Ten strijde tegen onwaarachtigheid

Voor alles was hij een meesterverteller. Eerst op school en na 1945 in zijn boeken. De romans van Barend de Graaff waren erg in trek bij de gewone man en vrouw van na de oorlog. Eind jaren zeventig ging het tweemiljoenste exemplaar al over de toonbank. Zijn bekendste verhaal is ”Het geslacht van Garderen”, met als hoofdpersoon de levensgenieter en mensenkenner Lange Hermen, de heiden van Meerkerk. In Lange Hermens afschuw van onwaarachtigheid en dubbelhartigheid herkende Barend de Graaff zichzelf.

Barend de Graaffs boeken werden in de jaren vijftig, zestig en zeventig door christelijke lezers verslonden, maar kritiekloos was dit publiek niet. Zette hij kerkmensen niet te veel in hun hemd? En brak hij de kerk niet af met zijn romans over ruzies tussen verschillende kerken? Inderdaad ageerde de gereformeerde De Graaff in veel van zijn romans tegen farizeïsme, tegen het onwaarachtige van veel christenen. In de persoon van Lange Hermen in ”Het geslacht van Garderen” bijvoorbeeld. In een interview rond zijn tachtigste verjaardag vertelde De Graaff dat hij geen spijt had van zijn manier van schrijven, al kon hij de kritiek wel begrijpen. ”Ik heb er wat mee losgemaakt bij tal van kerkmensen. En dat is hard nodig, vooral in onze tijd, nu het zo kaal is geworden in de kerk.” Als romanschrijver had De Graaff een missie, en misschien maakt dat zijn boeken juist zo pittig.

Hof van Eden

Dat Barend Jan Wouter de Graaff gezegend was met een fantasierijke geest, viel al vroeg op. Als kleine jongen vertelde hij al verhalen aan zijn zusters. En op zijn eerste schooldag bracht zijn fantasie hem naar een landgoed buiten Bennekom, want dat was de Hof van Eden waar de juffrouw ’s morgens over verteld had. Jaren later verdiende hij zijn brood zelf als onderwijzer en was hij voor de kinderen ”de meester die vertellen kon”. Van vertelkunst getuigen ook zijn romans. De Graaff was voor alles een verteller die zijn mensen levendig wist te tekenen, met hun sterke én zwakke kanten. De lezer kon zijn personages bij wijze van spreken op straat tegenkomen of in de familie aanwijzen. De Graaff senior -eerst huisschilder in Bennekom en later gereformeerd predikant in Poortvliet- stimuleerde de vertelkunst indirect. Barend moest maar naar de kweekschool, om voor onderwijzer te leren. Eigenlijk wilde zoonlief de muziek in, maar dat zag de oude De Graaff niet als serieus werk. Barend werd eerst volontair in Oud-Vossemeer, solliciteerde vervolgens naar een echte baan in Kruiningen, maar wilde uiteindelijk liever het huis uit en werd aangenomen in Klundert. Nog later ging hij lesgeven op een ULO. Al gaf zijn werk hem voldoening, een paar jaar voor de oorlog stopte hij ermee om zich volkomen aan de schrijverij te wijden. Het gezin De Graaff, dat inmiddels vijf kinderen telde, verhuisde naar Driebergen. De Graaff had al wat korte verhalen op zijn naam staan, maar ging nu serieus (als B. J. W. de Graaff) aan de slag met zijn kinderverhalen over de kerkgeschiedenis, een verzoek van uitgeverij Van den Tol uit Oud-Beijerland (later Dordrecht). De serie is rond 1980 nog in herdruk verschenen.

Stikken

De Graaff had een drang om verhalen te schrijven. Een interviewer typeerde hem eens: ”De Graaff stikt in de verhalen.” Waarom? ”Je kunt net zo goed vragen waarom ik van mijn vrouw houd.” Zijn eerste ’echte’ boek verscheen in 1941: ”Gebrandmerkt”, dat altijd een van zijn beste romans is gebleven. Het behandelt de schandelijke daden van Johannes Cato Kamerling uit Brouwershaven. Een menselijk verhaal over een historisch figuur. Dr. P. J. Meertens, die over dit onderwerp een wetenschappelijke verhandeling had geschreven, liet De Graaff na verschijning van het boek weten: ”U hebt er een mens van gemaakt.” Meertens had De Graaffs talent ontdekt: een schrijver die mensen begreep. Zelf zei hij eens: ”De mensen waarover ik schrijf, leven bij me op het moment dat ik schrijf.” Ook al koos hij vaak een historisch onderwerp of personage, zijn boeken zijn geen historische romans in de letterlijke zin van het woord. Daarvoor zijn ze te weinig aan de feiten gebonden. Uitzondering zijn zijn boeken over Datheen en Marnix van St. Aldegonde. De meeste van zijn andere boeken berusten wel op een historisch gegeven, maar vólgen niet de historie. Je kunt het sfeervol historisch noemen, niet letterlijk historisch. Een leuk voorbeeld is ”Het groene mutsje”, dat bol staat van karossen en klinkers, patriotten en prinsgezinden. Een eerdere versie van het verhaal speelde echter in de Tweede Wereldoorlog. De Graaff: ”Ik had in de oorlog moeite met het gebod dat je vijanden lief moest hebben en voor ze moest bidden. Toen ben ik een boek over een boerendochter bij mij in de buurt gaan schrijven, uit een gezin met flinke oranjemensen. Maar op het moment dat het verhaal af was, kon ik het niet gebruiken. Het was vrede en niemand zou dat boek willen lezen; de haat was nog zo groot. De personages heb ik hoepelrokken aangetrokken en pruiken opgezet en in de tijd van patriotten en oranjegezinden teruggezet. De thematiek was dezelfde.”

Onechte bekeringen

Veel van De Graaffs romans hebben in het verleden plaats. Een bewuste keus. De schrijver bekende eens dat hij zijn eigen tijd niet zo goed kende. Door over het verleden te schrijven kon hij bovendien veel dingen gemakkelijker zeggen. Confronterende uitspraken kwamen minder hard aan. Voor veel mensen waren zijn verhalen intussen toch dichtbij: veel ervan speelden zich af op de ’eilanden’ of tussen de grote rivieren. Wie ziet tussen zijn wimpers door niet Lange Hermen op zijn paard door Vianen stuiven? Of denkt niet aan De Graaff als hij Brouwershaven (”Gebrandmerkt”) of Oud-Beijerland (”Om ’t Stenen Paert”) bezoekt? Wat dat betreft is hij met ”Maaike van Sinea” in het vijftiende-eeuwse Friesland ver van huis. Toch maakt dat van De Graaff geen streekboekenschrijver. Hij is vooral de auteur van volksverhalen van christelijke signatuur. Hij wilde bewust het protestants-christelijke volksdeel dienen, al zou hij zichzelf geen schrijver van christelijke boeken genoemd hebben. Van bekeringsverhalen moest hij niets hebben, die vond hij onecht en opgelegd. In een interview zei hij eens: ”Niemand kan een christelijke roman schrijven. Je schrijft een roman en als je de genade hebt een christen te zijn, dan wordt het een christelijke roman. Ik vind ”Gebrandmerkt” een christelijk boek, maar dat vindt ’men’ niet.”

Spiegel

De Graaff wilde zijn publiek niet beleren, hij wilde ze wel de spiegel van het leven voorhouden. De christenen onder zijn personages zijn mensen met vele gebreken, gedreven door vaak onedele hartstochten, maar ze kennen ook de triomf over het kwaad. Het verschil tussen leer en leven was een van De Graaffs terugkerende thema’s. Hij had op nog andere tegenstellingen patent: die van de wereld tegenover de kerk en zeker ook de tegenstelling van kerk tegenover kerk (meestal hervormden tegenover afgescheidenen). De macht van de zonde kwam telkens naar voren. Meestal bezweek een van zijn personages voor ”de zonde des vleses”, of zoals iemand het noemt: voor de ”Davidjes-zonde.” Overigens hield hij niet van expliciete slaapkamerverhalen: ”U doet toch ook de deur van uw slaapvertrek dicht?” Zijn oogmerk was de lezer te vermaken, hem spanning te geven. Hij beschreef de problemen van alledag: liefde, boosheid, geloofsstrijd, spanningen tussen mensen en generaties. Dingen die hij zelf meemaakte, belandden in zijn boeken. ”Ik hoor een verhaal of soms maar een beeld en dan gebeurt het al. Ook wel in archieven: praten en vragen. Dan groeit het verhaal, daar word je zenuwachtig van. Je wilt zo gauw mogelijk aan het werk, vertellen...” Ondanks alle menselijke problematieken eindigt het gros van De Graaffs boeken blij.

Dirigent

In de jaren zeventig wordt er bijna jaarlijks een boek in de Driebergse schrijvershut geboren. In totaal zijn er wel een paar miljoen exemplaren in de winkel beland. Sommige boeken schreef hij onder pseudoniem: Jan Jagersma, Jan Spiekman en zelfs de weinig mannelijke variant Heleen van Gelder. De Graaff bleef op hoge leeftijd actief. Zijn laatste boek, ”Zotte Karel”, verscheen een jaar voor zijn overlijden. Hij was een bezig en driftig man. Hij mocht van zijn vader dan wel geen musicus worden, intussen was muziek zijn leven lang wel aanwezig. De Graaff zat niet alleen in het hoofdbestuur van de Christelijke Zang- en Oratoriumverenigingen, maar was ook dirigent van diverse christelijke koren. Op zijn zeventigste bedankte hij ervoor, bang als hij was dat zijn omgeving hem zou wegkijken. Maar kennelijk kon hij het musiceren niet laten: pas op zijn tachtigste stopte hij definitief met zijn min of meer permanente ’invaldirigentschap’.

De Graaff ligt begraven in Driebergen.