Verrassende uitkomsten enquête over taal

Streektalen
Een Zeeuw schreef in de enquête: „Ik zou het een ramp vinden als dialecten helemaal verdwijnen.” beeld Wikimedia

Afgelopen voorjaar hield het Reformatorisch Dagblad een enquête over taal. De uitkomsten zijn verrassend.

De enquête werd aangekondigd in het Reformatorisch Dagblad van 29 maart en was in te vullen via rd.nl. Dit is gedaan door 194 mensen: 83 mannen, 87 vrouwen en 24 jongeren onder de achttien jaar (ervan uitgaand dat ze in april nog niet jarig geweest waren; gevraagd werd naar geboortejaar). De oudste deelneemster was 88 jaar, de jongste 11.

Eén deelnemer was woonachtig in Duitsland; verder waren alle Nederlandse provincies behalve Drenthe en Limburg vertegenwoordigd, aangevoerd door Zuid-Holland (49 respondenten), Zeeland (44) en Gelderland (41). Op één geboren Noor na noemden allen het Nederlands, Fries of een andere Nederlandse streektaal als moedertaal; we moeten het dus zonder de inbreng van allochtone Nederlanders stellen. Wat opleiding en beroepsgroep betreft was wel een breed spectrum vertegenwoordigd, van basisschool tot universiteit en van boer tot predikant.

Wel hebben de meesten een voorliefde voor taal gemeenschappelijk, wat natuurlijk geen verrassing is in een taalenquête; verrassender is dat vijftien respondenten aangaven taal een weinig fascinerend verschijnsel te vinden (1 of 2 op een schaal van 1 tot 5). Daarbij gaf ruim de helft aan (51 procent koos 4 of 5) regelmatig taalfouten van anderen te verbeteren en een nog groter deel (78 procent) hecht veel waarde aan taalregels.

Het eerste onderdeel van het onderzoek ging over talengebruik. Veertig respondenten (21 procent) gaven aan vaak een vreemde taal te gebruiken, 37 procent zelden of nooit. Wel zei een overgrote meerderheid redelijk Engels (85 procent) en/of Duits (62 procent) te beheersen; Frans scoorde met 15 procent aanmerkelijk lager. Verder werden genoemd: Fries, Afrikaans, Spaans, Italiaans, Russisch, Zweeds, Deens, Pools, Tsjechisch, Latijn, Grieks, Hebreeuws, Aramees, Syrisch, een West-Afrikaanse taal en Nederlandse gebarentaal. Gezamenlijk beschikt de RD-achterban over een grote talenkennis.

Bijbelvertaling

Bij dat ”RD-achterban” moet echter een kleine kanttekening worden gemaakt: het is niet bekend of elke respondent het Reformatorisch Dagblad leest. Vijf mensen (onder wie de Noor, die Zweeds en Deens beheerst) gaven bij de vraag naar gebruikte Bijbelvertaling namelijk aan geen Bijbel te lezen. Een van hen beschouwt het lezen van de Bijbel zelfs als voorbehouden aan christenen: „Ik ben niet gelovig dus gebruik het absoluut niet.” Voor het overige bestaat de groep echter grotendeels uit reformatorische christenen, gezien het grote aantal dat (vooral) de oude (70 procent) of Herziene (19 procent) Statenvertaling gebruikt; alle andere vertalingen bleven onder de 3 procent. Slechts 18 procent noemt de Statenvertaling onbegrijpelijk (4 of 5 op schaal 1 tot 5). Ruim de helft vindt dat je de Bijbel eigenlijk in de grondtaal zou moeten lezen.

Over de ”tale Kanaäns” wordt heel verschillend gedacht. Sommigen (vooral jongeren) hebben geen idee van wat er met de uitdrukking wordt bedoeld, anderen denken (taalkundig gezien min of meer terecht) aan „Hebreeuws, de taal van de Israëlieten” of geven een keurige zakelijke omschrijving van de juiste betekenis van het begrip: „Een taal die woorden geeft aan een bepaalde kijk op het innerlijke geestelijke leven en gevoed wordt vanuit de dogmatiek.” Daarbij geven velen aan dat de tot de ‘taal’ behorende uitdrukkingen ontleend zijn aan de Bijbel (Statenvertaling) en het gezelschapsleven van „Gods volk” destijds.

Jaloers

De meesten geven in hun antwoord echter blijk van een sterke liefde voor of juist afkeer van dit bevindelijk taalgebruik. „Bijbels gefundeerde spreekwijze”, noemt een vrouw van middelbare leeftijd het. „Dat je van hart tot hart over geloofszaken kunt spreken en dan bedoel ik Gods kinderen. ik lees ze graag en ben er menigmaal jaloers op. je voelt dan; dit is echt”, schrijft een leeftijdsgenote.

Velen zijn echter minder lovend: „Sowieso slaat die taal nergens op”, vindt een andere vrouw van middelbare leeftijd. De oudste deelnemers zeggen zelfs: „vreselijk” en „de taal van vervloeking.” Over het algemeen zijn dit geen lezers van de Statenvertaling. Ook worden zulke kwalificaties door de jongeren niet gebruikt. Alleen schrijft een enkele twintiger iets als „Als een dominee in zijn preek zomaar citaten uit de Bijbel er tussendoor gooit zonder enige link met de preek.” Vrij veel respondenten (25 procent koos 5 op schaal 1 tot 5) vinden trouwens dat een predikant op de preekstoel net zo zou moeten praten als thuis; 17 procent is het daar echter zeer mee oneens.

Mooiste woord

Ook de vraag naar het mooiste Nederlandse woord wordt heel verschillend beantwoord. Sommigen denken bij ”mooi” aan de inhoud en noemen woorden als ”liefde” en ”vakantie”; bij anderen speelt kennelijk ook de klank mee (”koesteren”, ”meiske”, ”verdraagzaamheid”) en weer anderen gaat het enkel om de klank (waar de vraag eigenlijk ook op doelde): melancholiek, onderonsje, terugtraprem, zonnedauw. Een duidelijk verband met opleidingsniveau lijkt er niet te zijn.

Bij ”lelijkste woord” gaat het ongeveer hetzelfde: van scheldwoorden, (bastaard)vloeken, ”saai” en ”afschuwelijk” naar ”kids”, ”chillen” en ”genaturaliseerde transcripties zoals geupdated” – verbasterd Engels blijkt heel wat mensen te ergeren. ”App” –toch ook geen fraai woord– wordt overigens alleen één keer genoemd in ”WhatsApp”; te belangrijk voor dagelijks gebruik?

Het laatste onderdeel was streektaal. In de vraag ”Spreek je het plaatselijke dialect?” bleek een fout geslopen: keuzemogelijkheid ”Nee” ontbrak; van de twaalf deelnemers die de vraag niet beantwoordden zouden de meesten vermoedelijk dit gekozen hebben, evenals wellicht sommigen van de 47 procent die nu ”Een klein beetje” aanvinkte. 43 procent zei goed dialect te spreken, vooral in de leeftijd van 20-70 jaar, verspreid over verschillende delen van het land. Omgeving heeft invloed: de meesten van hen horen het nog veel. Echter niet op school; er worden maar een paar scholen genoemd die moeite doen het in stand te houden (verschillende plekken in Zuid-Holland en een enkele in Overijssel, Gelderland en Zeeland).

Liefhebber

De goed dialectsprekende jongeren wonen vrijwel allemaal in Zeeland. „De dialecten moeten blijven!” schrijft een 16-jarige haviste. Onder de dialectsprekers bevinden zich in verhouding weinig vwo’ers en universitair opgeleiden, hoewel bijna niemand dialectgebruik ziet als een teken van domheid. Maar welke opleiding ook, de dialectsprekers noemen zich bijna allemaal een groot liefhebber van streektaal, evenals ongeveer de helft van het aantal redelijke sprekers. „Het mooie van diversiteit in een landstaal is dat een streek zich kan onderscheiden”, meent een van hen.

Daarbij wordt Fries als streektaal beschouwd en omwille van de overzichtelijkheid bij de vragen zelfs onder ”dialect” geschaard. Dit is feitelijk niet juist: Fries (en in zekere zin ook Nedersaksisch) is een onafhankelijke taal. „De enquête is toch wel erg vanuit de vanzelfsprekendheid van het Nederlands opgesteld”, reageert een Friese academicus. Friezen zijn trots op hun taal, zo blijkt ook hier.

Een bonusvraag was hoe in eigen omgeving een ”rood kevertje met zwarte stippen” genoemd wordt. Enkelen leken dit niet te begrijpen, de overgrote meerderheid zei ”lieveheersbeestje” (of een variant) en verder komen leuke streeknamen langs: krûpelhintsje (Friesland), engeltje (Friesland), zonnekuken (met name Overijssel), hennegie (Overijssel), kukediefien (Urk), kukelusien (met name Noord-Veluwe), kapoentje (Zuidwest-Nederland), boerinneke (Noord-Brabant), pimpampoentje (met name Zeeland) en mereminnetje (Zeeland).

Ook uit de vraag naar andere dialectwoorden blijkt soms de rijkdom van de streektalen. Iemand uit IJsselmuiden noemt „Blèr’n, reer’n of schreeuw’n voor huilen. Het betekent steeds een ander soort huilen.” Een Zeeuw besluit: „Ik zou het een ramp vinden als dialecten helemaal verdwijnen.”