Verdwenen, vergeten en verzonnen landen

Pas rond 1900 bereikten de eerste westerse reizigers de verborgen Tibetaanse stad Lhasa, na eeuwen zoeken. beeld iStock
8

Ideaal voor leunstoel­reizigers en liefhebbers van curieuze feiten: per boek de rand van de wereld over zeilen.

Wanneer is een land een verzonnen land? Wie bepaalt dat? Wij? Wij hebben makkelijk praten, we leven nu, en Wikipedia en satellieten loodsen ons bij onze zeiltochten naar de rand van onze horizon, de rand van de nu bekende wereld. Zelfs de achterkant van de maan is nu in kaart gebracht.

Nog niet zo lang geleden was dat anders. Toen bestond een groot deel van de wereld uit vermoedens, soms heel sterke vermoedens. Toen was Kolchis het Land van het Gulden Vlies. Niemand kent de naam nu nog, niets anders rest er van dit land, dat ooit zo veel mensen in de ban hield, dan een klein plantje, de colchicaceae of herfsttijloos, die eind augustus in Klein-Azië massaal bloeit. Vooral aan de oevers van de Zwarte Zee, in Georgië. Tweeduizend jaar geleden was Kolchis de buitenste grens van de oikoumené, de toen bekende wereld. Om de oostoever van de angstaanjagende Zwarte Zee te bereiken, moest je door een zee-engte met steile oevers die, zo wist men zeker, zich sloot zodra er een schip doorheen voer.

De antieken vertellen over Jason en de Argonauten, die zochten naar het Gulden Vlies, afkomstig van een ram met gouden vacht en gouden horens. Er zijn nog volop mensen in leven die de tijd hebben meegemaakt waarin nog niet de hele wereld was ontdekt. De Baliemvallei in Papoea-Nieuw-Guinea herbergde een complete beschaving. Zij kenden ‘ons’ niet en wij hen niet. Op 23 juni 1938 vloog er voor het eerst een vliegtuigje overheen. Richard Archbold zag duizenden dorpelingen omhoog staren.

India, lang de smaragd in de Britse kroon, had zo’n enorm en bergachtig achterland, uitlopend in de geheimzinnige Himalaya, dat iedereen voelde: daar valt nog heel veel te ontdekken. Het mythische Shangri-La leek ontdekt te zijn toen de Britten begin twintigste eeuw voor het eerst het oog sloegen op Lhasa, Tibets heilige hoofdstad.

Gelukkig is er nog veel te raden over. We weten nog lang niet alles, de wereld is nog niet ontraadseld. Zo is het schrift van Meroë nog altijd niet ontcijferd. Het koninkrijk Meroë, het Bijbelse Koesj, lag diep in het binnenland van Afrika, in de bovenloop van de Blauwe en de Witte Nijl, en bestond tussen de derde eeuw voor en de vierde eeuw na Christus. Zeven eeuwen hield het stand, een van de schitterendste culturen van de oudheid, beroemd om haar wijze koninginnen, de Kandaken. Pas in april 1821 ontdekte de ontdekkingsreiziger Fréderic Cailliaud overblijfselen van Meroë. Pas toen ook drong tot de westerse wereld door dat het geen sprookje was, geen legendarisch niet-bestaand rijk. Een roofzuchtige navolger van Cailliaud verrijkte musea in München en Berlijn met de grafschatten van koningin Amanisha­kheto, de vrouw die Romeinse legioenen op de knieën dwong en haar volk lang in vrede liet leven.

Zoals Cailliaud, zo verging het ooit de antieke Grieken met het reisverslag van Pytheas over Thule. Noch Strabo, noch Polybius nam Pytheas serieus. Ze konden niet geloven dat hij in de tweede eeuw voor Christus vanuit Massala (Marseille) zover noordwaarts was gevaren als hij zei. Maar wij weten nu dat Pytheas’ weergave van de Britse kust en zijn bijna 2300 jaar oude getijdenberekeningen verbijsterend exact zijn. Net als zijn beschrijvingen van drijvend pakijs en de permanente schemer in het hoge noorden.

----

Deens-West-Indië (1754-1917)

De Noor Björn Berge (1954) spaart postzegels van landen die niet meer bestaan. Hij maakte een postzegelalbum met grimmige teksten. Neem nu Saint Thomas, Saint John en Saint Croix, drie Caraïbische eilandjes. De indianen zijn al door de Spanjaarden verwijderd als de Denen komen. Het eerste schip brengt 190 vrijwilligers, Deense en Noorse mannen en vrouwen. Tropische ziekten maaien er meteen 161 weg. Vanaf 1673 komen er slaven uit Guinea in Afrika. In 1754 (100.000 slaven later) koopt de Deense staat de eilanden van het Deense broertje van de VOC. Het wordt een kolonie, Deens-West-Indië. In 1848 dreigt oproer, de slavernij wordt afgeschaft. In 1867 wil Amerika de boel opkopen. Orkanen en aardbevingen doen die interesse verflauwen. De kolonie kwijnt weg. Pas in 1917 happen de VS toe – al was het maar om Duitsland, dat dan nog volop successen boekt op de slagvelden van Europa, te weren van de monding van het Panamakanaal. Dat kanaal is pas geopend en een duikbootbasis in de buurt zou erg bedreigend zijn. De VS dopen hun nieuwe bezit om tot de Maagdeneilanden. Deense straatnamen en feestdagen zijn er nu nog. Regenwoud overwoekert nu de plantagegebouwen.

----

Elobey, Annobón en Corisco (1777-1909)

De Golf van Guinee is West-Afrika’s binnenbocht. Daar liggen Elobey, Annobón en Corisco. Op Elobey en Corisco geven presbyterianen de zending op vanwege de slaapziekte. Het verst in zee ligt Annobón, ”Goede Jaren” betekent dat. Die zijn er niet: van Annobón komt alleen slecht nieuws. Het ligt 200 kilometer zuidwest van Sao Tomé, 400 kilometer van Gabon, 6,4 bij 3,2 kilometer uitgedoofde vulkaan en kreupelhout. In 1909 gaan de eilandjes op in Spaans-Guinea, dat in 1968 onafhankelijk verder gaat als Equatoriaal-Guinea.

Op Annobón woedt in 1973 een cholera-epidemie. Eilanddictatortje Macia Nguema weigert alle VN-hulp. In 1979 neemt zijn neef Obiang de macht over. Deze wordt rijk dankzij Britse en Amerikaanse bedrijven die gif en radioactief afval dumpen. In 1993 wordt het de burgers te veel. Enkelen vallen de enige bar op het eiland binnen waar de gouverneur en de luitenant zitten te drinken. Ze nemen de wapens af, binden de twee vast op hun stoelen. Deze coup is gesmoord in bloed. Op Annobón woonden in 2015 5232 mensen. De Nederlandse Wikipediapagina verwart het met Bioko, dat veel dichter bij de Afrikaanse kust ligt.

----

Oranje Vrijstaat (1854-1902)

Krap vijftig jaar bestond Oranje Vrijstaat. Doornige acacia’s omzoomden de Oranjerivier. Het wemelde van de vogels, krokodillen, nijlpaarden en olifanten. Zoeloes verjoegen Tswana, Khoikhoi en San (Hottentotten en Bosjesmannen). De weg was vrij voor nazaten van Nederlandse en Franse hugenoten die eerder neerstreken bij Kaap de Goede Hoop. Ze lieten de kust achter zich vanwege Britse kolonisatie in 1795. Op de boerenhoeven van deze dogmatische calvinisten is vader de baas. De Noor Schröder-Nielsen gaat met hen naar de kerk: „Iedereen schraapte zijn keel en kuchte uitgebreid, tot de dominee, die ook voorzanger was, inzette met een trage, zeer trage, en schrille stem. Hij eindigde met een paar vreselijk vibrerende noten en meteen daarna begon iedereen uit volle borst te zingen.” Nederlands is de taal. Het volkje groeit van 15.000 naar 75.000. Er is veel werk, inheemsen worden aangevuld met slaven. Dat geeft de Britten het excuus voor de Boerenoorlog: in buurland Transvaal lokken goud en diamanten. Zij onderschatten de Boeren, maar branden alles plat. Dertigduizend mannen en vrouwen worden door de Britten uitgehongerd en vermoord in concentratiekampen.

----

Allenstein (1920)

11 juli 1920 is een warme zomerdag. Halfrijp is het koren, de klokken luiden. Allenstein mag naar de stembus. Daar gaan ze, door zacht glooiend akkerland: Polen, etnische Duitsers, Joden. Een jaar eerder is het Verdrag van Versailles getekend. Duitsland krijgt alle schuld en moet alle koloniën en omstreden gebieden afstaan. Hier en daar mogen bewoners kiezen. Duitse postzegels met Versaillesoverdruk herinneren aan die ene zomer, dat Allenstein even zelfstandig in de geschiedenis zweefde. De grenzen vallen samen met Mazurië, het gebied van een Noord-Poolse stam. Uit angst voor Lenins oprukkende communisme stemmen heel veel Mazuren Duits. De uitslag is 97,8 procent voor Duitsland. Allenstein wordt ingelijfd, bij Oost-Pruisen. De postzegels worden ongeldig. De Amerikaans-Joodse Reha Sokolow vertelde later hoe zij als 8-jarige vluchtte uit Oost-Polen. In Allenstein voelen ze zich goed. Reha kent het ”Deutschland, Deutschland über alles”. Haar moeder houdt van de keizer, hij zal op de Joden passen. Mooie jeugdjaren volgen. Maar na 1933 moet de familie verder doorverhuizen, naar Berlijn. In januari 1945 lijven de Sovjets Allenstein in bij Polen als de provincie Olsztyn. Nu zonder volksraadpleging.

----

Zuid-Molukken (1950)

Het duurt in december 1975 even voordat helder is wat de treinkapers in Drenthe willen: aandacht voor de Zuid-Molukken. Vier eeuwen al zijn er banden tussen Molukkers en Nederland. Met diplomatie en geweld kreeg de VOC het monopolie op specerijen. In 1949 gaf Nederland Indië op, onder internationale druk. Ondanks het geweld waren de Molukken succesvol zendingsgebied voor calvinisten. Indonesiës nieuwe leiders zijn moslim. Mede daarom verklaren de Molukken zich op 25 april 1950 onafhankelijk. Er is Nederlandse steun, maar Sukarno stuurt zijn marine. Op 28 september, na zes maanden, geven de goedgetrainde Molukkers zich over. Nederland biedt de soldaten en hun families toevlucht en 12.500 mensen komen over. Chris Soumokil intussen vecht dóór, met duizend guerrilla’s, in het oerwoud van Ceram. Totdat ook hij zich overgeeft, december 1963. Enkele jaren later komt de bitterheid eruit, bij de kapingen in Drenthe. Den Haag ziet dan het belang van integratie in. Interneringskampen gaan dicht, Molukkers krijgen het Nederlandse staatsburgerschap.

In 2010 zegde Indonesië een staatsbezoek af toen de Molukse president Wattilete verzocht om arrestatie van de president wegens oorlogsmisdaden.

----

Boekgegevens

”Atlas van Imaginaire Landen”, Dominique Lanni (met illustraties van Karin Doering-Froger); uitg. Lannoo, Tielt, 2016; ISBN 978 94 0143 580 2; 144 blz.; € 24,99;

”Verdwenen landen van de wereld”, Bjørn Berge; uitg. Xander Uitgevers, Amsterdam, 2014; ISBN 978 94 0160 639 4; 240 blz.; € 25,-.