Welvarend Nederland opengelegd

In de jaren vijftig besteedden mensen meer tijd aan het lezen van boeken dan tegenwoordig. beeld uit ”Het goede leven” (foto Janneke Pillen-Dorst)
6

„Hoe genoeglijk rolt het leven des gerusten landmans heen”, schreef de boer/dichter Huibert Korneliszoon Poot (1689-1733). Die tijd is allang vervlogen. Naar vroeger tijden wordt in de hectiek van vandaag echter vaak terugverlangd, in ieder geval teruggekeken.

Regelmatig verschijnen boeken die het leven van niet eens zo heel lang geleden in kaart brengen, in een tijd dat alles nog overzichtelijker, soberder, eenvoudiger was. ”Pure nostalgie” heet daarom een boek van GT Rovers, schrijfster van columns voor TrosKompas. Ze blikt daarin terug op ”de tijd van toen”, tussen de jaren dertig en zeventig van de vorige eeuw.

Bekende en minder bekende thema’s komen langs. Uit de jaren 30-40: de turfsteker, balkenbrij, de kinderboekenschrijver W. G. van de Hulst, nylonkousen, ”brood op de bon”, eerste snelweg, ”sijsjes vangen met lijm”, ”maandag wasdag”. Uit de jaren 50-60: Pleegzuster Bloedwijn, de leedaanzegger, de solex, de nozems, de vrije zaterdag, ”van ijsdrager tot koelkast”, voorjaarsschoonmaak, Swiebertje. Uit de jaren 70: de moedermavo, de SRV-wagen, autoloze zondagen. Ik doe maar een greep uit het bonte geheel, dat voorzien is van veel sprekende afbeeldingen.

”De eerste Heilige Communie” laat zien wat de religieuze positie van de schrijfster is. Die blijkt ook uit de column ”Trouwen in het wit”. De bruiden in Nederland trouwden pas vanaf 1920 in het wit, schrijft ze, en voegt toe dat er vanaf die tijd het kaartje ”maagdelijk wit” aan werd gehangen. Was de bruid geen maagd meer of zelfs zwanger, dan moest ze voor het oog van de hele kerkelijke gemeente „beschaamd in een gekleurde trouwjurk naar het altaar schrijden.”

Behalve dit puur nostalgisch getoonzette boek verscheen een boek van een econoom, tevens journalist, te weten Annegreet van Bergen. Zij schreef eerder het boek ”Gouden jaren”, over hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar veranderd is. Het kreeg (NB!) 37 herdrukken. Nu verscheen een vervolg. Daarin fascineert haar de vraag hoe Nederland in een halve eeuw steeds welvarender werd.

Van Bergen heeft haar boek gegroepeerd rondom vijf centrale thema’s: 1. Hoe werd de gesloten wereld uit de jaren vijftig langzaam maar zeker opengebroken? 2. Hoe kon de spreekwoordelijke schaarste uit de jaren vijftig in haar tegendeel omslaan? 3. Hoe ziekten sneller werden genezen of konden verdwijnen door wetenschappelijk onderzoek. 4. Hoe de welvaartsstaat de naoorlogse ongelijkheid voor een belangrijk deel ongedaan heeft gemaakt en 5. Hoe we nu veel dingen heel gewoon vinden waarvan de mensen in de jaren vijftig alleen maar konden dromen.

Aanrecht

Ook hier doe ik maar een greep, nu van subthema’s binnen de hoofdthema’s: ”Met brommer en auto steeds verder van huis”. ”Afscheid van de buurtwinkel”. ”Tijdens vakantie zwaaien naar landgenoten”. ”Televisie: thuis de moord op Kennedy zien”. ”Made in Japan en andere verre landen”. ”Jaren sparen voor een uitzet”. ”Weinig en vooral kort telefoneren”. ”Kamers stonden blauw van de rook”. ”Tanden poetsen? Dat deden alleen deftige mensen”. ”Vrouwen aan het aanrecht”. ”Veilig kraanwater in elk huis”. ”Comfortabel wonen en elke dag onder de douche”.

Dit boek is echter meer dan een opsomming van feiten. Het bevat vooral ook de ervaringen van mensen, ook van de schrijfster zelf, bij al deze veranderingen in het leefpatroon, geplaatst in hun maatschappelijke contekst.

Zondag

Voor een goed verstaan: de schrijfster zelf, ooit journalist bij de Volkskrant, geeft eveneens bloot uit welk nest ze komt. Dat blijkt uit het hoofdstuk ”De ooit zo saaie zondag”. „Voor het ongelovige gezin Van Bergen was de zondag een vrije dag…” De ervaringen van Maarten ’t Hart met betrekking tot de zondag komen uitgebreid aan bod. Ook hoe jeugdige kerkgangers de zondag saai vonden. En hoe PvdA-coryfee Hans van den Doel een zondagse protestduik nam in het zwembad van ’t Harde (1970).

Geen enkele positieve zondagsbeleving van kerkgangers komt uit de pen van Van Bergen. Na beschrijving van de grote verschuiving die zich ten aanzien van de zondagsrust heeft voltrokken, sluit de schrijfster echter wel af met de opmerking dat een rustdag „een groot gemeenschappelijk goed” is. Ondanks de ontkerkelijking en de opkomst van de 24 uurseconomie blijft „vooral binnen de gezinnen” de behoefte aan een gemeenschappelijk rustpunt bestaan. Waarvan akte!

Bij ”Kopen bij de eigen zuil” maakt de schrijfster even een uitglijder als ze zegt dat jongens „van katholieke en christelijke” scholen met elkaar op de vuist gingen. Of ze moet de rooms-katholieken niet als christelijk beschouwen. Intussen wordt ook vermeld dat de pastoor in Oostburg de lange broek voor meisjes op de rooms-katholieke lagere school wilde verbieden. Maar ook hoe Marjolein (1949) uit Strijen naar een gereformeerde mulo in Dordrecht toog, waar ze haar lange broek moest vervangen door een daar gereed hangende „terlenkaplooirok.” De gereformeerde mulo wordt niet nader aangeduid.

Maar verder zijn de verhalen herkenbaar, bijvoorbeeld in de paragraaf ”Spelen zonder speelgoed”, met betrekking tot kindervermaak vroeger, zoals kikkervisjes vangen en kentekens noteren en punniken. De lezer wordt ook herinnerd aan inwoning, dat wil zeggen van ouders bij kinderen of pas getrouwde stellen bij hun ouders. Nu nauwelijks meer voor te stellen.

Tuberculose

Mij sprak in het bijzonder het hoofdstuk ”Vanwege tuberculose jaren in een sanatorium” aan. Dit vanwege eigen ervaring. In het gezin van mijn vrouw werden vier gezinsleden, onder wie mijn vrouw, met tbc besmet. Zij verbleef anderhalf jaar in een sanatorium. Vroeger puilden de sanatoria uit, zegt de schrijfster. Er zijn ook mensen aan de ziekte gestorven. Maar door ontwikkelingen op medisch gebied konden de sanatoria een voor een hun deuren sluiten.

Ik lichtte maar een tipje van de sluier op van dit boek vol verschuivingen in gewoonten, ontspanning, cultuur, leefstijl en woon-werkomstandigheden. Maar nu de titel nog van het boek: ”Het goede leven”.

Van Bergen neemt in een slothoofdstuk de veranderingen nog even onder de loep. In korte tijd werden Nederlanders vier keer zo rijk, maar werden ze ook vier keer zo gelukkig? Geluk is niet te meten. Ze constateert dat de economische groei een wegwerpmaatschappij heeft gecreëerd. „Maar wij danken ook vrede, vrijheid, (vrouwen)emancipatie en goede huisvesting aan de toegenomen rijkdom.”

Het boek ademt als geheel een sfeer van dankbaarheid en opluchting over de verworvenheden in de laatste vijftig jaar. En dat is gedeeltelijk terecht. Wie zal ontkennen dat de douche aangenamer is dan de teil?! En wie zou niet dankbaar zijn voor de toegenomen kennis op het gebied van de medische wetenschap? Maar moeten we ook dankbaar zijn voor de niet meer bij te houden technologische ontwikkelingen? Worden die niet als een moloch? Mag het ook een keer genoeg zijn? Ooit schreef Bob Goudzwaard over ”de economie van het genoeg”.

Doemdenken

De schrijfster laat ook het ”doemdenken” niet ongenoemd. Vandaag hebben mensen andere zorgen dan vroeger met betrekking tot de toekomst. En verder: ”Nog steeds arme mensen” kopt een paragraafje. De armoede is anders dan vroeger. Nu bezitten ook de armen de apparaten die het leven veraangenamen. Maar, ik citeer Van Bergen: „dat laat onverlet dat het akelig is om de minste te zijn. Dat was in de jaren vijftig zo, dat is nu nog steeds zo en dat zal wel altijd zo blijven.”

Het boek sluit af met de zin dat het je veel gelukkiger maakt „je te verwonderen over al onze verworvenheden dan om die als vanzelfsprekend te beschouwen.” Dit laatste valt te beamen, ware het niet dat het boek het aangrijpende van de ontkerstening onbenoemd laat. Symptomen ervan worden feitelijk neergezet. Maar de schrijfster vraagt zich niet af hoe die zich verhouden tot wat zij tot het goede leven rekent.

”Pure nostalgie”, GT Rovers; uitg. Karakter Uitgevers; 149 blz.; € 17,99;

”Het goede leven. Hoe Nederland in een halve eeuw steeds welvarender werd”, Annegreet van Bergen; uitg. Atlas Contact; 359 blz.; € 19,99.