. Smeuïge verhalen werden over hen verteld. Wie ooit les van hen had gehad, genoot een zekere status. Hoog waren Marius’ verwachtingen gespannen toen hij eindelijk zelf onder hun gehoor kwam.

Maar van lieverlee kwam ook de ontnuchtering. Natuurlijk, het was vermakelijk om Koppejan het gedicht ”Poes Parmantig” te zien declameren, „op het randje, langs de dakgoot van ons huis.” Zijn hoofd met het strak achterovergekamde sluike haar kreeg er zelf iets katachtigs bij. Maar voor de nuchtere Marius had het ook iets lachwekkends. Zou hij dit toneelspelletje zelf ooit voor een klas kunnen opvoeren?

Eerlijk is eerlijk, graag bleef hij op vrijdag wachten tot de psychologieles van Florijn, ook al betekende dat een halve dag later thuis. De les vormde een zonderlinge mix van cynische grollen afgewisseld met mystieke beschouwingen over „ontzággelijke” Godservaringen. Opgegroeid in een stevig bevindelijk nest, kon het niet anders of Marius raakte er diep van onder de indruk.

Toch maakte een onuitgesproken gevoel zich van hem meester dat deze grote mannen zichzelf aan het overleven waren. De mythe voorbij. Een nieuwe generatie docenten was aangetreden. Hofman, Kole, Cammeraat. Meer kameraad dan vaderfiguur, zakelijker en tegelijk toegankelijker. Identificatiefiguren voor leerkrachten van een nieuwe tijd.

Kortjakjemoment

Zou Marius tot die nieuwe lichting onderwijzers gaan behoren? Menig student kreeg ergens tijdens de opleiding zijn (het betrof meestal meesters in spe) zogenaamd Kortjakjemoment. Het had ook Marius zo maar kunnen overkomen. Zijn eerste ‘kweekschool’ stond in een oude volksbuurt van Gouda. Eentje van het type houten lokaalvloeren en een sleetse bovenmeester. De woest bebaarde onderwijzer van klas 4 ging er prat op dat hij de militaire dienst had weten te ontlopen door zich bij de keuring als gek aan te stellen. David die zijn gelaat veranderde voor Achis, zeg maar. Net als deze had hij „zijn zever in zijn baard laten aflopen.” Het had hem een S-5 opgeleverd, de laagste score voor geestelijke stabiliteit. Blijkbaar geen bezwaar voor een aanstelling als christelijk onderwijzer. Zijn Bijbelles over Sadrach, Mesach en Abed-Nego werd, meer didactisch dan pedagogisch verantwoord, opgeleukt door het ezelsbruggetje Zandzak, Meelzak en Albert Eenoog. Bij deze klas mocht Marius de evergreen ”Altijd is Kortjakje ziek” instuderen. „En denk erom”, citeerde hij de muziekdocent van de opleiding, het is „kerk” en niet „kerruk.” Toen de pauze was aangebroken, stond de halve klas voor het raam te joelen: „Zondags gaat zij naar de kerrúk, met een boek vol zilverwerrúk.”

Maar Marius had zijn eigen variant als kantelmoment. Dat vond plaats tijdens een muziekles van De Leeuw, buiten op het gazon naast het lesgebouw. Twee emmertjes water halen, twee emmertjes… Het vervolg bleef in zijn keel steken.

Dienstplicht

„Aan de heer Marius M. Poortvliet, Ronsseweg 557, Gouda.” In typemachineletters stond het er. „De BURGEMEESTER deelt u mede, dat u voor de indelingsraad moet verschijnen om voor de dienstplicht te worden gekeurd.”

Weg meisjes op de klompen. Weg Kortjakje en de Klokken van Haarlem. Zou het soldatenpak hem beter passen?

De keuring verliep gladjes. Al was het minder genieten voor zijn jaar- en kamergenoot, die bij het bloedafnemen onderuit ging. Een kwartier later porde een legerarts de lijkbleke aspirant-soldaat in zijn rug: „Nog niet dood?”

Later nam Marius ook vrijwillig deel aan de officierskeuring in Kamp Waterloo. Want dit was inmiddels duidelijk: de basisschool zou zijn toekomst niet zijn, hoe lovend de lesbeoordelingen ook mochten zijn.

Maar toen lonkte er een ander perspectief: nieuwe scholen voor reformatorisch voortgezet onderwijs rezen als de spreekwoordelijke paddenstoelen uit de Amersfoortse bosgrond. Ook aan de Goudse Ronsseweg werden docenten geronseld. Al zou het dan geen militaire loopbaan worden, helemáál niet geschoten is altijd mis.

En het was raak. In het jaar 1977 begon Marius, samen met twee medestudenten, aan zijn loopbaan als docent voortgezet onderwijs. En ontliep zo alsnog de dienstplicht. „Wegens persoonlijke onmisbaarheid”, schreef de rector „aan de BURGEMEESTER.” Daar had hij zijn gelaat niet voor hoeven te veranderen.

En toch was Marius onmiskenbaar veranderd. Drie jaar Driestar hadden de schuchtere polderjongen gevormd tot een ambitieuze docent.

Misschien waren het toch profetische woorden geweest. Hier word je mens gemaakt.

Dit is het winnende verhaal van de verhalenwedstrijd die de Driestar uitschreef in het kader van het 75-jarig bestaan.

Juryrapport

De verhalenwedstrijd naar aanleiding van het 75-jarig jubileum van de Driestar heeft twintig inzendingen opgeleverd.

Dat aantal is niet heel groot, gelet op de vele duizenden studenten die in de afgelopen decennia onderwijs volgden aan de Driestar. Misschien is het voor veel mensen toch een drempel geweest dat gevraagd werd om een origineel en kwalitatief goed verhaal op papier te zetten, al zou je denken dat elke docent wel iets van een verhalenverteller in zich heeft.

Te vertellen valt er intussen genoeg. Het thema ”Mijn Driestar” heeft nogal wat nostalgische gevoelens bij oud-leerlingen losgemaakt. Een flink aantal inzendingen valt onder de categorie ”herinneringen”, met een soms hoog anekdotisch gehalte. Verhalen over het leven op het internaat, over het reizen naar de school, over het leven voor en na de pabo, over kunstwerken die gemaakt moesten worden, over docenten en medeleerlingen, over geestelijke bagage en aardse ballast. Samen vormen ze een mooi mozaïek van het leven op en rond de Driestar in het verleden, zelfs tot de begintijd toe. Dat is waardevol.

Slechts enkele inzenders zijn erin geslaagd om een verhaal te schrijven dat opviel vanwege de goede stijl, de originele insteek en de fraaie verwoording.

Het winnende verhaal van Kees Moerman uit Lelystad gaat over pabostudent Marius, die op de Driestar een ontwikkelingsproces doormaakt. Het is beeldend geschreven, met humor gekruid en getuigt van zelfreflectie.

”Met andere ogen” van Arja Vorstelman uit Woudenberg is een ontroerend verhaal over de niet-creatieve Luuk die een bijdrage moet leveren aan een project over de Tweede Wereldoorlog. De geschiedenis herhaalt zich op een mooie manier.

Het derde verhaal van Marion Christiaanse uit Yerseke heeft ”Een treinreis met tegenwind” als onderwerp. Vooral de symboliek maakt dit verhaal interessant. Dat gekozen is voor een raamvertelling doet wat afbreuk aan het geheel. Het was sterker geweest als de interpretatie aan de lezer was overgelaten.

De jury, Els Florijn, Janneke de Jong en Rudy Ligtenberg