Willem Jan Otten dicht zolang de bui duurt

Dichter Willem Jan Otten in zijn appartement in Amsterdam-Osdorp. beeld RD, Henk Visscher

Twaalf hoog in Amsterdam-Osdorp woont dichter Willem Jan Otten. Vanuit zijn ruime appartement schrijft hij veel: essays, romans, toneel en poëzie. Een gesprek over de pogingen dichtkunst aansprekend te maken, ”hogedrukgebieden” waarin weken achtereen gedichten ontstaan en wat de wereld zou zijn zonder poëzie.

Otten (67) formuleert bedachtzaam, laat soms secondenlange stiltes vallen, zoekt naar de juiste woorden. Zo doet hij dat ook in zijn poëzie. In januari 2018 kwam zijn achtste dichtbundel ”Genadeklap” uit. Vol gedichten die grote thema’s niet schuwen: geloofstwijfel, afscheid, de dood.

Veel mensen vinden poëzie moeilijk.

„Dat is het ook. Poëzie moet vreemd zijn. Gedichten gaan over het bestaan, en daar is iets vreemds aan. Mensen zijn geneigd om in termen van nut en productiviteit te denken en het leven te verklaren. Een gedicht gaat er vanuit dat er iets anders is dan nut of een verklaring. Poëzie bestaat bij de bereidheid van de lezer om iets niet te begrijpen. Dat niet begrijpen is voor veel mensen angstaanjagend. Maar net zo goed voor een dichter. Hij schrijft over iets dat hij zelf ook niet helemaal onder de knie heeft.”

Wat vindt u van de initiatieven om poëzie dichter bij mensen te brengen, zoals de Poëzieweek?

„Het is altijd goed om poëzie dichter bij mensen te brengen. Maar niet met de belofte: we gaan jullie iets heel begrijpelijks en aansprekend geven. Het zou mooi zijn als iedereen begreep dat het om niet-aansprekende poëzie ging. Dat we vieren dat poëzie raadselachtig is.

Poëzie is overigens niet per se duister. Een gedicht moet je een vorm van volstrekte helderheid geven. Daar mag geen woord Spaans bij zitten. En toch wordt er iets gezegd waar je niet achter komt. Heldere raadsels noemde Chris van Geel (dichter die leefde van 1917 tot 1974, MR) dat.”

Hoe ontstaat bij u een gedicht?

„Er zijn periodes, vaak eens per jaar of per twee jaar, waarin ik ontvankelijk ben voor poëzie. Ik noem dat een ”hogedrukgebied”. Dat is soms in de zomer, soms in de winter. In die tijd ontstaan gedichten. Soms is die periode heel kort: één dag, één vers. Elke ochtend ga ik zitten om poëzie te schrijven, terwijl ik dat anders niet kan. Vandaag komt het bijvoorbeeld niet in me op om een gedicht te schrijven. Op het moment dat ik poëzie aan het schrijven ben, heb ik al een eerste regel, couplet of gedachtegang. Het is nog nooit voorgekomen dat ik aan een gedicht begon en een kwartier daarvoor dacht: ik ga over dit onderwerp schrijven.”

Waardoor komt dat hogedrukgebied tot stand?

„Dat weet ik niet. Ik hoop er wel altijd op. De afgelopen tijd heb ik gewerkt aan de vertaling van essays en gedichten van de Amerikaanse dichter Christian Wiman. Ik merkte na een maand dat het vertalen van het proza en de poëzie op dezelfde manier kortsluiting veroorzaakte als het schrijven van een gedicht. Een soort verhevigde taalgevoeligheid. Een poëziebui zal vast door hersenonderzoeker Dick Swaab verklaard kunnen worden, zonder dat je er na die verklaring een jota meer van begrijpt. Ik denk dat die verhevigde taalgevoeligheid de sleutel is voor het schrijven van poëzie. Maar waarom is die taalgevoeligheid er soms, als een soort Pinksteren? Ik vind de Heilige Geest een rationelere verklaring dan Swaab.”

Hoeveel tijd zit er tussen zo’n eerste regel of gedachtegang en het uiteindelijke gedicht?

„Soms gaat het heel snel. Er ontstond eens een gedicht op een fietstocht van een kampeerterrein in Vlieland, waar ik die zomer verbleef, naar het dorp. Toen ik aankwam na 25 minuten was het gedicht af. Gelukkig had degene bij wie ik op bezoek ging, pen en papier voor me. Toen heb ik het gedicht zo opgeschreven.

Zo’n snel gedicht komt weleens voor. Maar meestal werk ik er één zitting aan, bijvoorbeeld een dag, om iets op papier te krijgen. Vaak ben ik dan ook aan andere gedichten bezig omdat ik in zo’n hogedrukgebied zit. Daarna blijf ik een paar weken aan het gedicht werken, zolang die bui duurt. En als ik er daarna niet meer aan werk, keer ik er zo nu en dan toch naar terug. Ik heb een stapel met gedichten die wel geschreven zijn, maar nog niet gepubliceerd kunnen worden. Die stapel groeit.”

In 1999 bent u toegetreden tot de Rooms-Katholieke Kerk. Gekerstend, noemt u dat zelf. Is uw poëzie na uw toetreding veranderd?

„Ik nam me voor dat er veel zou veranderen. Maar naarmate ik me de tijd voor ik rooms-katholiek was, slechter kon herinneren, veranderde er steeds minder. De vorm van mijn poëzie is niet gewijzigd, de inhoud wel. Vanaf het moment van de kerstening gaat mijn poëzie over die ommekeer. Ik zie de kerstening als een soort poëzie-ervaring.

Tegelijk kun je in poëzie het geloof niet uitleggen. Een gedicht doet geen beweringen. Als een gedicht God of Christus uitdrukt, is dat een ervaring.”

Komt u door poëzie dichter bij God?

„Nee. Ik heb geen lijntje naar God. Ik heb alleen een groot verlangen die kant uit. Voor de ontvankelijkheid voor dat verlangen bid ik. Dat ik beter verlang naar God. Toen ik nog niet geloofde, wist ik niet dat verdorring, ongeloof en twijfel zo’n groot effect op me zouden hebben. Diezelfde dorheid ervaar ik in de perioden tussen de hogedrukgebieden. Als je gaat geloven krijg je iets heerlijks, maar je krijgt ook de twijfels. Het is als een pendule: weg van God en dan weer dichter bij God.

Poëzie is voor mij niet hetzelfde als bidden. Ik kan op papier wel doen of ik me tot God richt, maar zo bid ik niet. Tegelijk heeft poëzie wel met bidden te maken. Alle poëzie richt zich op een bepaalde manier tot God, denk ik.”

In uw laatste bundel ”Genadeklap” staan opvallend veel gedichten over het einde van het leven. Speelt de dood een grote rol in uw werk?

„Natuurlijk, ja. Dat heeft het altijd gedaan. Vroeger meer als een abstract gegeven: de Dood met een hoofdletter. Nu is de dood concreter in mensen die ik mis en in de voorstelling van mijn eigen dood. Het rare van doodspoëzie is dat het vaak het meest vitale is dat je schrijft. De verzen verwijzen naar je leven. Alle poëzie gaat uiteindelijk over dood en leven. En mijn poëzie is altijd autobiografisch. Dit is het enige dat ik heb.”

Maakt dat niet enorm kwetsbaar?

„Zij die de moeite nemen om mijn gedichten te lezen, zullen me geen kwaad berokkenen.”

Wat zouden we missen als er geen poëzie bestond?

„Aan de ene kant zou het niks uitmaken. We zouden net zo rijk geworden zijn en net zo fantastisch de zeeën bezeild hebben. Aan de andere kant: alles wat het leven bijzonder, interessant en inzichtelijk maakt, zouden we missen.

Zelfs zonder geschreven gedichten zouden we voortdurend met poëzie te maken hebben. Het zit in taal. Als we het hebben over „ik ging overstag”, dan is dat al een gedichtje. Als je goed luistert, hoor je een bootje allerlei geluiden maken. We kunnen nog geen kwartier praten zonder dat er twintig heel kleine gedichten langs komen.

Dichters zijn daar op afgestemd, zoals componisten op muziek. Een wereld zonder poëzie hoeven we ons dus gelukkig niet voor te stellen.”

Willem Jan Otten

Willem Jan Otten wordt op 4 oktober 1951 geboren in Amsterdam. Hij groeit op in de Amsterdamse Rivierenbuurt en in het Noord-Hollandse Laren. Otten debuteert in 1973 als dichter met de bundel ”Een zwaluw vol zaagsel”.

Behalve dichtbundels publiceert hij essaybundels, toneelstukken, romans, journalistieke artikelen en vertalingen van Engelstalige proza en poëzie.

In 1999 treedt Otten toe tot de Rooms-Katholieke Kerk. Hij publiceert naar aanleiding daarvan ”Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie”.

Het werk van Otten valt meerdere keren in de prijzen. In 1999 ontvangt hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2014 volgt daarop de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza. Zijn dichtbundel ”Genadeklap” staat op de longlist voor de Grote Poëzieprijs 2019.

Willem Jan Otten is getrouwd met schrijfster Vonne van der Meer.

Poëzieweek

Van 31 januari tot en met 6 februari wordt in Nederland en Vlaanderen de Poëzieweek gehouden. Thema van deze week is ”Vrijheid”. Traditiegetrouw begint de week met Gedichtendag, op de laatste donderdag van januari. De Vlaamse schrijver en dichter Tom Lanoye tekende voor het Poëziegeschenk, dat de titel ”Vrij – wij?” meekreeg. Boekhandels geven het in de actieweek cadeau bij aankoop van 12,50 euro aan poëzie.