Verzedelijken in de strafkolonie

2

Het was zo’n mooi idee. Armoedzaaiers ”beschaven en verheffen” door hen landarbeid te laten verrichten. De praktijk was weerbarstiger. Naast de vrije kolonies moest de Maatschappij van Weldadigheid een strafkolonie stichten, om door tucht en ”verzedelijken” het gewenste doel te bereiken. En ook dat viel niet mee.

Het jongste boek van Wil Schackmann verscheen op het juiste moment: 200 jaar nadat de Maatschappij van Weldadigheid de eerste kolonie van weldadigheid oprichtte. Frederiksoord was een soort proeftuin waar de ideeën van Johannes van den Bosch konden worden getest. Schackmann beschreef het project in zijn boek ”De proefkolonie” (2006), dat elf keer werd herdrukt. In 2016 volgde ”De bedelaarskolonie”, over de Ommerschans, „het eerste landelijk gesticht voor luilevende armen.” ”De kinderkolonie” (2016) geeft een beeld van de opvang van wezen in Veenhuizen. Met ”De strafkolonie” rondde Schackmann zijn fascinerende serie af.

De Maatschappij van Weldadigheid wordt in 1818 opgericht door generaal Johannes van den Bosch, door Schackmann getypeerd als „één bonk daadkracht.” De gedreven militair wil iets doen aan de massale armoede in Nederland. Paupers dienen de kans te krijgen om zich op te werken door landarbeid op de woeste gronden van Drenthe. Onder goede leiding. Dat zal hen niet alleen financieel maar ook moreel verheffen. Hun kinderen moeten vanaf hun zesde jaar verplicht naar school.

Na Fredriksoord verrijzen de koloniën Willemsoord en Wilhelminaoord. Door het hele land ontstaan er plaatselijke subcommissies van weldadigheid die het project financieel ondersteunen. Op termijn kunnen de koloniën zichzelf bedruipen, profeteert Van den Bosch, maar zo ver zal het nooit komen. De inkomsten van de boerderijtjes en de industriële nijverheid binnen de koloniën wegen bij lange na niet op tegen de kosten.

Nationale kweekschool

Het hoofdkantoor van de Maatschappij van Weldadigheid is gevestigd in Den Haag. Daar zetelt ook de driekoppige permanente commissie, in hedendaagse termen het dagelijks bestuur, onder leiding van Johannes van den Bosch. De maatschappij typeert de gestichte koloniën als „een nationale kweekschool ter vorming van kundige, brave, gelukkige en nuttige burgers.”

Van den Bosch wil de „verbasterde armen” verheffen door positieve stimulatie, maar een deel blijkt daar niet erg ontvankelijk voor. De maatschappij ontkomt niet aan tuchtoefening. Daarvoor wordt in 1825 een ”raad van policie en tucht voor de gewone koloniën” opgericht. Op zaterdag 8 oktober van dat jaar komt de raad voor het eerst bijeen om een aantal aangeklaagden te horen en recht te spreken. Een van de gedaagden is de 34 jaar oude weduwe Willempje van der Dooze, moeder van vier dochters. Ze is zwanger van een 24-jarige jongeman die bij het gezinnetje is ingedeeld „ter volmaking van het huisgezin.” Die opdracht heeft hij zeer letterlijk opgevat.

Willempje, haar vier dochters en de ingedeelde worden veroordeeld tot een verblijf voor onbepaalde tijd in de strafkolonie. Die is ondergebracht in de Ommerschans, die primair dienstdoet als onvrije kolonie voor bedelaars. Twee dagen na de zitting worden de veroordeelden op een kar naar de voormalige vesting gebracht. De ingedeelde loopt na een halfjaar weg, Willempje zal er dertien jaar verblijven. Mede omdat ze in de strafkolonie opnieuw zwanger raakt, nu van de tot veldwachter opgeklommen bedelaar Christiaan Willem Harbrecht.

Vijf jaar na de geboorte van hun zoon Willem treden ze alsnog in het huwelijk. Daarvoor verleent de permanente commissie na aanvankelijk tegenspartelen toestemming, maar hun wens om zich te vestigen in een vrije kolonie wordt niet ingewilligd. Ze betrekken als zogeheten arbeidersgezin woning 101 van het derde gesticht in Veenhuizen.

Misdaden

De raad van policie en tucht bestaat uit zes personen. Drie ambtenaren en drie kolonisten: een uit Frederiksoord, een uit Wilhelminaoord en een uit Willemsoord. Ook daarin toont de in veel opzichten autocratische Van den Bosch zijn democratische gezindheid. De ”gemeensmannen” worden voor een jaar aangesteld. Dan nemen andere kolonisten hun plaats in, opnieuw voor een jaar. De ambtenaren hebben zitting voor onbepaalde tijd.

De misdaden waarvoor de raad zich geplaatst ziet, zijn doorgaans van dezelfde soort. Belediging van meerderen door de kolonisten, handgemeen, weerkerende dronkenschap, illegale verkoop van koloniale kleding, bezoek van familieleden buiten de kolonie zonder dat daarvoor verlof is verleend en het weerkerende probleem van buitenechtelijke zwangerschappen wegens „verboden omgang.”

Vooral ingedeelden, vaak jongvolwassen wezen, delen nogal eens het bed met de vrouw des huizes of een oudere dochter. Leidt dat tot een zwangerschap, dan gaan beiden steevast naar de strafkolonie. De zorg voor het huwelijk is voor de Maatschappij van Weldadigheid ook reden om bij een misdrijf van een van de echtelieden het echtpaar naar de strafkolonie te verbannen. Ook als man of vrouw niets met het delict heeft uit te staan.

Het koloniale tuchtrecht kent zijn grenzen, zoals aangegeven in een reglement. „Wanneer er wanbedrijven of werkelijke misdrijven de grenzen van inwendige disciplinaire tucht te buiten gaande, gepleegd worden, zal de schuldige aan de gewonen regter worden overgegeven.” Er blijft voldoende over. Omdat de gereserveerde ruimte in de Ommerschans volledig bezet raakt, wordt ook een deel van Veenhuizen ingericht als strafkolonie. Jaarlijks besluit de permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid, mede op basis van gesprekken met de adjunct-directeur van de Ommerschans, wat er met de strafkolonisten moet gebeuren. In de woorden van Schackmann: „Heeft iemand zich zodanig gebeterd dat hij een tweede kans krijgt? Is iemand onverbeterlijk en moet hij de gewone maatschappij in? Is iemand half verbeterd en moet hij verplaatst worden naar een lagere positie dan voorheen, dus als arbeidershuisgezin? Of moet iemand in de strafkolonie nog een jaartje aan zijn zedelijk herstel werken?”

Tuchtraden

Naast de overkoepelende raad van policie en tucht voor de gewone koloniën kennen de onderscheiden koloniën hun eigen tuchtcolleges voor de verschillende doelgroepen. Zo heeft Veenhuizen tuchtraden voor bedelaars, weeskinderen, arbeidersgezinnen en de veteranen die er zijn ondergebracht, omdat de verwachte instroom van weeskinderen blijkt tegen te vallen. Een van de opgelegde straffen is een verblijf van een aantal dagen in de strafkamer van de betreffende kolonie.

Een veteraan kan niet worden veroordeeld tot een verblijf in de strafkolonie. De ultieme straf voor een kolonist is ”schandelijk ontslag uit de kolonie” na goedkeuring van dit vonnis door het ministerie van Oorlog. De weeskinderen kunnen wel naar de strafkolonie worden gestuurd, maar ze mogen niet worden blootgesteld aan lichamelijke straffen. Ook daarin betoont de Maatschappij van Weldadigheid zich opvallend vooruitstrevend.

De lokale tuchtraden dienen zich te houden aan de daarvoor in 1829 opgestelde reglementen, en de daarin verordende straffen voor verschillende vergrijpen. Het kwijtschelden van straf is voorbehouden aan de permanente commissie in Den Haag, die strak toeziet op het functioneren van de rechtscolleges binnen de koloniën. In de loop der jaren word het regime daar steviger. De tuchtraden leggen steeds vaker de maximale straf voor het gepleegde misdrijf op, met verzachtende omstandigheden wordt geen rekening meer gehouden.

Maakbaarheidsgedachte

De deplorabele financiële situatie van de Maatschappij van Weldadigheid leidt ertoe dat de gestichten van Veenhuizen en de Ommerschans per eind 1859 onder de staat gaan vallen. Het worden ”Rijkswerkinrichtingen voor bedelaars en landlopers”. De Maatschappij van Weldadigheid is nu uitsluitend verantwoordelijk voor de vrije koloniën. Overplaatsing van kolonisten naar een onvrije kolonie is niet meer mogelijk. De strafkolonie wordt ontmanteld. De nog aanwezige strafkolonisten stromen geleidelijk uit. De hopeloze gevallen worden ondergebracht bij de bedelaars. Aan het koloniale strafrecht in de vrije koloniën komt in 1886 een einde. Dan wordt het Wetboek van Strafrecht van kracht, waardoor de staat het monopolie op vrijheidsstraffen en gedwongen tewerkstelling krijgt.

Terugkijkend is het eenvoudig om het imponerende experiment van Johannes van den Bosch te bekritiseren. Het werd gedragen door de maakbaarheidsgedachte en de overtuiging dat de mens in beginsel geneigd is tot het positieve. De noodzakelijke instelling van een strafkolonie was wat dat betreft al een bittere pil. Dat neemt niet weg dat de Maatschappij van Weldadigheid in meerdere opzichten de weg baande naar een socialere samenleving.

Dat erkent ook Schackmann, die in een voortreffelijke maar soms wat badinerende stijl de activiteiten van de maatschappij beschrijft. Na een kritische slotbeoordeling van de koloniën van weldadigheid constateert hij: „In 1901 nam het Nederlandse parlement –met de krapst mogelijke meerderheid– een wet aan die zesjarigen verplicht om naar school te gaan. Dat was wel drieëntachtig jaar nadat de koloniën van weldadigheid die verplichting oplegden. Wat dat betreft –en ook wat betreft de bestaanszekerheid– liep de Maatschappij van Weldadigheid een enorm stuk voor. Dat dan weer wel, ja.”

Boekgegevens

De strafkolonie. Verzedelijken en beschaven in de Koloniën van Weldadigheid, 1818-1859, Wil Schackmann; uitg. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2018; ISBN 978 90 450 3611 3; 342 blz.; € 21,99.