Vlees onder vuur

beeld iStock
3

Het eten van vlees is verdacht geworden. Als we antropoloog Roanne van Voorst mogen geloven luidt de vlees- en zuivelindustrie binnen afzienbare tijd het einde der tijden in – in elk geval voor de mens.

Dat het eten van vlees onder vuur is komen te liggen heeft te maken met een aantal ontwikkelingen die op dit moment in één brandpunt samenkomen.

Sinds mensenheugenis is het consumeren van dieren en dierlijke producten volstrekt normaal geweest, het was zelfs noodzakelijk om te kunnen overleven. In Genesis 9 geeft God Noach expliciet de beschikking over alle dieren: „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.” Maar de tijden zijn blijkbaar veranderd.

Bevolkingsexplosie

Halverwege de negentiende eeuw nam de wereldbevolking explosief toe. In 1800 waren er nog geen miljard mensen op aarde; nu zijn dat er 7,7 miljard. Om al die monden te voeden was een intensievere landbouw en veeteelt nodig.

Beter rendement

Technologische ontwikkelingen en uitvindingen zorgden voor een steeds beter rendement in de voedselproductie. Lag rond 1910 de jaarlijkse melkgift van een Nederlandse koe nog maar net boven de 2500 liter, inmiddels geeft een melkkoe al bijna negenduizend liter melk per jaar. Door verder te fokken met dieren die de juiste eigenschappen hadden kon de vleesproductie sterk toenemen. Toepassing van antibiotica en andere medicijnen zorgde ervoor dat de dieren bestand bleven tegen allerlei ziekten.

Hogere welvaart

Met name in de tweede helft van de twintigste eeuw nam de welvaart in Europa en Amerika sterk toe. Vlees werd van een luxe product en vast onderdeel van elke warme maaltijd. Opkomende economieën als die van China, India en Indonesië stuwden de vraag naar vleesproducten verder op.

Bio-industrie

In Amerika werd in de jaren twintig het ei gelegd voor de bio-industrie of vee-industrie, een systeem om zo efficiënt mogelijk dierlijke producten op de markt te brengen. De Amerikaanse kippenhoudster Steeles uit Maryland bestelde begin jaren twintig vijftig kuikens om wat bij te verdienen aan de verkoop van eieren. Ze kreeg er per ongeluk vijfhonderd geleverd, maar besloot ze toch allemaal te houden. Toen de kippen één kilo wogen slachtte ze de dieren en verkocht het vlees voor 62 dollarcent per pond. Dat leverde haar meer op dan de verkoop van eieren. Het succes van Steeles onderneming bleek besmettelijk: overal in de regio ontstonden vergelijkbare kippenfarms.

In Nederland zorgde de Tweede Wereldoorlog voor voedselschaarste. Daarom moest Sicco Mansholt, die in 1945 minister van Landbouw werd, de voedselvoorziening op orde brengen. Naar Amerikaans voorbeeld werden maatregelen doorgevoerd om de voedselproductie te verhogen. De voedsel- en vleesproductie werd geïndustrialiseerd. Door ruilverkaveling en specialisatie ontstonden er bedrijven die efficiënter voedsel en veevoer konden produceren. Ook in de melkveehouderij werd sterk gemechaniseerd en geautomatiseerd.

Anoniem vlees

Vanwege de massaproductie is vlees in veel gevallen ‘anoniem’ geworden. Aan hamburgers, varkensblokjes of voorverpakte kipfilet is niet meer te zien dat we koe, varken of kip eten. Ook het slachtproces zelf onttrekt zich aan de waarneming van de consument.

Menselijke dieren

De kijk op het dier veranderde in de negentiende eeuw. Gestimuleerd door de evolutietheorie vervaagden de grens tussen mens en dier meer en meer. Dieren kregen allerlei menselijke emoties en karaktertrekken toegeschreven: ze kunnen depressief en eenzaam zijn, ze zijn intelligent en sociaal, ze hebben tijdsbesef en kunnen zichzelf herkennen. We hechten ons sterker dan ooit aan onze huisdieren. We kunnen ons bijna niet meer voorstellen dat we met Kerst konijn Flappie van dochterlief zouden verorberen. „De mens is zelf ook een dier, punt uit”, schrijft antropoloog Roanne van Voorst in ”Ooit aten we dieren”. Het nuttigen van een gehaktbal is dan al gauw een vorm van kannibalisme. (Klein aandachtspunt: ‘andere’ dieren eten wél dieren.)

Dierenleed

In het verlengde hiervan neemt de aandacht voor het voorkómen van dierenleed toe. In Nederland werd op 25 augustus 1864 de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren (kortweg: Dierenbescherming) opgericht, vooral met het oog op het welzijn van huisdieren. Tegenwoordig heeft de Dierenbescherming een achterban van ongeveer 180.000 mensen. Groeperingen als Wakker Dier en Varkens in Nood keren zich tegen de bio-industrie. Stichting Dierproefvrij wil alle vormen van dierproeven uitbannen. Er is ook sprake van radicalisering. Dierenactivisten van het internationaal opererende Meat the Victims zorgden eerder dit jaar voor grote onrust in ons land toen een varkenshouderij in Boxtel werd bezet.

Klimaat

In de discussie over klimaat, milieuproblemen en opwarming van de aarde is de agrarische sector in het verdachtenbankje beland. Koeien stoten stikstof uit en als dat in kwetsbare natuurgebieden neerdwarrelt levert dat problemen op voor de biodiversiteit in die gebieden. D66 heeft daarom gepleit voor halvering van de veestapel in ons land. De pluimveesector stoot veel fijnstof uit – Barneveld staat op de fijnstofkaart in het rijtje met Hoogovens en Tweede Maasvlakte. Deze uitstoot kan zorgen voor gezondheidsproblemen bij medewerkers van de kippenstallen en bij omwonenden.

Gezondheid

De sterk toegenomen aandacht voor een gezonde levensstijl heeft een remmende invloed op de consumptie van vlees en van zuivelproducten. „Het eten van te veel vlees brengt risico’s voor de gezondheid met zich mee. Rood en met name bewerkt vlees zoals vleeswaren worden in verband gebracht met beroerte, diabetes type 2 en kanker”, aldus het Voedingscentrum. Varkensvlees is ongezonder dan kippenvlees of rund. De Bijbelse spijswetten zijn wat dat betreft nog steeds heilzaam. Peulvruchten (bijvoorbeeld ongezouten pinda’s) en noten scoren hoog als gezonde vleesvervangers.

Vleesvervangers

Vegetariërs en veganisten zaten lange tijd in de hoek van hippies en geitenwollensokkendragers. Wat zij aten was doorgaans niet bijzonder appetijtelijk en bepaald gezond zagen ze er vaak ook niet uit. Daar is wel verandering in gekomen. Vlees- en visloos eten is hip en vegetarische gerechten zijn tegenwoordig prima te eten. Er valt ook genoeg te variëren. Vegan kookboeken zijn niet aan te slepen. Zelfs de Britse chef-kok Jamie Oliver, die toch niet vies is van een stukje vlees, publiceerde onlangs een boek met 116 ”easy groentegerechten”: ”Veg”. Restauranthouders die geen klandizie willen mislopen, doen er verstandig aan ook menu’s zonder vlees en vis aan te bieden.

Weerbarstige praktijk

Toch is het vleesverbruik in Nederland vorig jaar –voor het eerst in negen jaar– weer gestegen, meldde de dierenrechtenorganisatie Wakker Dier vorige week op basis van onderzoek van Wageningen Economic Research. Gemiddeld verbruikten Nederlanders 77,2 kilo vlees per persoon. In 2016 en 2017 was het 76,6 kilo. Alles wordt in deze verbruikscijfers meegeteld, ook botten. „Minder vlees eten lijkt populair, maar de werkelijkheid is kennelijk weerbarstiger”, constateert Wakker Dier. De stijging staat haaks op de foodtrends van de laatste jaren. Vegetarisch, vegan, flexitarisme ofwel vleesminderen: plantaardig eten won terrein. Waar in het verleden amper één vegetarische optie op de menukaart stond, zien we er tegenwoordig vele. Onduidelijk is waar de stijging vandaan komt. „Omdat de supermarkten minder vlees verkopen, lijkt het erop dat meer mensen vlees buiten de deur eten. Aangezien de horeca-uitgaven sterk zijn gestegen, is het aannemelijk dat dit een rol speelt”, aldus Wakker Dier.

Nieuwe religie

De discussie over het eten van vlees heeft een bijna religieuze lading gekregen. Roanne van Voorst schetst in ”Ooit aten we dieren” slechts twee wegen: óf stoppen met vlees eten en het paradijs op aarde vestigen óf de ondergang van de planeet bewerkstelligen. Een derde weg is er niet. En het moet nu, meteen, heden. „Niet per 1 januari, als we weer eens toe zijn aan goede voornemens, niet over vijf jaar als de kinderen het huis uit zijn (...). Nee, vandaag.” Iemand die besluit veganist te worden maakt volgens Van Voorst een „emotionele transformatie” door. „Voorafgaand aan dat besluit maken veel veganisten een persoonlijke crisis door.” En als ‘gelovige’ veganist voel je je alleen in een ‘heidense’ wereld: „De veganist ziet zijn partner, familie en vrienden (...) deelnemen aan dingen waarvan hij overtuigd is dat ze immoreel zijn.”

De discussie krijgt op die manier wettische en willekeurige trekken. Wie, zoals Van Voorst, het eten van vleesproducten principieel afwijst, simpelweg omdat we als mensen niet het recht hebben dieren voor ons eigen nut te gebruiken, introduceert een nieuw gebod: Gij zult geen vlees eten. Eigenlijk doet het er niet toe of vlees eten slecht voor het klimaat is of voor onze gezondheid, het mag principieel niet.

Op andere punten is vervolgens (naar eigen inzicht) rekkelijkheid toegestaan. Van Voorst vliegt de wereld rond om antropologisch onderzoek te doen in Indonesië of klimaatonderzoek op Groenland en ze schreef haar boek „in ons appartement in de Verenigde Staten”.

De Amerikaanse schrijver Jonathan Foer (overigens geen principiële tegenstander van het eten van vlees) roept in ”Het klimaat en wij” op om onze vleesconsumptie te verminderen om de aarde te redden. Vliegen is ook niet best, geeft hij toe, maar „voor mijn boek kon het niet anders”, zegt hij in een interview met het Nederlands Dagblad. „Maar dat is het ook waard.” Zo verheffen we onszelf tot norm, terwijl we anderen de maat nemen.

In navolging van Van Voorsts kruistocht zouden allerlei nieuwe geboden geïntroduceerd kunnen worden: Gij zult niet vliegen (we kunnen prima zonder). Of: Gij zult geen Formule-1-wedstrijden houden (we zijn beter af zonder). Winkelsluiting op zondag levert ook flinke milieuwinst op (wel zo rustig ook). En wat te denken van het aloude gebod om niet te doden, ook als het om ongeboren leven gaat? Wie ”Ooit aten we dieren” leest, kan talloze argumenten die Van der Voorst aanhaalt om het eten van vlees te verbieden, zomaar toepassen op het beschermen van ongeboren menselijk leven. Met de antiabortusfilm ”Silent scream” (1984) is bijvoorbeeld aangetoond dat foetussen al in een vroeg stadium pijn en zelfs angst ervaren, precies zoals Van Voorst dit bij dieren (tot fruitvliegjes toe) waarneemt. Deze film wordt door veel mensen als onethisch en zelfs als weerzinwekkend beschouwd. Filmpjes die dierenrechtenactivisten van praktijken in de bio-industrie maken, zijn echter juist goed omdat we niet mogelijk wegkijken van de „massamoord” op onschuldige dieren.

Mensen als Van Voorst maken het vleeseters gemakkelijk om de argumenten die er wél toe doen, onder het tapijt te vegen. En dat is spijtig.

Voor een christen zijn een paar dingen heel belangrijk. God heeft de mens de aarde in bruikleen gegeven. Het vruchtgebruik is voor hem, ook over de dieren mag hij naar eigen inzicht beschikken. Het boerenbedrijf is geen criminele organisatie. Maar hij zal verantwoord omgaan met die vrijheid. De zorg voor het milieu gaat hem ter harte, dierenwelzijn staat hoog op zijn agenda en hij zal zuinig zijn op zijn gezondheid.

Daarbij kijkt hij kritisch naar de bio-industrie, maar zal hij vooral het eigen consumptiegedrag onder de loep nemen. Paulus schrijft aan Timotheüs: „Als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn.”

Als het gaat om onze materialisme levensstijl moeten we in eigen vlees durven snijden. En wat is er nou helemaal op tegen om wat minder kiloknallers tot ons te nemen (en minder te vliegen, en minder plastic gebruiken, en minder....)? We kunnen toch ook de auto een dagje laten staan? Niemand die daar slechter van wordt.

Het klimaat zijn wij, Jonathan Safran Foer; uitg. Ambo|Anthos; € 21,99;

Ooit aten we dieren, Roanne van Voorst; uitg. Podium; € 20,50