Verbale pasfotootjes van Joodse „menschen”

Ronit Palache, auteur van "Ontroerende onzin". beeld Sjaak Verboom
2

Een voor een komen ze in haar boek voorbij: de 33-jarige Ester Fabriek, de 86-jarige Bernhard Friedmann, de 64-jarige Hadassa Hirschfeld, de 19-jarige Daniël Plijter, de 42-jarige Channah Zwaaf – en nog bijna 120 Nederlandse Joden meer. Typerende uitspraak: „Als je joden, waar ook ter wereld, tegenkomt, geeft je dat iets extra’s, iets vertrouwds, nesjommes onder elkaar.”

Meer dan 200 Joden sprak Ronit Palache (32) voor haar rubriek ”Mensch” in het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW). Vier jaar lang, elke week. „Ongelooflijk eigenlijk.”

De contacten legde de journaliste, zelf Joods, „random, zonder selectie vooraf. Met mensen die ik kende, maar ook met personen die ik via anderen doorkreeg. Toen ik ermee begon, zei mijn oude baas en goede vriend Arendo Joustra van opinieblad Elsevier tegen me: Daar moet je een boek van maken.”

Palache, werkzaam als hoofd publiciteit en rechtenmanager bij de Amsterdamse uitgeverij Prometheus, geloofde het nog niet zo. „Maar hij kreeg gelijk. Toen ik het op een gegeven moment, heel ongebruikelijk, voorstelde aan de uitgever, omarmde die het idee meteen.”

Inmiddels verscheen de derde druk van ”Ontroerende onzin”. Over hoeveel exemplaren hebben we het dan?

„Drieduizend, of zo? Duizend per druk.”

Hoe verklaart u die belangstelling?

„Goeie... Veel Joden zullen de stukjes in het NIW hebben gelezen. Misschien vinden mensen het gewoon ook een andere manier van benaderen. Het boek geeft een ander soort inkijkje in het Nederlandse Jodendom. Eigenlijk zijn het 120 portretjes, verbale pasfotootjes, die laten zien hoe mensen hun Joods zijn hier beleven – zonder oordeel of tussenkomst van mij.”

Uw boek leest alsof je een schaaltje gemengde noten leegeet, schrijft de Joodse socioloog Abram de Swaan in zijn voorwoord. „Je had allang willen ophouden, maar toe, nog eentje, en nog een.”

„Grappig hè? Zal ook door de opzet komen: telkens twee bladzijden per persoon. Per mensch.”

Mensch – het Jiddische woord valt deze middag vaker. Palache: „Een mensch is niet zomaar een mens. Het is een goed mens, een warm mens. Een ménsch dus.”

Een interview met Palache, in een drukke eetgelegenheid aan de Herengracht, verloopt anders dan anders. Van eenrichtingverkeer is geen sprake. Voortdurend stelt ze wedervragen, daagt ze uit tot discussie, of poneert ze gewoon („Schrijf maar op: Ook in Staphorst moet een homo uit de kast durven komen zonder meteen verstoten te worden.”). Het zou zomaar typisch Joods kunnen zijn, zoals meerdere van haar gesprekspartners ook aangeven: het altijd in discussie gaan, (weder)vragen stellen, ler(n)en. In de woorden van Dennis Beckers (44): „Je weet wat ze zeggen: twee joden, drie meningen!” Al merkt hij daar „als het de Israëlische politiek betreft erg weinig van” (Beckers staat, als actief lid van de organisatie Een Ander Joods Geluid, „zeer kritisch” ten opzichte van de politiek van Israël).

Vanwaar de titel van uw boek, ”Ontroerende onzin”?

„Ik schrijf dat in de inleiding. De woorden zijn ontleend aan wat meneer Goldsteen, Harry Goldsteen, in mijn boek zegt. Ik vond dat een van de meest indrukwekkende interviews. Eenenzeventig van zijn familieleden zijn in de oorlog omgekomen, inclusief zijn vader en moeder, opa’s en oma’s. Zijn hele leven heeft hij –hij gaat naar de 80– „een strijd gevoerd met het wel of niet bestaan van iets wat God wordt genoemd”, vertelt hij. „Ik weet 99 procent van niet, maar ik kan maar niet kiezen.” Maar de „onzin van het jodendom emotioneert” hem zeer. Ik vond dat zo mooi gezegd dat ik er de titel van heb gemaakt. Waarbij ik emotioneert heb vervangen door ontroerend, dat allitereerde beter.”

Voor uzelf heeft het Jodendom weinig met „geloven in God” te maken, schrijft u. „En toch ben ik joods.”

„Ik geloof inderdaad niet dat dit dé kern van het Jodendom is. Dat merk je in de interviews ook. In het Joods bewustzijn gaat het veel meer over andere dingen: overleven, de Joodse cultuur, traditie, Israël. Er is herkenning, een wij-gevoel, iedereen lijkt elkaar te kennen.

En historisch besef. Dat heb ik sterk als ik af en toe naar de synagoge ga, de grote Portugese synagoge, op de hoge feesten. Mijn vader doet daar de dienst. Voor mij heeft dat altijd weer iets melancholisch. Die typisch Joodse sfeer, de melodieën, melodieën uit mijn jeugd. Maar ik geloof niet dat God mij in een goed of slecht boek schrijft, of zo. Het zou fijn zijn als ik dat kon geloven, maar ik kan dat niet. Al kan ik wel weer enorm onder de indruk raken van bijvoorbeeld een spreeuwenzwerm.”

Een spreeuwenzwerm?

„Ja. Ik kan me daar monomaan over verwonderen. Hoe kán het, denk ik dan, al die spreeuwen zo bij elkaar? Of de blaadjes aan de bomen langs de grachten hier, zo mooi, al die kleuren. Hoe kán het!”

Met een lach: „Jij zou dat toeschrijven aan God als Schepper. Ik geloof daar niet in.”

Toch is het religieuze aspect vaak wel het eerste waar je bij het Jodendom aan denkt. De Thora, de sjabbat.

„Een christelijke benadering, misschien? Ik weet het niet. Ik geloof ook niet in zoiets als de wil van God. Ook zonder religie zou het op deze wereld wel goed komen – hoeveel gaat er juist niet mis in naam van religie. Het gaat erom dat je elkaar vrijlaat, respecteert, tolereert. En: praat met elkaar, vraag naar elkaar, kijk naar elkaar om.”

Is dat juist niet wat als gevólg van de secularisatie verloren dreigt te gaan?

„Dat geloof ik niet. Als je een ander op straat ziet vallen, ga je toch naar hem toe, help je hem toch? Dat doet toch iedereen, daar hoef je toch niet gelovig voor te zijn?”

Als één volk heeft geleerd dat anderen niet naar hem omzien, is het het Joodse volk. Is het niet realistischer om te stellen dat mensen geneigd zijn tot het kwade?

„Wat het kwade is, weten we, ja. Maar ik wil me er niet bij neerleggen. Ik wil juist het goede in mensen blijven zien. En met mensen, wie dan ook, in gesprek gaan, wat ik bijvoorbeeld samen met Corine Koole van de Volkskrant doe in de Rode Hoed, in de serie ”Onbekend bemind”.”

Joden zouden vaker hun mond open moeten doen als het om antisemitisme gaat, schreef hoofdredacteur Esther Voet begin deze maand in het NIW. Ze citeerde Meindert Fennema, die vaststelde dat in uw boek zo weinig Joden expliciet het antisemitisme onder moslims noemen.

„Niet zo veel geïnterviewden brengen dit ter sprake, nee. Al gebeurt het wel. Paul Brill signaleert dat de toestand aanzienlijk zorgwekkender is dan tien, vijftien jaar geleden. „Er komt een heel nieuwe antisemitische golf ons land binnen die we niet moeten onderschatten”, zegt hij. „Voor mijn werk ben ik vaak in de Arabische wereld geweest, dus ik weet waar ik over praat.””

Hebt u zelf weleens met antisemitisme te maken gekregen?

„Af en toe krijg je opmerkingen naar je hoofd geslingerd. „Zijn ze vergeten je naar Auschwitz te sturen”, in die trant. Toen ik een keer een gouden kettinkje droeg, kreeg ik van iemand de vraag of die ketting soms een Joodse erfenis was. Antisemitisme? Nee. Bizar? Ja.”

Hoe zou u, op basis van de interviews die u hield, de Joodse identiteit in het Nederland van nu willen omschrijven?

„Een element dat vaak terugkomt is dus dat van gezamenlijkheid, het wij-gevoel. Veel mensen noemen ook het mooie van het Joods zijn, dat zij graag willen overdragen aan hun kinderen. Anderzijds is er een sterke ambivalentie, de herinneringen aan de oorlog, het toenemende antisemitisme, angst ook wel.”

Die niet tot gevolg lijkt te hebben dat mensen massaal naar Israël emigreren. Hoe verklaart u dat?

„Voor veel Joden in Nederland is Israël meer de laatste reddingsboei: als het hier echt niet meer gaat, dan kunnen zij naar Israël, waar het wél veilig is. Maar vooralsnog hebben de meesten het hier goed, al is een aantal geïnterviewden inmiddels geëmigreerd.”

Wat hebt u zelf met Israël?

„Ah! Ik kom er op het moment elke maand. Mijn zus woont er, en zij heeft pas een kleintje gekregen. Die wil ik niet te lang hoeven missen.”

Wat opvalt is dat de Messias in de meeste interviews niet eens wordt genoemd.

„Voor de meeste geïnterviewden speelt de Messias eigenlijk geen rol. Of het moeten de Lubavitcher Joden zijn, die rabbijn Schneerson als de Masjiach, de Messias, zien. Overigens moet je steeds bedenken dat ik alleen kan spreken voor de mensen in dit boek, niet voor Joden in het algemeen.”

In uw boek komen ook „vaderjoden” aan het woord, Joden die alleen een Joodse vader hebben en daarmee éígenlijk geen echte Joden zijn.

„Ik heb hen er bewust bij willen betrekken. Hun verhaal vind ik vaak zo triest. Officieel ben je pas Jood als je moeder Joods is. Maar vaderjoden voelen zich net zo goed Joden. Maar ze mogen bijvoorbeeld niet naar Joodse school, mogen niet écht deelnemen aan het Joodse leven. Dat is zo pijnlijk. Sommigen hebben nog in Auschwitz gezeten. Hitler zag hen wel als echte Joden, maar de eigen gemeenschap dus niet. Ik vind dat onbegrijpelijk.”

Vorig jaar was u initiatiefnemer van het debat in de Rode Hoed over de vraag of het niet hoog tijd werd dat de Portugese gemeente in Amsterdam de banvloek over de Joodse filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) zou opheffen. Hoe kijkt u hierop terug?

„Gran-di-oos. Zaten we daar met meer dan 400 mensen, wetenschappers, rabbijnen, noem maar op. De banvloek werd niet opgeheven, maar het was een debat op zeer hoog niveau. Fenomenaal. Overigens is Spinoza helemaal mijn filosoof.”

Dan: „Jij bent protestants, hè? Ik kan me altijd weer verwonderen over hoe jullie ons Joden, en Israël, blijven steunen. Ik vind dat soms echt ontroerend.”

Ook onder protestantse christenen neemt de steun voor Israël de laatste jaren af.

„Is dat zo? Oké. Dat wist ik niet. Ik ken heel goede christenen. Laatst nog ben ik in Amersfoort op een begrafenis geweest van een christelijke vrouw die me vroeger in Amstelveen regelmatig naar school bracht en oppaste. Dat was zo’n lief mens. Echt een mensch.”

----

Uit de interviews

„Het jodendom is een cultuur waar ik vooral plezier uit haal. Niet voor niets hebben mijn studie Hebreeuws en mijn werk bij de bibliotheek van de Portugees-Israëlitische gemeente Ets Haim ermee te maken. Maar soms is het ook wel moeilijk om joods te zijn, ja. Toen er bijvoorbeeld tijdens demonstraties in de Schilderswijk „dood aan de joden” werd gescandeerd.”

Asjer Waterman (23)

„Ondanks het feit dat ik het jodendom misschien niet doorgeef, blijf ik het een mooi volk vinden. Joden zijn bijzonder en vaak intelligent, kijk maar naar het aantal Nobelprijswinnaars onder joden! Daar is volgens mij een reden voor. Er mag best worden gezegd dat we bijzonder zijn.”

Matsuki Sophia van Coevorden (28)

„Het antisemitisme is er niet minder op geworden. Maar het bestond altijd wel, hoor. Joden worden vaak genoeg met geld geassocieerd bijvoorbeeld, een eeuwenoud stereotype. Dat overkomt mij ook regelmatig. Laatst nog had ik een cliënt in mijn advocatenpraktijk die na het winnen van een zaak vertelde hoe blij hij was dat hij voor mij had gekozen, omdat ik wel wist hoe het zat met geld. Daar heb ik wat van gezegd. Zo iemand verleen ik geen diensten meer.”

Allon Kijl (42)

„Ik was 45 toen ik erachter kwam dat mijn grootouders in Sobibor zijn vermoord, maar heb dat hele woord Sobibor nooit bij ons thuis gehoord.”

Bram Klein (62)

„Ook Christenen voor Israël beschouw ik als een godsgeschenk. Toen geen enkele toerist tijdens de intifada naar Israël wilde afreizen, organiseerden zij juist éxtra reizen. Alle steunbijeenkomsten woonden zij bij. Dat ontroerde mij enorm. Ook nu met alle boycotacties, zijn Christenen voor Israël een rots in de branding.”

Samuel Magid (62)

„Het joodse volk stond ooit met al zijn nesjommes bij de berg Sinaï. Als je joden, waar ook ter wereld, tegenkomt geeft je dat iets extra’s, iets vertrouwds, nesjommes onder elkaar.”

Aviva Keesing (65)

„Vrijwel dagelijks wordt mij gevraagd of ik joods ben of, erger nog, een jodin ben. Ik antwoord dan steevast: „Nee! Ik ben van joodse komaf.” Jodin is voor mij een scheldwoord uit de oorlog.”

Kitty Fresco (84)

----

Boekgegevens

”Ontroerende onzin. De Joodse identiteit in het Nederland van nu”, Ronit Palache; uitg. Prometheus, Amsterdam, 2016; ISBN 978 90 446 3155 5; 312 blz.; € 19,95.