Wetenschap weet geen weg met wonderen

Titel:

”En daar was licht. Inleiding in de wereld van geloof en wetenschap”
Auteur: P. C. Oele
Uitgeverij: De Groot Goudriaan, Kampen, 2004
ISBN 90 6140 862 8
Pagina’s: 468
Prijs: € 37,90;

Titel: ”De ultieme uitdaging”
Auteur: J. Byl
Uitgeverij: De Groot Goudriaan, Kampen, 2003
ISBN 90 6140 854 7
Pagina’s: 416
Prijs: € 29,90.

Kijkdozen zijn een zeldzaamheid geworden. Zo’n schoenendoos met een of twee gaten in de korte zijkant en een deksel waarvan het grootste deel vervangen is door rood- of geelkleurig cellofaan. Op de bodem van de doos zijn zorgvuldig uitgeknipte of -geprikte en eigenhandig gekleurde figuren geplakt die samen een dierentuin, een woestijnlandschap of een ander tafereel vormen. Wetenschappers doen er goed aan hun wereldbeschouwing bij te kleuren door een blik onder het deksel te werpen.

Langs de deur ermee, voor een goed doel. Kijken kan voor een dubbeltje. Het cellofaan werpt een warme kleur in de miniwereld van de doos. Doordat de verste figuren gedeeltelijk schuilgaan achter de voorste, ontstaat diepte - de kijker vult zelf het beeld aan en ’ziet’ het verhaal erbij. Wie per gratie het deksel van de doos mag doen, krijgt een ander beeld. De dooswereld verbleekt door het felle buitenlicht. De figuren blijken met zorg achter elkaar gearrangeerd. De woestijnheuvels zijn propjes lijm met wat zand, de wolken zijn watten.

De kijkdoos demonstreert hoe iemands wereldbeeld gekleurd kan raken door de hoek waaronder hij kijkt. Wie slechts oog heeft voor het oppervlakkige, horizontale beeld, ontkomt niet aan de gloed van het cellofaan en vult met behulp van zijn hersenen het beeld aan tot een ’realiteit’. Wie ook verticaal mag kijken, verliest een illusie en wint aan werkelijkheidszin.

Al eeuwenlang deden wetenschappers verwoede pogingen de werkelijkheid zo goed mogelijk te beschrijven. Hun wereldbeeld ontwikkelde zich van een platte aarde, zoals de vierde-eeuwse kerkvader Lactantius leerde, via een aardbol die met copernicaanse regelmaat de zon omcirkelt, tot een minuscuul bolletje dat minder dan een stip is te midden van melkwegstelsels op honderden miljoenen lichtjaren afstand van elkaar.

Aristoteles meende in de vierde eeuw voor Christus dat de aarde opgebouwd was uit vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Aan de hand van Hubble-foto’s, radiotelescopen en deeltjesversnellers bestuderen wetenschappers de achterkant van de kijkdoos, de randen van het heelal, om het ontstaan ervan te begrijpen.

Oerknal
Het leven op aarde degradeert daarmee tot een nawee van de oerknal, 15 miljard jaar geleden. Twee Nederlandse fysici ontvingen vijf jaar geleden de Nobelprijs voor natuurkunde voor het Standaardmodel, een soort theorie-van-alles. Een van hen, de Utrechtse hoogleraar prof. dr. Gerard ’t Hooft, zei daarover: „Wij hebben ontdekt dat de hele natuur volgens logische wetten in elkaar zit en niet volgens mirakels.” Door deze blikverruiming weten ’t Hooft en zijn medewetenschappers geen weg met wonderen.

Dr. P. C. Oele legt daar de vinger bij in zijn dit voorjaar verschenen boek: ”En daar was licht. Inleiding in de wereld van geloof en wetenschap”. Het boek is ontstaan uit lessen die de auteur jarenlang aan leerlingen van 5-vwo heeft gegeven. In het eerste deel, vijftien hoofdstukken, geeft de scheikundige en filosoof Oele een uitgebreid overzicht van de wetenschappelijke denkbeelden van de laatste dertig eeuwen: van de Babyloniërs tot de huidige biotechnologen, van Daniël via Descartes tot Darwin.

In het tweede deel van het boek, vier hoofdstukken, gaat Oele kritisch in op de methode die de natuurwetenschap gebruikt om modellen en theorieën op te stellen. „Wanneer de mens de natuur onderzoekt, moet hij zich wel afvragen of hij niet aan een echoput staat die alleen dat teruggeeft, wat men zelf eerst geformuleerd heeft.”

De wereldbeschouwing van de onderzoeker -zeg maar de hoek waaronder hij in de kijkdoos blikt- is van belang voor de theorievorming. Op grond van dezelfde waarnemingen aan fossielen en aardlagen komen wetenschappers tot totaal verschillende theorieën over het ontstaan van het leven. De auteur concludeert dat het natuurwetenschappelijk wereldbeeld slechts een deel van de werkelijkheid beschrijft. Dat is het gevolg van de keuze voor een methode om de wetenschap te beoefenen: door zich alleen te richten op het meetbare. Of, zoals Oele de biofysicus prof. dr. C. Dekker citeert: „God is sinds de Verlichting in de wetenschap taboe verklaard, je moet je daarin beperken tot fysische parameters. En vervolgens hebben we verklaard dat de werkelijkheid daartoe beperkt is.”

De rest van het boek, zes hoofdstukken, behandelen de controverse tussen het scheppingsgeloof en de evolutietheorie. Hij hekelt daarbij de experimenten die moeten aantonen dat leven spontaan kan ontstaan zonder voorafgaande ordening of organisatie. Het evolutiemodel is bepaald geen gegeven, maar iets waarvoor meer geloof nodig is dan voor de schepping.

Het boek van Oele zal qua niveau wel wat inspanning vragen voor leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo. De structuur van het boek is, mede door de driedeling, niet direct duidelijk. Het is zo’n euvel waaraan ook sommige reisgidsen lijden: de diepgang maakt ze onpraktisch.

De beschrijving die Oele geeft, is bepaald niet oppervlakkig. Bij een compendium als dit zijn de gemaakte keuzes altijd voor discussie vatbaar. De nadruk in het boek ligt op de natuur- en scheikunde en minder op de biologie. Enkele moderne toepassingen van de wetenschap, zoals nanotechnologie, kloneren, robotica en kunstmatige intelligentie, komen niet aan de orde. Dat hoeft niet zo’n probleem te zijn, omdat de vragen die deze toepassingen stellen ook te beantwoorden zijn met de stof die Oele elders aanreikt. De toegankelijkheid van het boek zou wel verbeterd zijn als de auteur af en toe dit soort zijpaden was ingeslagen. Meer illustraties en schema’s hadden daar ook aan bijgedragen.

Op enkele plaatsen vertoont het boek slordigheden. De ramp in Seveso -niet in 1975 maar een jaar later- was niet het gevolg van de productie van DNA maar van dioxine en zegt dus niets over de gevaren van genetische manipulatie. Over leven op Mars is het laatste woord nog niet gezegd. Oele gaat ook wat gemakkelijk om met het probleem van de schijnbare ouderdom van de aarde.

Uitdaging
Na lezen van het boek kan de vraag overblijven waarom Oele zo nadrukkelijk de voorkeur geeft aan het theïstische wereldbeeld boven het natuurwetenschappelijke. Een christen zal die keuze onmiddellijk met hem delen, maar het is de vraag of een atheïst zich door Oele laat overtuigen. Dat onderdeel van de discussie over de verhouding van wetenschap en geloof is verder uitgediept in het boek van dr. J. Byl, hoogleraar wiskunde aan de Trinity Western University in het Canadese Langley. Het boek van Byl, ”De ultieme uitdaging”, is daarmee een prima aanvulling op dat van Oele.

De titel van het boek verwijst naar de uitdagende mens die de God van de Bijbel wil onttronen en vervangen door eigengemaakte goden, en tegelijkertijd naar de uitdaging van God aan de zondige mens, bijvoorbeeld tegen Job: „Gord nu als een man uw lendenen, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde?” (Job 38).

De rode draad in het boek van Byl is de wisselwerking tussen drie werelden: die van de materie, van de geest en van het getal. „In welke verhouding staat de objectieve natuurkundige wereld van een bloem, een bruid en een ring tot onze subjectieve innerlijke ervaring van schoonheid, vreugde en hoop?” Moderne wetenschappers, zoals Francis Crick, de ontdekker van de DNA-structuur, verklaren vreugde en verdriet, bewustzijn en vrije wil als het gedrag van een groot aantal zenuwcellen in de hersenen.

Ook Byl benadrukt het belang van de vooronderstellingen in het wereldbeeld van de wetenschapper. „De bril bepaalt de kleuren en de scherpte van wat we zien. Toch zien we gewoonlijk één ding niet door de bril van onze wereldbeschouwing, en dat is de bril zelf.”

Byl stelt een reeks criteria op waaraan hij wil toetsen of een wereldbeschouwing zinvol en verdedigbaar is. Daarmee gaat hij een van de meest gangbare visies te lijf: het naturalisme. Die wereldbeschouwing wil elk aspect van het leven, zelfs de godsdienst, verklaren in natuurkundige termen. „Men beweert dat de natuur door zichzelf bestaat en alle zin en elk doel aan zichzelf ontleent. De natuur heeft buiten zichzelf niets nodig om zich te verklaren.” De mens is daarin slechts een ingewikkelde machine, God is overbodig, de geschiedenis heeft geen doel en er zijn geen absolute normen.

Byl daagt in zijn boek deze naturalisten uit om een lange reeks lastige raadsels op te lossen. Waarom bestaat het universum? Waarom is er orde en uniformiteit in de natuur? Spiraalvormige melkwegstelsels en orkanen, patronen in ijskristallen en in zonnebloemen - waar komt die regelmaat vandaan?

Ook toevallige gebeurtenissen zoals die voorkomen in kwantumcomputers stellen naturalisten voor een raadsel. Waarom kunnen nucleaire krachten en de zwaartekracht andere voorwerpen op afstand beïnvloeden, zelfs zodanig dat planeten zich in een keurige baan om de zon bewegen? Hoe kon het verbazingwekkend complexe leven ontstaan zonder een Ontwerper? Hoe kon uit al die materie een geest ontstaan die een bewustzijn heeft en die gedachten op een logische en rationele manier aan elkaar kan verbinden?

„Het verwerpen van God heeft schrikwekkende consequenties”, concludeert Byl. Ook andere levensbeschouwelijke stromingen, zoals het postmodernisme (er is geen objectieve kennis mogelijk), het panpsychisme (alles materie is bezield) en het scepticisme (de menselijke geest bestaat slechts uit een reeks waarnemingen, zonder een spoor van intellectualiteit) kunnen deze raadsels niet bevredigend beantwoorden. Het atheïsme, zegt Byl, is in feite hoogmoed van een koppig schepsel dat zichzelf boven de Schepper plaatst en daaraan slechts door de bijzondere tussenkomst van de Heilige Geest ootmoedig onderworpen kan worden.

Indrukwekkend en overtuigend is de wijze waarop Byl vervolgens het deksel van de kijkdoos tilt en een ander licht op de werkelijkheid laat vallen. Bij het systematisch uiteenzetten van de christelijke wereldbeschouwing gaat hij moeilijke vraagstukken als de soevereiniteit van God, wonderen, de uitverkiezing, de zondeval, de vrije wil, de eigen verantwoordelijkheid, de onsterfelijke ziel en wiskundige toevalligheden en logica niet uit de weg. Op deze vragen blijft de naturalist het antwoord schuldig. Een tijdgenoot van Darwin, de anglicaanse bisschop J. C. Ryle, verwoordde dat zo: „Zet een heidense filosoof bij een open graf en stel hem een vraag over de toekomende wereld, en hij zal u niets kunnen zeggen dat zeker is, niets dat bevredigend is of hoop geeft.”